De plaag in historische context

Opgestoken kaarsjes zijn van alle tijden

Onze machteloosheid tegenover en angst voor het coronavirus zijn historisch gezien allesbehalve uniek. Wat juist uniek is, is het gevoel van zekerheid en veiligheid dat we tot nog toe hadden.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Dansende skeletten, een houtsnede van Michael Wolgemut uit het boek Kroniek van Neurenberg, circa 1493

Op 5 november 1596 legde in de haven van de Noord-Spaanse stad Santander een fluitschip aan met laken als vracht. Het schip was afkomstig uit Duinkerken waar op dat moment de pest heerste. Spoedig nadat de vracht gelost was, ontdekte men de gevolgen. Te laat. Binnen korte tijd werd zo goed als heel Santander ontvolkt: van de drieduizend inwoners stierven er minstens tweeduizend. Daarbij bleef het niet. In de maanden die volgden, tergend langzaam, sloop de ziekte door het Spaanse land, om een kleine twee jaar later, op het moment dat Filips II op zijn sterfbed lag, als bij toverslag uit te barsten. Zomer 1598.

De paniek was enorm. Bestuurders wisten zich geen raad. Steden sloten de poorten. Overal werden biljetten aangeplakt met waarschuwingen, dreigingen en raadgevingen. Her en der braken rellen uit. Mensen pakten hun biezen en zwierven rond. Toledo, om een willekeurige plaats in het midden van het land te nemen, legde een volledig cordon sanitaire rond de stad. Boten mochten niet meer door de Taag varen. Mensen die Toledo wilden binnengaan, hadden een pasje nodig. Buitenhuizen (cigarrales) in de omgeving werden verkend om te kijken of er zich geen besmette vluchtelingen ophielden. Verkooppunten (ventas) langs de doorgaande wegen werden voortdurend in de gaten gehouden. Koopwaar van buiten, vooral stoffen en kleding, werd slechts mondjesmaat toegelaten. Erger nog was dat iedereen die werd verdacht – bedelaars, bekeerde Moren, vreemdelingen – werd opgepakt en uitgezet.

De gemeente begon zich intensief met de voedselvoorziening te bemoeien: een gezonde maaltijd zou een goede preventie zijn. Intensief was ook de controle van de watervoorziening. Straten werden voortdurend geveegd. Buiten de muren werden hospitaaltjes ingericht voor degenen die besmet zouden zijn. En tot slot waren er vanzelfsprekend tal van bovennatuurlijke, religieuze en andere tovermaatregelen. Bij gebrek aan beter nam welhaast iedereen daartoe zijn toevlucht. Overal werd gebeden, werden kaarsjes opgestoken, kruiden neergelegd, geuren verspreid, werd gezongen en gesmeekt. De toch al betoverde wereld van destijds raakte door de epidemie in collectieve extase.

Ondertussen kakelden de geleerden dat het een lieve lust was. Hun gekakel werd deels gesmoord door de man die dankzij koninklijke steun doorging voor de deskundige bij uitstek, zeg maar de Jaap van Dissel van het Spanje van Filips II: Luis de Mercado, emeritus hoogleraar van de universiteit van Valladolid en, wat heet, protomedicus van het land, dat wil zeggen toezichthouder op de medische stand van zaken namens de centrale overheid. Te midden van de ellende publiceerde hij, om te beginnen in het Latijn, een geleerde verhandeling over de pest. Daarin had Mercado het uitvoerig over oorzaken (‘kwade luchten’), remedies (‘schoonmaken’) maar vooral over voorzorgen ter voorkoming van erger. Wat deze betreft was hij kort en duidelijk. Oro, fuego y castigo, oftewel goud (geld), vuur en straf. Zonder deze middelen liet de pest zich volgens Mercado niet bestrijden. Geld noch moeite mocht gespaard worden. Nooit mocht twijfel bestaan over de vraag hoe met geïnfecteerde spullen of besmette mensen om te gaan: vernietiging (vuur) en isolatie. En wie weigerde mee te werken, aldus Mercado’s derde raad, diende aangepakt te worden (straf).

Maar collectieve maatregelen waren niet genoeg. Eenieder moest het zijne bijdragen. Vandaar dat Mercado’s boek ook in de volkstaal verscheen, als El libro de la peste. Het was inmiddels 1599, Filips II was gestorven en opgevolgd door zijn zoon. Het maakte het gevoel van onheil slechts groter. Alsof de goden het speciaal op Spanje hadden voorzien. Hoe dan ook, het slimste wat een mens in het geval van de pest volgens Mercado kon doen, was vluchten: ver weg en dat voor langere tijd. Maar zelfs dan nog moest je opletten. Vandaar maatregel nummer twee: jezelf goed verzorgen. En tot slot kon het zo zijn dat je hulp of medicijnen nodig had. In dat geval luidde het: schroom niet.

Hielp het? Niet echt, althans niet snel en zeker niet overal. Dat is onder meer af te lezen uit het Libro de salud (‘Gezondheidsboek’) dat de bestuurders van Toledo bijhielden. Steeds meer dorpen en steden werden daarin bijgeschreven. In 1602, de pest waarde al bijna zes jaar rond (zes jaar!), stond nagenoeg heel het schiereiland erin: Portugal in het westen, Valencia in het oosten en Jaén, Córdoba en Granada in het zuiden, om van het noorden maar niet te spreken, dat was herstellende maar lag intussen wel op apegapen.

Het verdriet zit echter niet in dergelijke opsommingen. Het verdriet schuilt in het detail. Yunquera de Henares bijvoorbeeld, een dorp met zo’n elfhonderd inwoners ten noordoosten van Madrid. In tegenstelling tot in Toledo hadden de maatregelen er geen effect. Begin april 1599 sloeg het onheil toe. Op de tiende overleed het eerste slachtoffer, een zekere Pedro Lozano. Vanaf dat moment ging het snel en in de maanden die volgden stierf een groot deel van de dorpelingen. Al lopen de cijfers uiteen, vast staat dat van Yunquera uiteindelijk weinig overbleef. De namen van de overleden dorpsgenoten staan met datum van overlijden in het Libro de difuntos, het overlijdensregister van de plaatselijke kerk. Naam na naam na naam, dag na dag na dag: 6 mensen op 2 juli (1599), 7 op 3 juli, 4 op 4 juli enzovoort. Ondertussen probeerden degenen die nog in leven waren maatregelen te nemen. Niets hielp. Het dorp liep leeg, ‘se acabase el lugar y gente de él’, zoals in een contemporain document staat: zo kwamen dorp en bevolking aan hun einde. Dit einde werd nog eens bekrachtigd doordat de achtergebleven overlevenden van mening waren dat alles wat besmet was geweest, ook huizen, verwoest diende te worden. Yunquera oogde spoedig als een maanlandschap.

Zo was de alledaagse werkelijkheid in voorgaande eeuwen. Niet altijd en overal, maar wel steeds opnieuw en op ontelbare plekken, eigenlijk tot het moment dat wij, vanaf het eind van de negentiende eeuw, in staat bleken bacillen, virussen en andere onzichtbare vijanden te stoppen. Althans dat dachten we. Want dat is bijna zeker toch de grootste schok van de huidige gebeurtenissen. Niet de besmettingen, niet de doden, evenmin de alomtegenwoordigheid of de stilstand van alles en iedereen, nee, de machteloosheid: dat er geen vaccin is, geen remedie, althans nog niet.

In dat verband is het bijna bizar de gebeurtenissen van elf jaar geleden in herinnering te roepen toen Ab Klink, op dat moment minister van Volksgezondheid, 34 miljoen vaccins tegen de Mexicaanse griep bestelde. Slechts een deel daarvan werd gebruikt, het overgrote deel werd vernietigd, kosten 144 miljoen euro, en Klink werd weggehoond. ‘Weggegooid geld’, bitste een pvda-Kamerlid. ‘De minister heeft bij de aanschaf uit angst gehandeld. Dat is kortzichtig en dom, zeker in deze tijd van besparingen. Ik wil weten hoe het zover heeft kunnen komen.’ Hoe graag zouden we niet willen dat een dergelijke goedkope domheid op dit moment herhaald kon worden?

Overal werd gezongen en gesmeekt. Door de epidemie raakte men destijds in collectieve extase

Onze machteloosheid tegenover het coronavirus voelt uniek, maar is het niet. Integendeel, historisch gezien is juist ons gevoel van beheersing, zekerheid en veiligheid uniek. Vandaar bijvoorbeeld dat de recent op Netflix geplaatste serie Pandemic begint met de opmerking dat de vraag niet is of er een nieuwe pandemie komt, maar wanneer. Daarom ook liet de Amerikaanse overheid nog geen half jaar geleden een simulatie maken van de gevolgen van een nieuw en onbekend soort griep die vanuit China naar de VS overwaait. Crimson Contagion luidt de onheilspellende naam van de simulatie. De uitkomst doet in eerste instantie de haren te berge rijzen: 110 miljoen geïnfecteerden, ongeveer eenderde van de bevolking, 7,7 miljoen ziekenhuisopnamen (2,3 procent) en 586.000 doden (0,18 procent). Ach, het is slechts een simulatie, zullen de optimisten (Trump?) gedacht hebben, bovendien zijn de getallen wel enorm, maar de percentages gering.

Wat de specialisten altijd geweten hebben en wij liever vergaten, was voor onze voorouders een constante. Telkens gebeurde wat iedereen vreesde, wat vaak erger was dan oorlog of revolutie, wat binnen korte tijd alles op z’n kop zette en duizenden, soms miljoenen mensen wegrukte, wat rijken straatarm maakte, machtigen deed vallen en diep ingreep in denkbeelden, moraal, politiek, sociale verhoudingen, migratiestromen, economie en meer. Een van de belangrijkste noties van dit moment is dan ook niet of dergelijke veranderingen door de huidige pandemie opnieuw zullen plaatsvinden. Dat lijdt geen twijfel. Nee, de vraag is op welk gebied dat zal gebeuren en hoe ver die veranderingen zullen gaan.

Bij het antwoord op dergelijke vragen konden onze voorouders aanvankelijk weinig meer dan het hoofd schudden. Hoe was ‘zoiets’ in hemelsnaam mogelijk geweest? Zo snel. Zo ingrijpend. De Florentijnse schrijver Giovanni Boccaccio, die in de veertiende eeuw en tijdens de grootste pestepidemie aller tijden een van de mooiste boeken uit de Italiaanse literatuur schreef, kon er inderdaad niet over uit en besloot daarom van de nood een deugd te maken: tegen de achtergrond van een verwoeste wereld bedacht hij een reeks verhalen die juist daardoor des te mooier waren, de Decamerone.

Boccaccio verloor in 1348 niet alleen zijn vader en (stief)moeder, hij verloor ook tal van vrienden, terwijl hij zowel zijn omgeving als zijn denkwereld volledig ineen zag storten. ‘In zulk een rouw en ellende was onze stad dat alle wetten, zowel die van God als die van de mensen, als het ware ophielden te bestaan’, schrijft hij in het eerste hoofdstuk. Iedereen deed wat hij wilde. Niemand trok zich nog iets van de ander aan. Sommigen besloten te vasten terwijl anderen zich juist klem zopen en volvraten. Heel het sociaal systeem stokte. Zelfs bloedverwanten bezochten elkaar niet meer. ‘De ene broer verliet de andere, dikwijls de vrouw haar echtgenoot en wat haast ongelooflijk is: vaders en moeders meden hun kinderen of deden alsof ze niet van hen waren.’

Mededelingen als deze zijn er, zeker uit de tijd van de plaag aller plagen, de veertiende-eeuwse Zwarte Dood, in overvloed. Horrorverhalen zijn er nog meer, ontelbare, ook uit eerdere en latere tijden. Om er een te noemen van bijna duizend jaar eerder, uit de koker van de Byzantijnse historicus Johannes van Ephesus, zesde eeuw na Christus. Dramatisch vertelt hij over de pest van zijn tijd, genoemd naar de keizer van dat moment, Justinianus. De man die door hem aangesteld was om de doden te bergen, een zekere Theodorus, liet gaten graven waarin zeventigduizend lijken pasten. Nog was er onvoldoende ruimte. Vandaar dat men in de kieren tussen de stapels kinderen propte, ‘en aanstampte, als overjarige druiven’. Het is waarschijnlijk sterk overdreven, zowel het getal als het verhaal, maar toch: in de oneindige lijst van griezelverhalen over plagen uit het verleden vormen dergelijke weerzinwekkendheden geen uitzondering. Juist niet, veelal lijkt het alsof de vertellers erin zwelgen.

—————

Ondertussen zit de nuchtere toeschouwer, evenmin vrij van ‘o jee’-gevoelens, met een groot aantal vragen. Wat hebben we aan kennis over plagen uit het verleden? Maken ze de omgang met ons virus eenvoudiger of zijn zij slechts olie op het vuur? Meteen daarop komt een volgende vraag: hebben we het wel over hetzelfde? In de veertiende eeuw werd Europa getroffen door de (builen)pest, in de zesde eeuw waarde eenzelfde ziekte rond. Maar in de oneindige lijst van historische endemieën (permanent), epidemieën (beperkt gebied) of pandemieën (wereldwijd) komen ook heel andere plagen voor: cholera, griep (Spaans, Mexicaans, Aziatisch, vogel-, varkens-), lepra, malaria, mazelen, pokken, syfilis, tyfus, gele koorts, aids, ebola en sars (corona) – het lijstje is niet uitputtend. In chronologische overzichten als de ‘Timeline of Epidemics’ op Wikipedia vallen deze ziektes gemakshalve allemaal onder dezelfde noemer, maar inhoud, oorzaken, ziektebeeld en remedie zijn veelal verschillend. De overeenkomst zit hooguit in de gevolgen en zelfs dat nog slechts gedeeltelijk. Want nogmaals: sinds het einde van de negentiende eeuw heeft zich op medisch gebied zo’n ongekende revolutie voltrokken dat de meeste plagen, zeker in het Westen, tot het verleden behoren en de andere goed bestreden kunnen worden. Corona vooralsnog uitgezonderd dus.

Het enorme aantal doden dat epidemieën in het verleden tot gevolg hadden, verklaart dat daarmee nogal wat ingrijpende historische veranderingen in verband worden gebracht. In een enkel geval leidde dat tot uitspraken die, als het woord niet ongepast zou zijn, geen andere kwalificatie dan amusant verdienen. Absurd dan maar. Zo citeert de Engelse geneeskundehistorica Fay Marie Getz in een schitterend artikel over de historiografie van de Zwarte Dood (Journal of the History of Biology, 1991) een stuk uit het Amerikaanse boulevardblad National Enquirer waarin wordt gesteld dat de laatmiddeleeuwse pest ook zijn goede kant had, ‘a silver lining’. ‘The horrifying Black Death wiped out more than 55 million people in Europe during the Middle Ages’, staat er, ‘but the catastrophe changed the world forever by giving birth to the Renaissance.’

Hoe dwaas de formulering ook is, de gedachte behoort sinds lang tot het standaardrepertoire van de geschiedschrijving, althans een enigszins verouderde stroming daarbinnen. Niettemin laat die stroming her en der nog sporen na. Zo schreef de Oostenrijkse filosoof en historicus Egon Friedell in zijn ooit veel gelezen Kulturgeschichte der Neuzeit dat het jaar van de Zwarte Dood (1348) ‘das Konzeptionsjahr des Menschen der Neuzeit’ was. Met andere woorden: de moderne geschiedenis begon met massasterfte. Ziektes, zo vervolgt Friedell in een paginalange beschouwing met biologische interpretaties van het geschiedverloop, maken tabula rasa, en hoe vreselijk dat voor oudere generaties ook mag zijn, voor nieuwe generaties opent het perspectieven.

Een dergelijke theorie werd en wordt niet alleen op de veertiende eeuw toegepast. Hetzelfde is heel wat keren gezegd naar aanleiding van de Justiniaanse Pest. Hiermee zou het einde van de Oudheid en het begin van de Middeleeuwen ingeluid zijn. Maar net als in het geval van de Zwarte Dood gaat het ook hierbij hoogstens om theorie. Dat ligt anders met een derde moment waarin epidemie en historische verandering aan elkaar gekoppeld zijn: de dood van de zo goed als volledige autochtone bevolking van Amerika ten gevolge van de komst van de Europeanen dan wel de weerloosheid van indianen tegenover ziektes die hun tot dan toe onbekend waren. Tegenwoordig wordt hieraan niet langer getwijfeld. William H. McNeill opent er zijn baanbrekende studie Plagues and People uit 1976 mee en Jared Diamond maakte het twintig jaar later tot een van de pijlers van zijn bestseller Guns, Germs, and Steel.

Voor nieuwe generaties, schrijft filosoof Egon Friedell, kunnen ziektes perspectieven openen

Hoe staat het wat dit betreft met recentere epidemieën? Worden die eveneens gerelateerd aan ‘ingrijpende historische veranderingen’? Het antwoord is ja en nee. Nee, omdat moderne historici niet meer denken in grote noemers als Middeleeuwen, Oudheid en dergelijke, en evenmin in teleologische ontwikkelingen, dat wil zeggen vanuit een tijdsklok die onvermijdelijk in een bepaalde richting tikt. Liever richten zij zich op kleinere eenheden, met als gevolg dat zij vooral een wirwar zien en tijdperken die over en door elkaar schuiven als waterkringen in een vijver.

Tegelijkertijd is het, binnen die wirwar en op kleinere schaal, onmiskenbaar dat epidemieën sterk kunnen ingrijpen in gemeenschappen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit wat bekend staat als de cholera-opstanden, verzamelnaam voor een grote hoeveelheid rellen in de negentiende eeuw, met name rond 1830 tijdens de tweede cholerapandemie. Opmerkelijk hierbij is dat ‘het volk’ zich anders dan in bijvoorbeeld de late Middeleeuwen, maar net als tijdens de recente ebola-uitbraak in Congo, niet tegen een minderheidsgroep (joden bijvoorbeeld) maar tegen machthebbers of deskundigen (artsen) keerde. Aldus raakte massale ziekte vervlochten met sociale strijd die op zijn beurt in sommige gevallen leidde tot een zekere emancipatie of op z’n minst een groeiend verlangen daarnaar.

Hiermee ligt de conclusie voor de hand dat maatschappelijke veranderingen naar aanleiding van massale ziekte in lijn zijn met bestaande tendensen dan wel die tendensen versterken. Dat is vooral interessant omdat het wellicht iets zegt over toekomstige ontwikkelingen. Om slechts één aspect te noemen: het mag niet verbazen als het coronavirus een sterke duw in de rug betekent voor degenen die grenzen willen sluiten, naties willen verenigen en migranten willen weren. Conservatieven en reactionairen, kortom, zal het virus vermoedelijk geen windeieren leggen. Overigens zou het ook goed kunnen dat Europa van deze crisis de vruchten plukt, omdat hierdoor de mening postvat dat één collectieve maatregel over een groot gebied veel effectiever is dan een reeks nationale maatregelen die uiteindelijk, noodgedwongen, allemaal op hetzelfde neerkomen. Het is niet gezegd dat dit voor migranten beter uitpakt.

—————

Maar terwijl collectieve uitingen per periode verschillen, lijken individuele reacties in alle tijden ‘des mensen’, om het zo maar te zeggen. Zo is het bizar om te werken aan een artikel als dit terwijl je het nieuws volgt. Op een gegeven moment lopen alle tijden en gebeurtenissen door elkaar, omdat de gelijkenissen op kleinmenselijk gebied, ondanks de verschillen qua context, verbazingwekkend groot zijn. Precies dit is ook een van de verklaringen dat het dagboek van een populaire schrijver uit de Engelse literatuur, Daniel Defoe (van Robinson Crusoe), over de Londense pest van 1665, veelal doorgaat voor een van de meest authentieke epidemieverslagen aller tijden, terwijl het bijna zestig jaar na dato geschreven werd en voor een groot deel gebaseerd is op een bron van twintig jaar vóór de gebeurtenissen. Fictie dus. Tegelijkertijd doet A Journal of the Plague Year (1722) zo levensecht aan dat beschrijvingen van het fenomeen eeuwenlang daarnaar verwezen, tot La peste van Camus deze rol van meest tot de verbeelding sprekende aller epidemiebeschrijvingen overnam.

Dankzij de digitalisering is gauw te zien dat het woord ‘angst’ in Defoe’s dagboek tientallen keren voorkomt. Zo vraagt de ik-persoon zich aan het begin van zijn verhaal af wat de beste strategie is. Vanzelfsprekend wil hij zijn zaakjes voortzetten. Maar daartoe moet hij wel in leven blijven en dat is ‘in so dismal a Calamity’ geen eenvoudige zaak. Vooral niet omdat de enormiteit van de ramp nog eens vergroot wordt door een zo mogelijk nog grotere bedreiging: angst. Defoe geeft daarvan levendige beschrijvingen. Zo vertelt hij over mensen die zo bang waren dat ze zichzelf opsloten – en vervolgens dood gevonden werden. Anderen handelden net als in de tijd van Boccaccio en zoals onlangs in Madrid en elders: in de hoop de ellende te ontlopen ontvluchtten zij de stad. ‘In August indeed, they fled in such a manner’, schrijft Defoe, ‘that I began to think there would be really none but Magistrates and Servants left in the City.’

Onder de blijvers waren sommigen spoedig zo ver heen dat ze de angst voorbij raakten. Zoals in het verhaal van een loopjongen die eropuit gestuurd wordt om een schuld te innen. Een man in onderbroek doet open. Hij draagt slippers en een slaapmuts, ‘and as the young Man said, Death in his face’. ‘Val je me hiervoor lastig?’ spot hij. Weet je wat je moet doen? Loop ff richting kerk en vraag of ze de klokken willen luiden. Daarop gooide hij de deur dicht ‘and went up again and Dy’d, the same Day; nay, perhaps the same Hour’.

Hamsteren, ook zo’n neiging van alle tijden, was in voorgaande eeuwen heel wat lastiger dan tegenwoordig. De meeste levensmiddelen waren niet te bewaren. Conserven bestonden niet, ijs- en diepvrieskasten waren er evenmin. Bovendien had de overgrote meerderheid van de bevolking geen enkele financiële reserve en leefde bij de dag. Alleen de weinige rijken waren eventueel in staat een voorraadje op te bouwen. En dat deden ze. In elk verslag van de pest en andere plagen wordt het fenomeen wel een keertje genoemd, al gaat het nooit over wc-papier.

Plagen gaven het volk ook de gelegenheid wraak te nemen op de rijken en machtigen en zich daarbij te verkneukelen. Dat kwam niet zozeer doordat die plagen vaak bestaande verhoudingen op z’n kop zetten, maar doordat ziekte en dood allen gelijk maken. Het is een sociaal lesje dat in verhalen steeds terugkeert en vooral ten gevolge van de Zwarte Dood enorm populair werd: de Dodendans. De dood ontdoet de een na de ander van zijn uiterlijke kenmerken en daarmee van zijn maatschappelijke positie, net zo lang tot iedereen hetzelfde is: botjes.

Hoewel dit thema van alle tijden is, ook van de onze, raakt het aan een aspect dat uit onze tijd, althans in de westerse samenleving, zo goed als verdwenen lijkt – maar ook wat dat betreft ben ik benieuwd naar de nabije toekomst. Je zou dit aspect religieus kunnen noemen, maar sterker is het om van existentieel te spreken: het besef dat de mens het leven uiteindelijk niet of hoogstens deels in de hand heeft. Veiligheid, zekerheid, maakbaarheid en beheersbaarheid zijn pijlers van de moderne samenleving en de huidige mentaliteit. Zoiets als een tragisch levensgevoel ontbreekt bijna volledig, behalve op het moment dat een te jonge vriend of vriendin ten grave wordt gedragen, maar het daarbij passende gevoel van broosheid duurt veelal slechts kort.

In traditionele culturen en in zo goed als alle andere tijden daarentegen was een dergelijk gevoel standaard. De tragiek kwam zo vaak, zo snel en zo onherroepelijk dat men erop ingesteld was. Vandaar ook, bijvoorbeeld, de relatieve gelatenheid om een isolatie, lockdown of cordon sanitaire te ondergaan. Traditioneel duurde zo’n situatie een dag of veertig, wat de letterlijke betekenis is van quarantaine. Een andere mogelijkheid bestond niet. Het was zoals het was en zoals het was, zou het altijd zijn. In het Spanje van de zeventiende eeuw droeg zo’n gevoel bij aan een besef van desengaño, letterlijk teleurstelling maar ook inzicht, loutering of wijsheid, omdat je weet dat het leven is zoals het is.

In dezelfde richting gaan de laatste gedachten van de hoofdpersoon van Camus’ La peste, dokter Bernard Rieux. Terwijl de mensen feest vieren omdat de ellende voorbij is, weet hij beter. De bacil ‘ne meurt ni ne disparaît jamais’ – de bacil sterft niet en verdwijnt nooit – maar verschuilt zich gedurende tientallen jaren tussen meubels en linnen, in kamers, gaten en paperassen om op een dag, opeens, tot leven te komen en opnieuw in te grijpen in een stad die, nietsvermoedend, zijn geluk viert. Het is geen vrolijke maar vermoedelijk wel een verstandige gedachte, vol besef van, inderdaad, tragiek, verdriet en menselijk tekort.