Hoe een hofschilder op de zolder van paleis Het Loo belandde

Opgerold en weggeborgen

De negentiende-eeuwse schilder Raden Saleh is een van de meest bijzondere iconen van de gedeelde geschiedenis van Indonesië en Nederland. Maar het lijkt wel of Nederland van hem af wil, zoals ook Multatuli weggemoffeld wordt.

Medium boschbrandnieuw
Raden Saleh, Boschbrand, 1849, 300 x 396 cm, tentoongesteld in de National Gallery Singapore © Collection of National Gallery Singapore

Wie was de kunstenaar Raden Saleh, wiens opzienbarende schilderij Boschbrand blijkt te zijn verkwanseld door de kleinkinderen van koningin Juliana? Het is vreemd dat deze internationaal bekende en geprezen schilder, wiens werk miljoenen opbrengt, juist in Nederland geen household name is. De hernieuwde waardering voor zijn kunst heeft hij te danken aan zaakwaarnemers uit Frankrijk en vooral uit Duitsland, dat met hem dweept. Zij hebben hem internationaal weten te lanceren als een van de grote artiesten van de negentiende eeuw, zonder noemenswaardige Nederlandse betrokkenheid. Dat is merkwaardig.

Raden Saleh kwam namelijk van Nederlands-Indische bodem en hij werd als schilder gewaardeerd en financieel gesteund door de koningen Willem I, II en III. De tweede zou hem ridderen (in de Orde van de Eikenkroon) en de laatste zou hem zelfs benoemen tot Schilder des Konings, hofschilder. Om al deze redenen schonk hij regelmatig schilderstukken aan de koninklijke familie, werk dat de vorsten vervolgens met trots uitleenden aan buitenlandse exposities en musea. Wat is er gebeurd met die trots en met Raden Saleh?

Geboren omstreeks 1810, in een adellijke en opstandige Javaans-Arabische regentenfamilie, werd hij nog heel jong en bij toeval ontdekt door de Belgische schilder A. Payen. Deze maakte deel uit van een rondreizend team tekenaars en schilders dat de flora en fauna van Java in beeld moest brengen in opdracht van het koloniale bestuur. Raden Saleh – voluit Sarief Bustaman Saleh – was op dat moment in de kost bij de plaatselijke resident (bestuurder) Robert van der Capellen, ontmoette daar Payen en mocht op grond van zijn tekentalent vervolgens mee op reis als diens leerling. Ook de gouverneur-generaal – de ‘onderkoning’ van Indië – Godert van der Capellen (broer van) raakte geïmponeerd door de artistieke aanleg van Raden Saleh. Hij zorgde er persoonlijk voor dat de aankomende schilder zich vanaf zijn achttiende verder kon bekwamen in Europa. De karaktervolle Godert van der Capellen was overigens zó gepakt door Indië dat hij op zijn thuisreis als een van zijn ‘souvenirs aan de Oostelijke gewesten’ ook een klein Papoea-meisje meenam.

Raden Saleh ging officieel naar Nederland als klerk van de inspecteur van Financiën en zou ook weer in die functie mee teruggaan, een paar maanden later. Maar hij besloot langer te blijven, omdat hij vond dat het nog schortte aan zijn talenkennis en omdat hij wilde leren steendrukken. Dankzij steun van zijn achterban in Nederlands-Indië is dat gelukt. Bovendien had hij de schilder Cornelis Kruseman leren kennen, die hem als leerling aannam.

Telkens als Raden Saleh daarna te verstaan werd gegeven dat het tijd werd om naar Java te vertrekken, weigerde hij mee te werken. Omdat hij een riante uitkering kreeg kon hij zich dat ook veroorloven. Hij leidde een onafhankelijk leven: hij woonde op kamers in Den Haag, had een eigen atelier en volgde teken- en taallessen. Een circusdirecteur had hij zo ver weten te krijgen dat hij zijn leeuwen mocht bestuderen, want wilde dieren interesseerden hem het meest.

Uiteindelijk wist de regering niet meer wat ze met Raden Saleh, die zich niet alleen tot een gedreven kunstenaar maar ook tot een Europese dandy had ontwikkeld, moest beginnen. Terugsturen naar Indië was niet langer een optie. Er was angst dat hij zich, door zijn goede opleiding, zou gaan manifesteren als een antikoloniale oproerkraaier – de bloedige Java-oorlog was immers nog maar net achter de rug. Rond 1837 werd er bedacht dat Raden Saleh op studiereis naar het buitenland kon worden gestuurd. De schilder wierp tegen dat hij geen Frans sprak en wist zijn verblijf met extra taallessen nog twee jaar te rekken.

Inmiddels had hij als schilder aanzien verworven, onder meer door allerlei grootheden te portretteren; vanwege zijn verheven afkomst weigerde hij echter betaling voor zijn werk. Zijn tijd en geld gingen vrijwel helemaal op aan zijn kunst. Het atelier schijnt vol te hebben gelegen met skeletten en losse beenderen van beesten: ‘Men vind er nauwelijks een stoel, om op te zetten’, klaagde een bezoeker. Hij schilderde tijgers, leeuwen, panters, buffels, herten, met elkaar in gevecht, gedood door jagers of aangeschoten op de vlucht.

Kort nadat hij was begonnen buitenlandse reizen te maken, raakte Raden Saleh ook in Duitsland, Engeland en Frankrijk bekend als schilder en societyfiguur – nu in de gedaante van Javaanse dandy, compleet met tulband en kris. Hij raakte snel op vriendschappelijke voet met Engelse en Duitse hoven en aristocraten, wat de Nederlandse autoriteiten nogal schijnt te hebben geïrriteerd.

Raden Saleh bracht zo vijf jaar door in Dresden aan het plaatselijke hof, waar hij vooral door de dames in de watten werd gelegd, ‘ondanks zijn bruine gelaatskleur’ (volgens een verbaasde correspondent). Hij vond het beneden zijn stand om te dansen en verwonderde zich over dansende royalty – dat was iets voor slaven, vond hij. Hij kwam ook graag in Parijs, waar hij eveneens aan het hof werd ontvangen en geëerd. Daar liep de prince Javanais in een, volgens een tijdgenoot, ‘opzichtig Javaans fantasiepakje’ en ook daar maakte hij naar verluidt ettelijke amoureuze veroveringen, terwijl hij ondertussen getuige was van de omwentelingen van 1848. Hij werd steeds beroemder, ondernam een kunstreis naar Algiers met de Franse schilder Vernet en werd terug in Nederland lid van het prestigieuze Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië (kitlv), dat zeer met hem ingenomen was. Op pogingen om hem te bekeren tot een vorm van christendom scheen Raden Saleh steevast te antwoorden: ‘Word het eerst onderling eens en kom dan bij mij.’ Maar zijn islamitische geloof vond hij geen sta-in-de-weg voor zijn aansluiting bij de Haagse vrijmetselaarsloge.

Medium selfportait
Zelfportret van Raden Saleh, 1841, olie op canvas, 22,8 x 17,8 cm © Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen / Tropenmuseum, Amsterdam

In 1851 keerde Raden Saleh als een gevierd man terug naar Java, waar hij ging samenwonen met een Europese vrouw, de Indische Constancia Winckelhaagen, een batikproducente. Zijn naam als eminent romantisch landschapsschilder was toen wijd en zijd gevestigd. Het drie bij vier metende schilderij Boschbrand, dat Raden Saleh bij zijn afscheid schonk aan koning Willem III als dank voor 23 jaar ondersteuning, was een dramatisch hoogtepunt in zijn oeuvre: op de vlucht voor het vuur storten haast levensgrote tijgers en buffels zich in paniek in een ravijn, op de achtergrond gevolgd door vaag zichtbare panters en een hert.

Op Java leefde de schilder zijn interesse in dierkunde uit door het opgraven van beenderen van ‘dieren uit de voorwereld’, zoals de ‘mastodon’ en de ‘megalodon’. Daarnaast verzamelde Raden Saleh manuscripten, handschriften en oudheden voor het Bataviaas Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dat hem kunstreizen liet ondernemen. Hij ontwierp de dierentuin in Batavia en stuurde een wijn drinkende en pisang etende olifant, lopend langs de weg, vanuit Cheribon naar de sultan van Solo, als surprise. (Op Java komen geen leeuwen en olifanten voor. Radens interesse in deze dieren sproot voort uit zijn modieuze hang naar het artistieke oriëntalisme.)

Op pogingen hem te bekeren tot een vorm van christendom zei hij: ‘Word het eerst onderling eens en kom dan bij mij’

In 1857 schilderde Raden Saleh zijn meest bekende doek, De gevangenname van Prins Diponegoro, dat nu in het presidentieel paleis in Jakarta hangt. Prins Diponegoro, van wie de schilder claimde familie te zijn, was de eerste antikoloniale vrijheidsstrijder: hij ontketende in 1825 de Java-oorlog. Hij was de schrik van het Indische bestuur en werd uiteindelijk lafhartig in de val gelokt door generaal Hendrik de Kock. Ook omdat Raden Saleh de Hollanders op het doek grotere hoofden gaf dan de Javanen interpreteerden velen het doek als het allereerste nationalistische schilderij van Zuidoost-Azië. De schilder had van het tafereel al een eerder schilderij gezien, van Nicolaas Pieneman, waarin – vanzelfsprekend – voor de Nederlanders een heldhaftige rol was weggelegd en voor Diponegoro een onderworpen positie. Raden Saleh’s schilderij werd daarom beschouwd als een radicale ‘omkering’ van de Hollandse visie. Toestemming om de slagvelden uit de Java-oorlog te bezoeken was hem overigens geweigerd.

Het feit dat Raden Saleh het schilderij schonk aan koning Willem III uit dankbaarheid voor zijn steun overtuigde anderen er weer van dat de schilder geen enkel nationalistisch benul had en dat het doek zelfs afschrikwekkend bedoeld was voor toekomstige opstandelingen. Maar dat het om een meesterwerk gaat is onbetwist; het doek inspireerde de makers van vele contemporaine Indonesische kunstwerken.

Raden Saleh viel ook op Java weer op door zijn excentrieke uitdossingen. Vooral de vele medailles die hij op zijn jas speldde trokken de aandacht. Toen in 1868 een volksopstand uitbrak in Bekassi, bij Batavia, werd de schilder er tot zijn verbijstering van verdacht de aanstichter te zijn. Naar snel bleek was de oproerleider, een dorpeling, erin geslaagd zich uit te geven voor Raden Saleh door een serie van munten gemaakte nepridderorden op zijn borst te bevestigen. Nog tot in 1910 zou de schilder daarom onder het volk van Oost-Batavia alleen bekendstaan als kepala rampok, roverhoofdman.

Raden Saleh zelf stond op goede voet met de koloniale regering. Zo ontwierp en vervaardigde hij de vier erepoorten die in 1874 in zijn woonplaats Buitenzorg werden opgericht om de van een gewelddadige Atjeh-expeditie terugkerende troepen feestelijk te ontvangen. Als dik betaald erebaantje kreeg hij het toezicht op de portrettengalerij van de verzamelde gouverneurs-generaal, het koloniale pantheon zogezegd.

Na zijn huwelijk met een jonge adellijke Javaanse ondernam Raden Saleh in 1875 een tweede reis naar Europa. Hij werd door Willem III ontvangen, verbleef langere tijd in Duitsland en bezocht ook Italië, voordat hij in 1878 terugkeerde. In 1880 overleed Raden Saleh onverwacht, reden waarom in de Indische kranten stond dat hij ‘wel vergiftigd’ zou zijn (het was een embolie). Financieel stond hij er op dat moment niet al te best voor. Daarom kocht de gouverneur-generaal al de schilderwerken op die nog in het atelier van de prins te vinden waren. Een fatsoenlijk grafmonument bleef jarenlang uit; zijn Ghanese vriend prins Aquasie Boachi zette om fondsen te werven een loterij op touw met als inzet Saleh’s kostbare tweeloopsgeweer.

Raden Saleh’s uiteindelijke grafschrift zou al zijn ridderorden vermelden: ridder der Orde van de Eikenkroon, ridder met de ster der Frans Joseph-orde, ridder der Kroonorde van Pruisen, ridder van de Witte Valk.

In Indonesië heeft het werk van Raden Saleh pas de laatste dertig jaar grote opgang gemaakt. Lange tijd vond men hem niet ‘typisch Javaans’ genoeg en evenmin kon hij aangemerkt worden als ‘vernieuwende’ Indonesische schilder. Inmiddels krijgt hij erkenning als ‘Vader van de Indonesische schilderkunst’. De lotgevallen van het populaire Diponegoro-schilderij spelen daar een rol in. In het kader van het staatsbezoek dat koningin Juliana aflegde aan Indonesië in 1971 schonk ze het land een aantal werken van Raden Saleh uit het familiebezit, waaronder de Diponegoro. Daar verslechterde de conditie van het kunstwerk snel; het Goethe Instituut in Jakarta nam het voortouw in de restauratie door de Duitse conservatrice en Raden Saleh-expert Susanne Erhards, waarbij ook het verwaarloosde werk Drinkende tijger werd meegenomen. Dit alles werd in de Indonesische pers breed uitgemeten.

Ondertussen was het werk van de schilder astronomisch in waarde gestegen: in 2012 werd er voor een jachttafereel 1,6 miljoen euro neergelegd door een Indonesische liefhebber. Dat hing ook samen met de grote populariteit van Zuidoost-Aziatische schilders bij lokale beleggers sinds de jaren negentig, een gevolg van de nieuwe rijkdom in Azië.

In 2012 kwam het eveneens tot de eerste overzichtstentoonstelling in Jakarta van het werk van Raden Saleh, ook weer georganiseerd en gefinancierd door het Goethe Instituut. Er werden 23.000 bezoekers in twee weken geteld, een voor Indonesische begrippen hoog aantal; de ‘ersten Blockbuster der südostasiatischen Ausstellungsgeschichte’, juichte men in Duitsland. Werner Kraus, curator van de show en biograaf van Raden Saleh, verklaarde tijdens de opening: ‘Raden Saleh voelde zich het meest op z’n gemak in Duitsland. Hij werd ontvangen aan het hof, was in alle salons een geziene gast en werd de “zwarte prins” genoemd. Zijn werk verkocht tegen heel hoge prijzen. In Holland werd hij echter beschouwd als een bruine onderdaan uit de koloniën en niet serieus genomen.’ Regelrechte Zueignung blijkt uit Kraus’ observatie dat Raden Saleh ‘Javaans was toen hij naar Europa kwam en Duits toen hij terugkeerde naar Indonesië’ (de schilder woonde tussen 1845 en zijn terugkeer in 1851 in Parijs). Elders schildert Kraus Raden Saleh onterecht af als anti-Nederlands.

Vooral door de bekendheid van zijn Diponegoro-schilderij (dat Kraus nóg een keer tentoonstelde in Jakarta, in 2015) wordt Raden Saleh in Indonesië beschouwd als de eerste grote nationalistische kunstenaar. Tegelijk was hij ook de eerste Indonesische kunstenaar die in een westerse stijl en techniek werkte. Daarbij was hij ooit Nederlands hofschilder. Dat maakt hem tot een van de meest bijzondere iconen van de gedeelde geschiedenis van Indonesië en Nederland – ook, of misschien juist doordat hij hier in de twintigste eeuw lang is aangemerkt als niet meer dan een ‘Javaanse dierenschilder’. Zijn werk zou een onvergelijkelijke plaats in de Nederlandse kunsthistorische canon horen in te nemen.

Het nieuws dat Boschbrand als voorgoed verloren moet worden beschouwd voor ons cultuurbezit veroorzaakte in oktober dan ook een schokgolf door historisch en cultureel onderlegd Nederland. Die werd nog verergerd door de krasse mededeling van de Rijksvoorlichtingsdienst dat het ‘de erven van wijlen Prinses Juliana volledig vrij [staat] om te bepalen wat ermee wordt gedaan’. In een artikel in NRC HandelsbladGeen Oranje wilde twaalf vierkante meter tijgers – had de journalist Arjen Ribbens uit de doeken gedaan hoe de veertien kleinkinderen van Juliana waren omgesprongen met het kostbare erfgoed. Het schilderij was honderd jaar vermist geweest: na een geslaagde speurtocht door de Franse kunsthistorica Marie-Odette Scalliet – nota bene op eigen initiatief – werd het verwaarloosde en zwaar beschadigde doek gerestaureerd. Dat was een heel karwei, want het schilderij was eerst opgerold, daarna doormidden gevouwen en vervolgens, rond 1902, op een zolder van paleis Het Loo gekwakt.

Na de herstelwerkzaamheden werd het doek door de Oranjes vergeefs ondershands aangeboden aan Indonesische verzamelaars om vervolgens, in 2014, aangekocht te worden door de National Gallery Singapore, dat het direct presenteerde als hét topstuk van het museum. De exportvergunning bleek al een week na aanvraag te zijn afgegeven, zo ontdekte Ribbens. Er was naar verluidt een bedrag van tussen de drie en vijf miljoen dollar betaald; een en ander had zich onder geheimhouding afgespeeld.

In Nederland is nooit een straat naar Raden Saleh genoemd. Dat zal ook niet meer gebeuren

Geen van Juliana’s kleinkinderen, evenmin als de staf van historicus-koning Willem-Alexander, had blijk gegeven van enig nationaal cultuurhistorisch besef. En dat koningin Máxima beschermvrouwe is van het kitlv, waar Raden Saleh op een van de oudste ledenlijsten te vinden is, heeft kennelijk weinig of geen betekenis. Geen enkel van de in totaal dertien schilderijen die Raden Saleh schonk aan de koninklijke familie is nog in het bezit van de Oranjes.

Boschbrand hoort idealiter thuis in Amsterdam en in Jakarta; een om-en-om-constructie, zoals uitgedokterd met Parijs voor de recente 160 miljoen euro kostende Rembrandt-aankoop, zou meer relevant zijn geweest voor dit meesterwerk van Raden Saleh. Maar de geschiedenis van Nederlands-Indië is al lang geleden losgekoppeld van de geschiedenis van Nederland – als ze er al ooit toe heeft behoord. In Nederland is nooit een straat naar Raden Saleh genoemd. Dat zal ook niet meer gebeuren.

Raden Saleh kan zich op zijn wolk opmaken voor illuster gezelschap. Het is niet ondenkbaar dat een andere dwarse negentiende-eeuwer, Multatuli, zich over afzienbare tijd óók in de periferie van de vaderlandse geschiedenis bevindt. Iedereen kent hem – nog wel. Of zij elkaar gekend hebben – hun levens hebben elkaar in tijd grotendeels overlapt – is de vraag. Toen Multatuli, voluit Eduard Douwes Dekker, als jongeling naar Nederlands-Indië vertrok, was Raden Saleh daar al weer een paar jaar weg en zo zijn ze elkaar blijven mislopen. Zeer zeker kenden ze elkaars werk: beiden waren vrijmetselaars, al behoorden ze niet tot dezelfde loge.

Degene die hen misschien allebei heeft gekend was niemand minder dan de roemruchte Mina Kruseman, in de negentiende eeuw met stip de meest dwarse vrouw van Nederland. De actrice en schrijfster was een achternicht van de bekende schilder Cornelis Kruseman, bij wie Raden Saleh in de leer was gegaan. Na de publicatie in 1873 van haar feministische roman Een huwelijk in Indië bewerkte ze het boek tot het toneelstuk De echtscheiding, waarin ze zelf de hoofdrol speelde. Inmiddels had ze kennisgemaakt met Multatuli, die haar vroeg voor de hoofdrol in zijn Vorstenschool – er wordt beweerd dat hij tot over zijn oren verliefd was op Kruseman. Over haar interpretatie van de rol van koningin Louise kregen de twee desalniettemin enorme ruzie. Multatuli liet haar contract ontbinden, ondanks het grote succes van het toneelstuk. Ze keerde terug naar Java, waar Raden Saleh als Europese en Javaanse beroemdheid een geanimeerd leven leidde en waar het, wie weet, tot een ontmoeting is gekomen.

Multatuli, die Nederlands-Indië voorgoed verlaten had in 1857, woonde toen al in vrijwillige ballingschap in het Rijnlandse Ingelheim. Ook dát had hij gemeen met Raden Saleh: hij vond het prettiger vertoeven in Duitsland dan in Nederland. Maar in tegenstelling tot de schilder ontwikkelde Multatuli zich tot een van de onbetwiste helden van het Nederlands literaire erfgoed én van het nationale geweten. Zijn Max Havelaar werd in 2002 uitgeroepen tot Nederlands belangrijkste letterkundige werk aller tijden en Multatuli zelf werd in 2004 gekozen als nummer 34 op de lijst van grootste Nederlanders. Zijn borstbeeld, gemaakt door Hans Bayens, trekt ieders aandacht op de Amsterdamse Torensluis, boven het Singel.

Daarom is het onthutsend en onbegrijpelijk dat de gemeente Amsterdam het Multatuli Huis in 2013 heeft uitgesloten van subsidiëring. Het minuscule pand in de nabij het Singel gelegen Korsjespoortsteeg, geboortehuis van de schrijver en dienstdoend als museum, wordt sindsdien voor één euro per jaar van de gemeente gehuurd door de Stichting Multatuli Huis. Maar het onderhoud moet worden opgebracht door de stichting, die ook de exploitatie van het museum, behoud van het archief en educatietaken voor haar rekening neemt. Gevreesd wordt dat sluiting niet lang op zich laat wachten.

Dat alles staat in schril contrast met het binnenkort te openen Multatuli Museum in de Indonesische stad Serang, in Lebak, provincie Banten. Deze locatie zal niemand verbazen: de ‘Toespraak tot de Hoofden van Lebak’ is ook in Indonesië een van de meest bekende passages uit Max Havelaar. De schrijver stelt daarin de genadeloze uitbuiting van de arme Soendanese bevolking aan de kaak, door zowel inheemse machthebbers als koloniale heersers. Die boodschap en haar vertolker zijn herontdekt.

In Lebak (1.620.000 inwoners in 2015) waren al een school en een straat naar Multatuli genoemd. Wat nu de voltooiing nadert is niets minder dan een grootschalig en opvallend vormgegeven cultureel complex, bestaande uit het Multatuli Museum zelf – geïnspireerd op de originele residentswoning –, de Saïdjah en Adinda-bibliotheek en een auditoriumachtig multifunctioneel gebouw bestemd voor culturele doeleinden. Zo zal er straks regelmatig een internationaal Multatuli-literatuurfestival gaan plaatsvinden. Ook staat er een writers in residence-programma op stapel. Het museum moet, naast aandacht voor leven en werk van Multatuli, ook inzicht geven in de geschiedenis van het kolonialisme in Indonesië en de weerstand daartegen. Daarnaast is gedacht aan een museumcafé en een speciale Multatuli-merchandisingruimte. Met dat alles vergeleken steekt het Multatuli Huis in Amsterdam schraal af.

Medium museum multatuli2
Multatuli Museum in Lebak, Indonesië © Bonnie Triyana

De journalist Joss Wibisono deed voor Indonesië’s grootste weekblad Tempo verslag van het bezoek dat de burgemeester van Lebak, Iti Octavia Jayabaya, bracht aan het Multatuli Huis, op 26 april. Uit handen van Winnie Sorgdrager, voorzitter van het Multatuli Genootschap, ontving Jayabaya onder meer een originele tegel uit het residentiehuis in Lebak en een litho-portret van de schrijver. In een toespraak tot de burgemeester en haar gevolg klaagde Sorgdrager haar nood over de bedreigde staat van het Multatuli Huis, dat ‘binnenkort misschien zal veranderen in een kaaswinkel’. ‘Trek op tijd bij ons aan de bel’, bezwoer de delegatie uit Lebak daarop de aanwezigen, volgens Wibisono. ‘Kom naar Lebak. We zullen jullie steunen als het zo ver is, ook met geld. We staan voor jullie in.’

Dat Jayabaya een groot sociaal hart heeft blijkt ook uit haar plannen om de verwachte toestroom van Multatuli-toeristen niet in een duur resort te gaan onderbrengen, maar bij de plaatselijke bevolking thuis, die met subsidies aangemoedigd wordt gastenverblijven-aan-huis te beginnen. ‘Multatuli is een inspiratiebron voor ons allemaal’, zo benadrukte Jayabaya, ‘ik ben hier uit naam van alle mensen in Lebak.’

Dat Multatuli en zijn erfgoed nu ‘toegeëigend’ worden door de Indonesische overheid, 150 jaar na dato, door ‘Lebak’, is van een weldadige historische ironie. De schrijver zelf zou deze uitkomst zonder twijfel groots hebben gevonden. Zijn Max Havelaar was van aanvang af vatbaar voor appropriation, zoals historicus Ulbe Bosma heeft betoogd: nog vóór publicatie maakte Multatuli’s zaakgelastigde Jacob van Lennep hem slinks zijn auteursrecht afhandig om daarna in te grijpen in de tekst, ter bescherming van de belangen van zijn conservatieve vrienden. En ná publicatie werd het boek door de liberale lobby ingezet als krachtig propagandamiddel om Indië te kunnen opengooien voor het vrije, nietsontziende ondernemerschap – met succes.

Het is de bedoeling dat het Multatuli Museum in Lebak gezamenlijk geopend wordt door president Joko Widodo en koning Willem-Alexander, voor wie een staatsbezoek aan Indonesië gepland zou staan in 2017. Wat zou het een mooi gebaar zijn geweest als de koning juist bij die gelegenheid het enorme schilderij Boschbrand namens het Nederlandse volk aan Indonesië had kunnen schenken. Alleen al als fotomoment zou het een imposante geste zijn geweest. De postkoloniale relatie zou voor het oog van de wereld en voor lange tijd aan prestige hebben gewonnen, met alle kansen van dien, voor slechts vier, vijf miljoen euro. Maar daarvoor zouden een vooruitziende blik en onderlinge samenwerking en kennis van zaken en gevoel voor verhoudingen en fantasie en wat al niet bij de regering vereist moeten zijn. Quod non.