Opgetogenheid

Wel zo rustig. De Boekenweek is voorbij, alles is voorbij, we kunnen weer doorlezen zonder te worden lastiggevallen door geïnstitutionaliseerde rebellen en goedgekeurde dwarsdenkers. Wat me vooral is bijgebleven: hoe Maxim Februari in zijn eentje het zaalprogramma van het Boekenbal redde met een rede waarin hij vriendelijk maar vilein het boekenweekthema ten grave droeg door het als ‘tuttig’ te kwalificeren.

Dat woord bleef daarna nog lang door mijn hoofd spoken.

Bijvoorbeeld toen ik in dit blad de lijstjes zag van de 81 deskundigen die de 21 beste romans van deze eeuw kozen. Bij de deskundigen zaten ook een paar redacteuren van uitgeverijen, die in hun lijstjes prompt een prominente plaats inruimden voor romans die ze zelf hadden uitgegeven.

Je zou nog bijna Özcan Akyol gelijk geven dat de literaire wereld corrupt is, maar dit is daar dan toch geen goed voorbeeld van, dit is iets anders, dit is, inderdaad, tuttigheid.

De redacteuren in kwestie zullen ongetwijfeld aanvoeren dat ze nu eenmaal belangrijke boeken uitgeven, wat denk je, alleen máár, en dat is natuurlijk ook zo, net als die andere uitgeverijen dat doen, wat je zegt, wat een weelde, het niveau is nog nooit zo hoog geweest, het is werkelijk fantastisch, eigenlijk is het elke dag Bal, falderalderal – maar we zouden ook een keer kunnen proberen over onze eigen schaduw heen te springen om het panorama te aanschouwen dat zich aan gene zijde van ons eigen silhouet ontvouwt.

Ik heb niets tegen deskundigen, zelfs niet als ze met z’n eenentachtigen komen vertellen wat de beste roman van deze toch nog vrij jonge eeuw is, als mijn koffiepot groot genoeg was zou ik ze zó met z’n allen bij mij thuis uitnodigen om het er eens over te hebben – maar waar zijn eigenlijk de lezers als dergelijke lijstjes worden samengesteld?

Het woord tuttig bleef nog lang door mijn hoofd spoken

Die vragen we niet, die vertrouwen we niet. Waar houden ze zich op? Ze zitten op hebban.nl en bespreken onderling zowel Lucinda Riley als Stephan Enter en Michel Houellebecq. Hun aantal schijnt af te nemen, en dat moet heel erg zijn, want lezen is goed voor ons, we leren ervan, het maakt ons betere mensen.

Ik geloof daar niet zo in; wat eigenlijk betekent dat ik gewoon wil doorlezen zonder er beter, empathischer of socialer van te worden. Dat laatste kan ook helemaal niet, anders zouden er talloze bejaarde lezers zijn die als heiligen door het leven schrijden. Ik ken ze niet. Maar nu iedereen zich vanwege de quarantaine voorneemt eindelijk eens de stapel achterstallige meesterwerken aan te vallen – wie weet.

Natuurlijk is lezen van levensbelang. Maar dan toch vooral om mededelingen van de overheid of de belastingdienst te kunnen ontcijferen, en niet te vergeten de bijsluiters van medicijnen – daar kun je pas écht een beter mens van worden.

Eigenlijk moet ik me er niet mee bemoeien. Lezen – dat is tussen mij en mijn boekenkast. Het is geen gesloten systeem: er verdwijnen dingen uit mijn boekenkast en er komen dingen bij. Voor mij geldt eigenlijk hetzelfde. Over ranglijsten en de definitie van literatuur, daarover maken we ons niet zo druk, mijn boekenkast en ik.

Ik heb een roman gelezen. Ik vond haar goed. Wat heb ik over mezelf geleerd? Ik heb over mezelf geleerd dat ik dit een goede roman vind. Ik heb geleerd dat deze roman past bij andere romans die ik goed vind. Dat veroorzaakt een gevoel van opgetogenheid. Ze kan bij de verzameling Romans Die Ik Goed Vind. Het is een bonte verzameling, maar voor mij hebben ze één ding gemeen: schrijvers van die romans beschouw ik als bondgenoten. De roman die ik goed vond is van twee jaar geleden, dat betekent dat niet alle bondgenoten dood zijn. Extra opgetogenheid.

Wat die romans me vooral bijbrengen: zo kun je dus ook schrijven. Zo kan ik misschien ook schrijven. Ik leer schrijven van zo’n roman, en dat ik niet alleen ben.

Hoe niet-schrijvers lezen, daarvan heb ik eigenlijk geen idee.