Luisteren

Opgeschorte tijd

Nergens is muziek meer onderbreking van de stilte dan in de uitgestrektheid van de nacht.

EEN JAAR of tien geleden logeerde ik een paar dagen in een hotel op Île Saint-Louis. Op een ochtend zag ik in de hoofdstraat van het eiland een gesoigneerde oude heer in een camel jas lopen, in zijn hand, aan een goudkleurig koordje, een elegant doosje met taartjes. Henri Dutilleux, ik herkende de oude meester van de foto. Later hoorde ik dat hij inderdaad résident van het Île is. Ik kan mij in Parijs geen betere plek voorstellen om te wonen. Nauwelijks verkeer, overdag het geroezemoes van toeristen die aan ijsjes van Berthillon likken, ’s nachts een oase van rust. Ainsi la nuit heet Dutilleux’ enige strijkkwartet. En inderdaad, zo klonk hij, de nacht op dit eiland. Vol harmonica-achtige klanken, flageoletten en pizzicato’s. Of was dat een voorbarige conclusie en was de nacht uit Ainsi la nuit een heel andere? Een nacht à la campagne of - echt iets voor een componist - een nacht die alleen maar in de verbeelding bestaat?

Nacht dus, maar de vraag is wat voor nacht. De muziek kent ze in soorten en maten, schildering en suggestie, illustratie en evocatie, impressie en expressie. En dan is er in de nacht als land- en klankschap nog een wereld van verschil tussen die van stad en land, van noord en zuid, van de zomer en de winter - tussen het New York van Ives’ Central Park in the Dark en het Iberia van Debussy’s Les parfums de la nuit. Uit minstens zo veel domeinen bestaat de nacht als ervaring, variërend van die van dromers en minnaars tot die van nachtwakers en nachtbrakers, van de Nachtstücke van Schumann tot de Night Fantasies van Elliott Carter en van de heksensabbat in Berlioz’ Symphonie fantastique tot de schimmen in Sub nocte per umbras van Klaas de Vries. Uit een veel verder verleden is er ook nog de nacht van de kloostergetijden, de metten en de lauden met hun vaste Gregoriaanse gezangen. In de Franse Barok klonken tijdens de zogeheten Donkere Metten, op de laatste drie dagen van de Goede Week, de Klaagzangen van Jeremia, de leçons de ténèbres, in vele toonzettingen maar met als hoogtepunt die van Couperin. Allemaal verschillende nachten dus, beschenen door afwisselend maanlicht, kaarslicht, spaarlampen, stroboscoop en keihard neon.

Nu is nacht makkelijker gezegd dan waargemaakt. Titels zijn ook een kwestie van conventie, een soms vrijblijvende verwijzing naar een veronderstelde inspiratiebron of louter tegemoetkoming aan de luisteraar. Titels helpen namelijk, dat weet elke componist. Zij richten de oren van de luisteraar en verschaffen hem de illusie dat de muziek ergens over gaat, dat wil zeggen, refereert aan iets benoembaars. Zou enige luisteraar spontaan op het idee komen Mozarts KV 525 als Kleine Nachtmusik te betitelen? Dan maakt de gestage stroom van gedempte strijkersklanken in Central Park in the Night meer kans om in het donker bijgezet te worden, al doet de kermisachtige klankcollage die deze langzamerhand overspoelt eerder aan een koortsdroom dan aan een reële nacht denken.

Zelf voel ik me het meest thuis in de nacht van John Cage, de man van ‘let sounds be sounds’. Het is het deel van de dag waarin de grote geluiden er het zwijgen toe doen, de stille geluiden hun kans grijpen en zich achter elke silence weer een andere silence blijkt op te houden. Het zijn de uren van het tikken van de verwarming, het brommen van de ijskast, het kraken en knallen van oude planken, de druppelende kraan, maar ook het suizen van de oren en andere ondefinieerbare want bronloze en wie weet verbeelde geluiden, vooral op vreemde locaties waar je letterlijk in het duister tast. Behalve Cage geen componist die de geluiden de geluiden laat, al komt Bartók in zijn nachtmuzieken (bijna een subgenre in zijn oeuvre) soms dicht in de buurt en bij ons Rudolf Escher, bijvoorbeeld in zijn Trio voor klarinet, altviool en piano.

Nergens is muziek meer onderbreking van de stilte dan in de tijdloze uitgestrektheid van de nacht. Met je iPod in bed en in de oren een cantate van Bach of een klarinetsolo van Boulez: ik ken geen betere manier om de tijd stil te zetten en de illusie te creëren dat je bent wat je hoort. En wat je hoort komt van ver weg en is tegelijkertijd nabijer dan ooit. We raken hier op het hellende vlak waar muzikale tijd en klokkentijd beginnen samen te vallen. De ware nachttijd is de opgeschorte tijd, temps suspendu, zoals niet toevallig de titel van het laatste deeltje van Dutilleux’ strijkkwartet luidt.

Maar wee de luisteraar die het zonder iPod moet stellen en op de discotheek van het brein vertrouwt. Geen oog doet hij dicht zodra hij in de geest de verkeerde want te lange en te grillige muziek opzet. Hij raakt verstrikt in melodieën die als slangen in hun staart bijten en in half herinnerde symfonieën en sonates die onvermijdelijk vastlopen in de groeven van het gemankeerde geheugen en gedoemd zijn tot eeuwige terugkeer naar hun beginmaten.

Want ook zó is de nacht.