De prijs van een pleegkind

Opgelucht, met kater

Omdat Jeugdzorg het belang van het kind voorop stelt en niet langer dat van de ouders, zal het vaker voorkomen dat kinderen uit huis worden geplaatst. Opvang in een pleeggezin is dan beter voor het kind, én het is goedkoper. De ervaringen van Ina en Stef.

Hun pleegkind Daan is inmiddels alweer enige tijd bij hen weg. Maar ze vinden het nog steeds spijtig zoals het gelopen is. Ina: ‘Als we een ander kind dan Daan in huis hadden gekregen, eentje met niet zulke gedragsproblemen, dan was het misschien gelukt. Ik vind dat nog altijd jammer.’

‘Dat klinkt alsof je nog steeds bereid bent een pleegkind in huis te nemen?’ reageert Stef als Ina deze opmerking maakt. ‘Nee, hoor’, zegt Ina aanvankelijk. ‘Ik realiseer me dat je voor een pleegkind veel tijd moet hebben en die tijd hebben we op het moment niet. Als we nu weer een kind in huis zouden nemen, zou dat een jaar of acht moeten zijn, wil zijn leeftijd enigszins aansluiten bij die van onze eigen twee kinderen. Een kind van acht jaar heeft waarschijnlijk al van alles meegemaakt. Hoe ouder, hoe meer schade. Zo’n kind wil ik niet meer in huis.’

Dat klinkt resoluut, maar even later voegt ze eraan toe: ‘Ik durf niet te zeggen nooit meer. Als ik hoor hoe het met sommige kinderen gaat, dan twijfel ik. Maar ik zeg wel tegen anderen die het pleegouderschap overwegen: weet waar je aan begint en doe het alleen als je er allebei helemaal achter staat.’

Dat was bij hen het geval toen ze zich aanmeldden. Hun jongste kind was destijds vier jaar en met hem en zijn oudere zusje ging het goed. Bovendien vingen Ina en Stef al regelmatig andere kinderen op, al was dat dan van vrienden. ‘Voordat we zelf kinderen kregen, hebben we het al eens over pleegkinderen gehad. We weten door ons werk in de gezondheidszorg hoe kinderen in de knel kunnen komen te zitten. Toen we lazen dat er pleeggezinnen werden gezocht, vonden wij het geen onlogische constatering dat wij best voor een ander kind zouden kunnen zorgen.’

Hun gezin werd gescreend en Ina en Stef gingen op cursus. Twee dingen zijn hun daarvan speciaal bijgebleven. ‘Wij waren de enige aspirant-pleegouders die zelf al kinderen hadden. Dat gaf ons een aparte positie’, zegt Stef. Daarnaast kregen alle deelnemers volgens hem vooral de boodschap voorgehouden dat het geen rozengeur en maneschijn is. ‘Je moet sterk in je schoenen staan als je na die cursus nog ja tegen het pleegouderschap wilt zeggen.’ ‘Maar wij kregen het diploma’, voegt Ina er met enige ironie in haar stem aan toe.

Het duurde echter nog enige jaren voordat ze Daan in huis kregen. Reden? ‘Omdat wij allebei werken, vonden we het redelijk dat er voor de twee dagen dat het pleegkind naar een crèche zou moeten een vergoeding kwam’, vertelt Ina. ‘Uit ervaring met onze eigen kinderen weten we hoe duur opvang is.’ Dat verzoek was echter nieuw voor de pleegzorg. ‘Tot dan toe kwamen pleegkinderen vooral in gezinnen waarin één partner altijd thuis is’, vult Stef aan. ‘Maar in een tijd dat partners gestimuleerd worden om beiden te werken, kan dat niet meer.’

Pleegzorg zegde mondeling toe dat die vergoeding er zou komen. Zwart op wit kwam er echter niets. Ook een brief naar het verantwoordelijke ministerie haalde niets uit. ‘Na twee jaar hebben we die eis maar laten vallen’, zegt Stef. ‘Je kunt wel proberen je principes overeind te houden, maar daar zou geen kind mee geholpen zijn.’

Ze hadden nog een eis. Ina: ‘Omdat wij al twee kinderen hebben en allebei werken, wilden we geen pleegkind in huis met grote gedragsproblemen. We realiseerden ons dat we geen tijd hebben om een kind één op één te begeleiden en dat is juist nodig als een pleegkind problemen heeft.’

Zo’n drie jaar na de eerste oriëntatie, maar kort nadat ze hadden gezegd dat een pleegkind nu daadwerkelijk kon komen, kwam Daan in beeld. Die was toen vijf, hun eigen jongste kind inmiddels zeven. ‘We kregen wat algemene informatie over Daan en zijn hem gaan opzoeken bij het pleeggezin waar hij toen was. Je komt dan kijken naar een kind. Dat is vreemd’, herinnert Ina zich.

Maar de reactie van Daan was ook vreemd. Ina: ‘Hij kroop meteen bij ons op schoot. Achteraf bleek hij dat bij iedere vreemde te doen. Als wij met hem door de stad liepen, klampte hij iedereen aan. Hij zou zo met totaal onbekende mensen meegaan. Hij leek dan goed contact te hebben, alleen met ons – zijn pleegouders – had hij dat niet.’

Hoewel het van begin af aan niet prettig voelde, realiseren Ina en Stef zich nu dat je je bij de kennismaking eigenlijk al verplicht voelt ja te zeggen. Stef: ‘De drempel wordt dan zo laag, je hebt zo het gevoel iets te kunnen betekenen. We dachten ook dat wij het gedrag van Daan konden plaatsen en zelf stabiel genoeg waren om het aan te kunnen.’

Daan kwam echt bij hen wonen na de herfstvakantie. Ina herinnert zich hoe raar het was om met z’n vijven aan tafel te zitten en herinneringen op te halen aan bijvoorbeeld de zomervakantie. ‘Toen bleek hoe weinig wij van hem wisten. Dan had Daan het over een zwembad waar hij was geweest en noemde namen van allemaal mensen die wij niet kenden. Dat maakte het allemaal zo zielig: wij begrepen totaal niet wat hij de afgelopen jaren had meegemaakt.’

Zo komen ze op de rol van de voogd van Daan. Over haar zijn Ina en Stef hard. Ina: ‘Wij hadden de indruk dat deze vrouw weinig kijk had op Daans functioneren. Ze sprak over hem als een lief, klein mannetje, veel verder kwam ze niet. Als wij het over het gedrag van Daan hadden zoals wij dat thuis meemaakten, bagatelliseerde ze dat.’ Daardoor begonnen Ina en Stef vreselijk te twijfelen: was het gedrag van Daan normaal voor een pleegkind, deden zij misschien iets verkeerd of was Daan een bijzonder kind?

Stef: ‘Wij hadden al snel de indruk dat hij leed aan een hechtingsstoornis. Daar was hij echter niet op gediagnosticeerd. Hij was misschien ook nog wat jong om hem daarop te testen. Op jonge leeftijd zijn die testen niet zo betrouwbaar. Maar blijkbaar was het anderen nooit zo opgevallen.’ Ze gingen erover lezen, in de hoop aanwijzingen te vinden hoe daarmee om te gaan.

Waar Ina en Stef zich destijds ook over hebben verbaasd is het streven van de voogd om Daan weer bij zijn moeder te laten wonen. Ina: ‘Toen hij uiteindelijk bij ons wegging, was het de bedoeling dat hij naar haar toe zou gaan. Die moeder zei ook niet rechtstreeks dat ze Daan niet meer wilde, maar als je zag hoe het er bij haar aan toe ging: drugsverslaafd, psychische problemen, geen bed voor het joch, geen vloerbedekking, maar wel een grote tv met een matrasje ervoor, zodat hij haar ’s morgens niet zou storen als hij een keer bij haar logeerde. Je zag met eigen ogen dat die moeder niks te bieden had. Als ze één keer in de maand bij ons was, had Stef haar handen vol aan haar, maar was ze niet met Daan bezig zoals de bedoeling was.’

Niet dat Ina daarmee wil zeggen dat het contact tussen Daan en zijn moeder er niet moet zijn. ‘Ik zag hoe belangrijk het voor Daan was. Maar dat de voogdij denkt dat een kind weer terug kan naar zijn moeder in zo’n geval! In dat streven gaat wel heel veel tijd en geld zitten.’

Het gezin van Ina en Stef begon onder de aanwezigheid van Daan te lijden. Elke keer als het gezellig was, reageerde Daan daar averechts op. Heftige reacties, ruzie, conflicten waren het gevolg. ‘Onze oudste begon haar eigen gang te gaan, onze zoon werd verdrietig en ongelukkig’, vertelt Ina. Daan zoog alle gezelligheid, harmonie en energie uit het gezin. Stef: ‘We hebben nog hulp ingeroepen en kregen videohometraining. Maar eigenlijk zaten we toen al door onze bodem heen.’

Na anderhalf jaar Daan in huis te hebben gehad, besloten ze op te geven. Het moment dat ze het Daan en de eigen kinderen vertelden, zien ze nog voor zich. Stef: ‘We zaten rond de tafel. Onze eigen kinderen begonnen te huilen. Ondanks alles vonden ze het zo zielig voor Daan. Maar hijzelf bleef uiterlijk onbewogen. Het eerste wat hij zei was: mag ik nog een chippie.’

Later is Daan alsnog getest. Hij bleek inderdaad een hechtingsstoornis te hebben. Ina en Stef zijn, ook achteraf, nog altijd verbaasd over het gedrag van de voogd. Ina: ‘Zij wist echt te weinig van het kind. We zouden ook wel eens willen weten wat voor opleiding ze had.’ Stef: ‘Ze overlegde ook veel te weinig met de pleegzorgwerker die ons ondersteunde. Die pleegzorgwerker zag wel wat er aan de hand was met Daan.’

Het besluit te stoppen voelde als een opluchting. Ina: ‘Maar ik had toch ook heel erg het gevoel gefaald te hebben. Dat laatste maakt de drempel om toe te geven dat het je niet lukt erg hoog. Tegen mensen die pleegouderschap overwegen zou ik willen zeggen: het kost veel om ja te zeggen tegen een pleegkind, maar het kost nog meer om ermee te stoppen.’

De namen van Ina, Stef en Daan zijn gefingeerd