Het stille succes van de Communitaristen

Opgesloten in het vrijstaatje dat ‘privacy’ heet

Communitaristen menen dat de waarde van de gemeenschap niet voldoende wordt erkend in al die liberale theorieën over rechtvaardigheid. Anders dan politiek filosofen als John Rawls en Robert Nozick zeggen zij: geen gemeenschap zonder gemeenschappelijkheid. Maar waarom laten ze zich niet meer horen?

Het gaat goed met het individualisme. In Amerika worden de doden steeds vaker begraven in de stralende afwezigheid van hun kinderen. Ook het aantal ‘echte vrienden’ die een Amerikaanse man de zijne noemt, daalt met het jaar, zo blijkt uit recent sociologisch onderzoek. Eén op de vier mannen verklaarde tegen de onderzoekers van Duke University zelfs niet één vriend te hebben bij wie hij kan aankomen met zijn problemen. Nederlanders, op hun beurt, besteden anno 2006 twintig procent minder tijd aan het brengen van een bezoekje aan een medemens dan in 1975. Zelfs de discotheek waarin iedereen, met een koptelefoon op het hoofd, danst op zijn eigen wijs, raakt langzaamaan in zwang. Toch hoor je zelden meer iemand trots en vol overtuiging zeggen: ik ben een individualist. In de afgelopen verkiezingscampagne bakkeleiden partijen er juist eindeloos over wie het sociaalste gezicht kon opzetten. Zelfs de vvd deed eraan mee. Bij monde van lijsttrekker Mark Rutte beweerde de partij keer op keer dat lagere belastingen en lagere uitkeringen zijn ingegeven door altruïsme. Uiteindelijk zijn die namelijk ook beter voor de allerarmsten.

Dat individualist geen geuzenterm meer is, zou wel eens kunnen komen door de communitaristen. Dat klinkt vergezocht. Zijn enkele politiek filosofen met een universitaire aanstelling, ver buiten het zicht van rtl of Hart van Nederland, werkelijk in staat een gangbaar woord zijn glans te ontnemen?

Jawel, dat kunnen ze. Juist hun onbekendheid bevestigt in zekere zin hun grote invloed. Een van hen, Amitai Etzioni, had nog maar net zijn ‘communitarian network’ opgericht, of de cda’ers Ernst Hirsch Ballin en later Jan Peter Balkenende spraken uitgebreid en nadrukkelijk over het belang van een maatschappelijk debat over normen en waarden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid volgde spoedig met een heus rapport. En tijdens het laatste grote lijsttrekkersdebat van 21 november vroeg zelfs de zelfverklaarde liberaal Femke Halsema nota bene aan de premier om aan zijn ‘normbesef’ te werken.

‘De communitaristen zijn eigenlijk door hun eigen succes enigszins verdwenen van het publieke toneel. De echo’s van hun ideeën zijn zo snel opgepikt en ingepast dat de meeste Nederlanders, heel begrijpelijk, nooit van het woord communitaristen hebben gehoord’, aldus Peter Olsthoorn, een politiek filosoof die door zijn interesse in de rol van eer en trots als docent op de Koninklijke Militaire Academie is beland.

Wie gelooft dat ideeën over mens en maatschappij, uitgedacht in universitaire kringen, via politici en opiniemakers uiteindelijk de samenleving kunnen veranderen, vindt in de communitaristische beweging een bevestiging daarvoor. Op het bureau van Etzioni staat een foto van zijn ontmoeting met de Nederlandse premier.

Een paar jaar voor die ontmoeting, nog tijdens het ministerschap van Hirsch Ballin in het laatste kabinet-Lubbers (1989-1993), maakte het simplistisch verbond van Van Kooten & De Bie grappen over de ‘wormen in Naarden’. Maar afgelopen week sprak een eindeloze rij genodigden er in de Nederlandse praatprogramma’s schande van dat voetballer Wesley Sneijder de scheidsrechter ‘blinde tyfushond’ had genoemd, waarvoor hij maar liefst twee weken schorsing kreeg. Overal gaat het nu over ‘de verhuftering van de samenleving’.

Amitai Etzioni zal trots op ons zijn. ‘Je kunt niet genoeg met elkaar praten over morele waarden’, zei hij twee jaar geleden in een interview met De Groene Amsterdammer. ‘Want hoewel je verantwoordelijkheden wel voelt, behoeven ze aanmoediging. Ze ontstaan immers in de gemeenschap, niet in de baarmoeder. Moraliseren is goed.’ Een kernachtige samenvatting van het communitarisme. Het streven naar zo’n samenleving is diep doorgedrongen, tot in internationale organisaties als de VN en de Wereldbank, die er zelfs een aparte afdeling voor heeft opgericht.

Andere bekende denkers die met het oprukkende communitarisme in verband worden gebracht, zijn Charles Taylor (van het prachtige boek Sources of The Self), Alasdair MacIntyre (die de Grieken erbij sleept), Michael Walzer (die zo’n hekel kreeg aan de abstracties in de huidige politieke filosofie dat hij zich verbond aan het weekblad The New Republic, een soort Amerikaanse versie van De Groene Amsterdammer) en Michael Sandel, een populaire Harvard-professor. Al willen ze niet allemaal aan het label communitarisme zoals Etzioni dat gebruikt, allen propageren een notie van burgerschap, of modieuzer gezegd van ‘civil society’. En allen delen een afkeer van theorieën over mens en samenleving die uitgaan van het individu. Sociale wetenschappen moeten zich, vooral volgens Taylor en Walzer, in hun theorievorming juist richten op de gemeenschap, niet op de eenling. Want de mens is een sociaal dier, het individualisme een misverstand en tegelijk een gevaarlijke self-fulfilling prophecy. Als je nu maar vaak genoeg hoort dat de mening van anderen je koud dient te laten en je slechts verantwoording aan jezelf schuldig bent (gewoon naar je eigen stem luisteren, en dat soort Oprah Winfrey-wijsheden) dan bowl je op een dag inderdaad alleen, zoals politicoloog Robert Putnam vaststelde, namelijk dat steeds meer Amerikanen hun vrije tijd op de bowlingbaan doorbrengen, terwijl er steeds minder lid zijn van een bowlingteam. Of vraag je op een dag de begrafenisondernemer om je ouders maar te begraven terwijl jij aan de andere kant van het land een zakendeal sluit.

Volgens de communitaristen zijn vooral economen en juristen schuldig aan de ‘atomisering’ van de samenleving. Economen vanwege hun methodologische individualisme. Ze gaan in hun theorieën uit van een individu dat zijn zelf begrepen eigenbelang najaagt, dat contracten afsluit, op papier of in het hoofd, conform allerlei egocentrische voorwaarden. Volgens communitaristen daarentegen zijn contracten het gevolg van ons samenleven, niet het begin ervan. Anders gezegd: niet het individu besluit in een gemeenschap te leven, via een sociaal contract, maar de gemeenschap vormt het individu. Gek genoeg vormt de gemeenschap, onder de kwalijke invloed van economen en liberale contractsdenkers als Rawls, dus ook de overtuiging dat een mens als individu slechts ‘contracten’ met medemensen aangaat. Waardoor hij zich daarnaar gaat gedragen. Hetgeen de gemeenschap weer schade berokkent.

De juridisering van de samenleving maakt het spookbeeld van de communitaristen compleet. Tijdens het ‘smurfendebat’ aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen zei d66-leider Alexander Pechtold, vrij dapper op dat moment, dat de normen en waarden waaraan immigranten zich dienen aan te passen allemaal netjes in de grondwet staan. Voor een politieke partij is dat wellicht een sympathiek uitgangspunt, maar een communitarist meent dat de grondwet de burger een te smalle moraal biedt. Er is in de grondwet vooral vastgelegd wat een mens de ander níet mag aandoen, niet wat hij hem wél zou moeten aandoen. Op de begrafenis van Theo van Gogh in november 2004 werd gememoreerd dat vader Van Gogh wel eens pittige gesprekken met Theo voerde. Theo riep dan uit: ‘Maar ik heb toch gewoon het recht om dat te zeggen?’ Waarop vader Van Gogh naar verluidt zei: ‘Ja, dat mag ook wel, maar moet je het ook zeggen?’ Zoon Van Gogh is hier de liberale individualist, vader de communitarist.

In een juridisch-liberaal wereldbeeld gaan mensen hun eigen levensweg, opgesloten in een klein vrijstaatje dat zij ‘privacy’ noemen. Met de ander hebben ze vooral contact als er in de interactie twee biljartballen op elkaar ketsen, waarna de rechter erbij wordt geroepen en ieder vervolgens weer zijn eigen, andere weg gaat. ‘De vrijheid van de een eindigt waar die van een ander begint’, dat is de gedachte. Dit is zo’n uitholling van het begrip vrijheid, meent vooral een communitarist als MacIntyre, dat het woord vrijheid er niet voor mag worden gebruikt.

Deze nogal antipolitieke houding maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, om communitaristen links dan wel rechts te noemen. Hun gemeenschapsdenken leidt tot een vrij conservatieve politiek op immaterieel gebied. Legalisering van de prostitutie zal niet tot de mogelijkheden behoren, legde Etzioni twee jaar geleden in zijn studeerkamer de Nederlandse lezer van dit weekbad nog eens uit. Maar het moraliseren dat Etzioni voorstaat zal tegelijk leiden tot een betere bescherming van het milieu en een socialere wetgeving dan de Amerikaanse politiek zich tot nog toe wenste te veroorloven.

In de praktische politiek voelen de gemeenschapsdenkers zich echter niet goed thuis. Politiek veronderstelt immers regels maken en dus dwang. Want één ding is voor de communitaristen duidelijk: samen leven is niet louter te regelen langs de lijnen van het recht. Ook iets als vertrouwen is onontbeerlijk. Halverwege de jaren negentig zag zelfs de hegeliaan Francis Fukuyama, schrijver van het essay Het einde van de geschiedenis, dat in. Het werd ook imf-economen hardhandig aan het verstand gebracht door de grootschalige corruptie, verrijking en zelfs het geweld en de anarchie die volgde op de radicale hervormingen van de postcommunistische Russische samenleving.

Regels alleen betekenen helemaal niets. Een voorbeeld dat Amerikaanse communitaristen graag geven is een wet die in de jaren zeventig door het Congres werd aangenomen. Die wet bepaalde dat het wereldwijd gebruikte metrieke systeem officieel het oude systeem van inches, ounces, pounds, enzovoort zou vervangen. De wet kwam er, maar het metrieke stelsel niet. Als niemand naar een nieuwe regel leeft, wordt het onmogelijk naleving af te dwingen. Met een opmerking als ‘dat moet je tijd gunnen’, kom je er niet. De wet staat, dertig jaar later, nog altijd in de boeken.