Kees van Beijnum, De vrouw die alles had

Opgesloten in Bloemendaal

In zijn nieuwe roman ‹De vrouw die alles had› verplaatst Kees van Beijnum zich in de gedachtewereld van een vrouw met een zoon en gefnuikte ambities. «Als iemand zich in haar meent te herkennen, is dat een enorm compliment.»

De bomen ruisen vervaarlijk. Huize Boslust is op deze stormachtige zondag veranderd in huize Bosangst. Allard (6) staart met grote ogen de tuin in. «Als die boom omgaat, valt hij dan op ons huis?» De minstens honderd jaar oude eik pal naast het in de tuin gelegen schrijfhuisje van Kees van Beijnum (48) lijkt vooralsnog van geen wijken te weten. Zijn nog reusachtiger broer in het aangrenzende bos heeft echter net het loodje gelegd en verspert het pad naar het huis. De hond piept ongedurig. Zelda (1,5) komt stralend met stukken van haar vloerpuzzel aanzetten. Gezien het natuurgeweld lijkt het de schrijver raadzaam om het interview in huis te houden en niet zoals aanvankelijk gedacht in het plotseling fragiel ogende tuinhuis. Vrouw en kinderen verdwijnen naar de buren, waar ze in een wat meer beschut achterhuis kunnen bivakkeren. Een andere buurman komt even polshoogte nemen.

Dit is Bloemendaal, oftewel villadorp B., zoals Van Beijnum de locatie in zijn nieuwe roman De vrouw die alles had aanduidt. Een meeslepende roman over een moeder-zoondrama, maar ook over een vrouwenbestaan vol gefnuikte ambities en huwelijksleed. Scenarioschrijfster Claire is midden veertig en krijgt nog één keer de kans te laten zien wat ze kan. Ooit was ze jong en veelbelovend, en won ze een Oscar. In plaats van haar passie en talent te volgen, liet ze zich echter opsluiten met man en kinderen in villadorp B. Meedogenloos beschrijft Van Beijnum hoe dit bestaan Claire langzaam opbreekt. Toch is haar verhaal niet sociaal-realistisch tobberig. De schrijver heeft zijn heldin toegerust met een taai gevoel voor ironie.

Voor «een echte Van Beijnum» zoals de uitgever De vrouw die alles had tijdens de feestelijke presentatie betitelde, is dit boek desondanks overrompelend somber. Dichter op de Zeedijk (1995) en De oesters van Nam Kee (2000) zijn veel lichter van toon. Claire verwerkt de confrontatie met haar zoon in het filmscenario dat ze aan het schrijven is. In het boek zijn film- en romanwerkelijkheid op ingenieuze wijze met elkaar vervlochten. De verwijdering tussen ouder en kind wordt tegen de achtergrond van een benauwend kakkineus milieu buiten gewoon overtuigend onder woorden gebracht. Opmerkelijk voor een schrijver die tweeëneenhalf jaar geleden uit vrije wil het Amsterdamse verruilde voor het Bloemendaalse én nog volop in de kleine kinderen zit.

Van Beijnum: «Ik wist al heel lang dat ik over een moeder en een zoon wilde schrijven. Die relatie is in De oesters van Nam Kee ook al belangrijk, maar dan zie je alles door de ogen van de achttienjarige Berry Kooiman. Misschien werd daardoor bij mij het verlangen geprikkeld om nu in de gedachtewereld van de moeder te treden. Toen ik op televisie een documentaire zag die zich in het Gooise milieu afspeelde, met van die dames in sportauto’s, wist ik opeens: zo iemand is het. Zij leeft in die wereld, maar maakt er niet echt deel van uit. Ze leert zich dingen aan om er te kunnen overleven. Uiteindelijk werd het B. in plaats van het Gooi, omdat ik hier was gaan wonen. Het veldwerk was mijn eigen leven geworden. Ik keek met de verbaasde ogen van een kind naar mijn nieuwe omgeving. Tegelijkertijd was ik niet bezig om het plaatsje Bloemendaal exact te beschrijven. Het ging mij meer om een mentaliteit, waar je ook buiten kunt staan.»

Zoals jij zelf, afkomstig uit een Amsterdams arbeidersmilieu, hier ook een buitenstaander bent. Voel je je geen verrader ten aanzien van je huidige omgeving door een boek te schrijven waarin je die buitenstaandersrol exploiteert?

Kees van Beijnum: «Ik ben niet die vrouw. Ik vind het heerlijk om hier te wonen. Claire is hierheen gegaan op het moment dat ze iets ontvluchtte. Wij hadden gewoon het ideaal van het romantische buitenleven. We wilden onze kinderen een grote tuin bieden met een schommel. Weet je wat, zeiden we tegen elkaar, we gaan het proberen!»

Maar om nu te zeggen dat je B. met de ogen van een verwonderd kind bekijkt… Er schuilt toch enige klassehaat in beschrijvingen als: «(…) wat een luisterrijk, maar ook deprimerend plaatsje het kon zijn — een stille, in zichzelf gekeerde gemeenschap van eilandjes, afgebakend door hoge laat-ons-met-rust-heggen, de honden te doorvoed om serieus te waken, de bewoners te bemiddeld om met recht ergens over te zeuren.»

(lachend:) «Het is natuurlijk onvermijdelijk dat mensen nu gaan denken: goh, zo kijkt Kees dus tegen deze plek aan. Maar het is wel de blik van mijn hoofdpersonage. En die is anders dan de mijne. Zo nu en dan ziet ze ook hoe goed het hier is. Bij mij is het andersom. Dit is mijn eilandje, ons eilandje. Ik kom hier allemaal aardige mensen tegen. Je zag het zelf, er is een boom omgewaaid en de buurman komt kijken.»

Tijdens de boekpresentatie ten huize van de uitgeverij las Hanneke Groenteman een stuk voor uit De vrouw die alles had. Onmiddellijk erna werd de schrijver benaderd door een plaatsgenote die zich in het een en ander meende te herkennen.

Van Beijnum laconiek: «Een dergelijke reactie is bijna onvermijdelijk. Ik roep iets op wat min of meer hier bestaat, wat hier rondloopt. Mensen hebben snel de neiging te roepen: het gaat over mij. Er heeft niemand model gestaan voor die vrouw, of voor haar zoon. Als iemand zich echt meent te herkennen, is dat een enorm compliment.»

Het is net alsof je al een voorschot neemt op de afstand tussen ouders en kinderen. Thuis word je nog aangekeken door van die onvoorwaardelijk liefhebbende koppies.

«Je ideeën beginnen bij je grootste angsten. Iedere ouder staat weleens stil bij de mogelijkheid dat zijn kind heel anders is dan verwacht, of dat het kind iets doet waar je je niet mee kunt verenigen, of dat je voelt dat je elkaar aan het verliezen bent. In mijn boek deel ik een mokerslag uit om moeder en zoon uit elkaar te krijgen, en dan blijkt eigenlijk dat het niet eens dát is waardoor ze zo uit elkaar zijn gegroeid. Het zijn andere dingetjes die hun relatie hebben ontregeld. Daar komen ze steeds meer achter.»

Je hebt je boek opgedragen aan je vrouw en kinderen. Wat vond je vrouw ervan?

«Iedereen die het boek heeft gelezen, heeft een paar dagen nodig om het weg te kauwen. Dat had zij ook. Voor haar was het extra confronterend. Zij denkt: dat komt toch uit jouw hoofd. Natuurlijk, dat zit óók in mijn hoofd. Kennelijk kan ik personages tot leven wekken die langs grenzen gaan, zonder dat ik zelf op dat moment die grenzen verken. Ik verken ze echt als schrijver. Als ik vijftien jaar geleden zo’n boek zou hebben geschreven, zou het veel meer mijn eigen gemoedstoestand weerspiegelen. Nu was het voor mij een vakmatig proces. Natuurlijk vindt er een depersonificatie plaats als je een jaarlang zo’n vrouw bent. Maar ik ben niet gaan somberen. Sterker nog: zonniger heb ik me in mijn leven nog niet gevoeld. Het aardige van schrijven is dat je je als een verkenner kunt opstellen. Ik wilde schrijven over faalangst en verzoening, en binnen de omvang van zo’n boek ontdek je wat het uiteindelijk is. Het is een vorm van uit wandelen gaan in andermans ziel. Je moet van je personages houden, maar je moet ze ook naar de rand van de afgrond voeren. Daar zit toch het echte drama, de waarheid en de pijn. Intuïtief ben je als schrijver altijd daarnaar op zoek. Ik kom dan bij een bepaald soort personages uit, vaak mensen die tussen twee werelden in leven. Als dat niet iets in mezelf zou zijn, zou ik er niet over kunnen schrijven. Bijvoorbeeld die faalangst van Claire is iets wat mij ook wel bezighoudt. Vooral toen ik aan mijn eerste echte roman werkte (Hier zijn leeuwen, 1994) dacht ik: zou het niet veel eenvoudiger zijn om te stoppen? Is dit belangrijk genoeg om anderhalf jaar in onzekerheid te zitten of ik het wel kan, en om zo meteen een enorme dreun te incasseren omdat ik het niet blijk te kunnen? Toch ben ik altijd doorgegaan. Ik ben in staat om het mezelf lastiger te maken dan zij.»

In dit boek wordt het schrijverschap opgevoerd als een levenshouding, een manier om je staande te houden en ergens zin en samenhang aan te ontlenen.

Van Beijnum: «Ik kan me niet anders voorstellen dan dat ik naar de wereld kijk met de gedachte: hé, dat is een interessant idee. Of: dat vind ik mooi. Niet alleen omdat het aan mij verschijnt, maar ook omdat het literaire waarde lijkt te hebben. Het grote gevaar is natuurlijk dat er continu een radar aanstaat die tussen het eigen gevoel en het professionele gevoel in staat. Maar als ik zoals net met mijn gezin hier de deur uit ga om ze over die omgevallen boom te helpen, dan is het op dat moment ook alleen maar dát. Net zoals ik nu nerveus ben door die storm. Terwijl ik vanavond zal denken: dat was wat zeg, er vallen bomen om. Dan komt er weer iets anders op gang.»

Onwillekeurig kijken we weer de tuin in. Alsof de natuur wil laten zien wie uiteindelijk de baas is, klinkt er een droog knappend geluid en onmiddellijk daarna een enorm geraas. De eik valt rakelings langs het schrijfhuisje de tuin in. De gigantische wortels nemen de tegels van het tuinpad met zich mee en laten een gapende krater achter. Het is opeens domweg een feit: we zitten opgesloten in villadorp B.

Kees van Beijnum

De vrouw die alles had

Uitg. De Bezige Bij, 335 blz., € 18,50