Essay Chinese moeders drillen hun kind

Opgeven is geen optie

Westerse ouders halen het niet in hun hoofd hun kind te bestraffen als het maar een acht haalt voor een proefwerk of niet goed genoeg piano speelt. Chinese ouders hebben andere ideeën over wat het beste is voor hun kroost.

VEEL MENSEN VRAGEN ZICH AF hoe het komt dat Chinese ouders over het algemeen zulke succesvolle kinderen voortbrengen. Ze vragen zich af hoe die ouders het voor elkaar krijgen zo veel wiskundige en muzikale wonderkinderen af te leveren, hoe het er in zo'n gezin aan toegaat, en of zij dat ook zouden kunnen. Dat kan ik ze vertellen, want ik heb het gedaan. Mijn dochters, Sophia en Louisa, mochten nooit:

  • naar een slaapfeestje
  • buiten schooltijd met andere kinderen spelen
  • meedoen aan een toneelstuk op school
  • daarover klagen
  • tv-kijken of computerspelletjes doen
  • zelf hun buitenschoolse activiteiten kiezen
  • lager dan een tien halen
  • niet de beste van de klas zijn in alle vakken, behalve gym en toneel
  • een ander instrument bespelen dan piano of viool
  • geen piano of viool spelen. Ik hanteer de term ‘Chinese moeder’ losjes. Zo ken ik ook Koreaanse, Indiase, Jamaicaanse, Ierse en Ghanese ouders die aan de kwalificaties voldoen. Daar staat tegenover dat ik ook een paar moeders van Chinese afkomst ken, meestal geboren in het Westen, die geen Chinese moeders zijn, uit vrije keuze of om wat voor reden dan ook. Ook de term 'westerse ouders’ gebruik ik losjes. Westerse ouders heb je in alle soorten en maten. Maar om welke ouders het ook gaat, in het algemeen zijn westerse ouders, zelfs al denken ze streng te zijn, bij lange na niet zo streng als Chinese moeders. Zo vinden mijn westerse vrienden zichzelf bijvoorbeeld al streng als ze hun kinderen dwingen een half uur per dag op hun instrument te oefenen. Meer dan een uur is niet aan de orde. Voor een Chinese moeder is het eerste uur het makkelijkste deel. Het tweede en derde uur tellen pas werkelijk mee als je iets wilt bereiken. Ondanks onze teergevoeligheid als het om culturele generalisaties gaat, zijn er talloze studies gedaan waaruit blijkt dat er aanwijsbare en meetbare verschillen in opvoedmethoden bestaan tussen Chinezen en westerlingen. In een studie waaraan vijftig Amerikaanse moeders en 48 Chinese immigrantenmoeders meewerkten, zei bijna zeventig procent van de westerse moeders dat het 'niet goed voor kinderen is als je veel nadruk op schoolprestaties legt’ en dat 'ouders het idee moeten cultiveren dat leren leuk is’. Van de Chinese moeders daarentegen deelde ruwweg nul procent die mening. Integendeel, de meeste Chinese moeders waren ervan overtuigd dat hun kinderen 'de beste’ leerlingen op school konden worden, dat 'goede schoolresultaten het resultaat van een goede opvoeding zijn’ en dat het 'een probleem’ is als kinderen op school niet uitblinken, dat zoiets erop wijst dat 'ouders hun werk slecht doen’. Uit andere studies blijkt dat Chinese ouders vergeleken bij westerse ouders dagelijks ongeveer tien keer zo veel tijd besteden aan het oefenen met hun kinderen zodat ze in alle vakken uitblinken. Westerse kinderen daarentegen doen vaker aan teamsport. Dat brengt me op mijn laatste punt. Sommige mensen denken misschien dat een Amerikaanse sportouder net zoiets is als een Chinese moeder. Maar dat is een misvatting. In tegenstelling tot de typisch volgeplande voetbalmoeder is de Chinese moeder ervan overtuigd dat 1) schoolwerk altijd voorgaat; 2) ieder cijfer onder de tien een afgang is; 3) je kinderen met wiskunde twee jaar voor moeten lopen op hun klasgenoten; 4) het uit den boze is je kinderen in het openbaar een complimentje te geven; 5) als je kind overhoop ligt met een leraar of begeleider je altijd de kant van die leraar of begeleider moet kiezen; 6) kinderen alleen mogen meedoen aan activiteiten waarmee je een medaille kunt winnen, en 7) dat die medaille per definitie een gouden moet zijn.

CHINESE OUDERS BEGRIJPEN dat iets pas leuk wordt als je er goed in bent. Om ergens goed in te worden, moet je werken - en kinderen willen uit zichzelf nooit werken, dus het is van cruciaal belang dat je ze dwingt iets anders te doen dan de dingen die ze zelf leuk vinden. Daarom is een kordaat optreden van de ouders noodzakelijk, want het kind zal zich verzetten. Het begin is altijd het moeilijkst, en daarom geven de meeste westerse ouders het dan al op. Maar als Chinese ouders het goed aanpakken, brengt hun strategie een krachtige cirkelbeweging op gang. Volhardend studeren, studeren en nog eens studeren is een voorwaarde als je wilt uitblinken; het belang van voortdurende herhaling wordt in Amerika onderschat.
Als een kind eenmaal ergens in uitblinkt - of het nu pianospelen, wiskunde, honkbal of ballet is - volgen de lof, de bewondering en de voldoening vanzelf. Dat geeft zelfvertrouwen en zorgt ervoor dat de aanvankelijk niet zo leuke bezigheid leuk wordt. Zo wordt het vervolgens voor de ouders weer makkelijker om het kind nog harder te laten werken.
Chinese ouders kunnen zich tegenover hun kinderen meer permitteren dan westerse ouders. Als ik als kind erg respectloos tegen mijn moeder was, zei mijn vader wel eens 'stuk vuil’ tegen me in het Hokkien, het dialect van de streek waar onze familie vandaan komt. Dat werkte heel goed. Ik kon wel door de grond zakken en schaamde me diep voor wat ik gedaan had. Maar het was niet slecht voor mijn zelfrespect of zo. Ik wist heel goed hoe hoog hij mij achtte en geloofde nooit dat ik ineens een waardeloos stuk vuil was geworden.
Als volwassene heb ik hetzelfde een keer bij Sophia gedaan. Ik zei in het Engels 'stuk vuil’ tegen haar toen ze zich extreem onbehoorlijk tegen me had gedragen. Toen ik dat tijdens een etentje vertelde, was het huis te klein. Een van de gasten, ene Marcy, raakte zelfs zo overstuur dat ze in tranen uitbarstte en eerder weg moest. Mijn vriendin Susan, de gastvrouw, probeerde me nog bij de andere gasten te rehabiliteren.
'Ai - een misverstandje. Amy bedoelde het figuurlijk - toch, Amy? Je hebt toch niet letterlijk “stuk vuil” tegen Sophia gezegd?’
'Eh, jawel. Maar dat moet je in zijn context zien’, zei ik in een poging het uit te leggen. 'Het is iets van Chinese immigranten.’
Inderdaad doen Chinese ouders tegenover hun kinderen dingen die in de ogen van westerse ouders onvoorstelbaar of zelfs misdadig zijn. Chinese moeders zeggen rustig tegen hun dochter: 'Zeg, dikzak, jij moet eens wat afvallen.’ Westerse ouders daarentegen draaien om de hete brij heen door in termen van 'gezondheid’ te praten en het woord 'dik’ nooit in de mond te nemen, maar toch moeten hun kinderen vaak in therapie voor hun eetstoornissen en negatieve zelfbeeld.
(Ik hoorde eens een westerse vader een toost uitbrengen op zijn volwassen dochter, die hij 'een ongelooflijk competente schoonheid’ noemde. Later zei die dochter tegen mij dat ze zich op dat moment een stuk vuil voelde.)
Chinese ouders kunnen van hun kinderen eisen dat ze op school tienen halen, terwijl westerse ouders hun kinderen alleen maar durven te vragen of ze hun best willen doen. Chinese ouders zeggen: 'Je bent lui. Al je klasgenoten streven je voorbij.’ Veel westerse ouders daarentegen worstelen met hun eigen tegenstrijdige gevoelens over alles wat ze in hun leven hebben bereikt en willen zichzelf ervan overtuigen dat ze niet in hun kinderen teleurgesteld zijn. Ik heb me lang afgevraagd hoe het komt dat Chinese ouders zich hun gedrag kunnen veroorloven.

IK DENK DAT ER DRIE GROTE VERSCHILLEN ZIJN tussen de Chinese en de westerse opvattingen over ouderschap.
Ten eerste heb ik opgemerkt dat westerse ouders extreem bezorgd zijn over het zelfvertrouwen van hun kinderen. Ze vragen zich af hoe hun kinderen mislukkingen ervaren en proberen ze voortdurend gerust te stellen door erop te hameren hoe goed ze wel niet zijn, zelfs al hebben ze middelmatig gepresteerd op een examen of een recital. Met andere woorden, westerse ouders zijn bezorgd over de psyche van hun kinderen. Chinese ouders niet. Zij gaan uit van kracht, niet van kwetsbaarheid, en daarom stellen ze zich heel anders op.
Een westerse ouder zal een kind dat thuiskomt met een negen voor een proefwerk waarschijnlijk prijzen. Een Chinese moeder hapt vol afgrijzen naar adem en vraagt wat er misging. Als een kind thuiskomt met een zesje geven veel westerse ouders het kind nog altijd een compliment. Andere westerse ouders praten even met hun kind en laten hun teleurstelling blijken, maar doen wel hun best om te voorkomen dat het kind zich onbekwaam of onzeker gaat voelen. Ze zullen nooit 'stom’, 'waardeloos’ of 'een schande’ tegen hun kind zeggen. In stilte maken die ouders zich misschien toch wel zorgen; ze vragen zich af of het kind geen aanleg heeft voor het vak, of er iets mis is met de lesmethode of misschien zelfs wel met de hele school. Als de cijfers van het kind niet beter worden, maken ze vroeg of laat een afspraak met de directeur van de school om te vragen of het vak wel goed wordt onderwezen of om hun twijfels te uiten over de bekwaamheid van de leerkracht.
Zou een Chinees kind met een acht thuiskomen - iets wat nooit voorkomt - dan zou er eerst een oorverdovende explosie van geschreeuw volgen. Dan zou de diep vernederde Chinese moeder wel honderd oefentesten bestellen en die net zo lang met haar kind doornemen totdat het kind een tien haalde. Chinese ouders verwachten de beste resultaten omdat ze ervan uitgaan dat hun kind daartoe in staat is. Als het niet lukt, neemt de Chinese ouder aan dat het kind niet hard genoeg heeft gewerkt. Daarom wordt de oplossing altijd gezocht in schelden, straffen en het kind beschamen. De Chinese ouder gelooft dat zijn kind sterk genoeg is om de schaamte te kunnen verdragen en er zijn voordeel mee te doen. (Chinese kinderen die uitblinken, krijgen thuis genoeg lof om hun ego te strelen.)
Ten tweede vinden Chinese ouders dat hun kinderen alles aan hen verschuldigd zijn. De reden daarvoor is niet helemaal duidelijk, maar het is waarschijnlijk een combinatie van confuciaanse eerbied voor ouders en het feit dat die ouders zo veel voor hun kinderen hebben gedaan en opgeofferd. (Het is waar dat Chinese moeders vele zware uren aan persoonlijke begeleiding besteden en hun kinderen drillen, overhoren en nauwlettend in de gaten houden.) Het idee is dat een Chinees kind zijn leven lang zijn schuld aan zijn ouders moet aflossen door te gehoorzamen en de familie eer aan te doen.
De meeste westerlingen vinden volgens mij daarentegen niet dat kinderen per definitie voorgoed bij hun ouders in het krijt staat. Ook mijn man Jed niet. 'Kinderen kiezen hun ouders niet uit’, zei hij een keer. 'Ze kiezen er zelfs niet voor om geboren te worden. Het zijn de ouders die hun kinderen het leven opdringen, dus het is ook hun taak om goed voor die kinderen te zorgen. Kinderen zijn hun ouders niets verschuldigd. Later hebben ze wel weer verplichtingen aan hun eigen kinderen.’ Ik vind dat die westerse ouders er maar beroerd van afkomen.
Ten derde zijn Chinese ouders ervan overtuigd dat zij het best weten wat goed voor hun kinderen is; daarom walsen ze over alle verlangens en voorliefdes van hun kinderen heen. Daarom mogen Chinese dochters op de middelbare school geen vriendjes hebben en mogen Chinese kinderen niet naar een vakantiekamp. Om dezelfde reden durft geen Chinees kind ooit tegen zijn moeder te zeggen: 'Ik heb een rol in het toneelstuk van school. Ik ben dorpsbewoner nummer zes. Ik moet elke dag van drie tot zeven op school blijven om te repeteren en ook in het weekend moet ik worden gehaald en gebracht.’ Moge God het Chinese kind bijstaan dat zoiets durft te zeggen.
Begrijp me niet verkeerd: het is niet zo dat Chinese ouders niet om hun kinderen geven. Integendeel. Ze hebben alles voor hun kinderen over. Het is alleen een totaal ander soort ouderschap.

DIT VERHAAL ILLUSTREERT DE VOORDELEN van de Chinese benadering. Lulu was een jaar of zeven, bespeelde nog steeds twee instrumenten en studeerde het pianostuk Le petit âne blanc van de Franse componist Jacques Ibert. Ontzettend leuke muziek - je kunt je er moeiteloos een klein ezeltje bij voorstellen dat met zijn baas over een landweggetje sjokt - maar voor jonge pianistjes is het ook een ongelooflijk moeilijk stuk, want ze moeten op het schizofrene af met elk handje een ander ritme spelen.
Het lukte Lulu niet. Een week lang werkten we er dagelijks aan en oefenden beide handen om beurten, steeds opnieuw. Maar zodra we de handen samenbrachten, ging de ene hand altijd met de andere meedoen en liep alles in de soep. De dag voordat ze les had verklaarde Lulu ten slotte in wanhoop dat ze het opgaf en liep ze stampend weg.
'Kom onmiddellijk terug naar de piano’, beval ik.
'Nee.’
'O jawel.’
Weer terug aan de piano nam Lulu wraak. Ze sloeg en trapte wild om zich heen. Ze graaide de muziek van de lessenaar en scheurde het boek in stukken. Ik plakte alles met plakband weer aan elkaar en schoof het in een plastic hoesje, zodat ze het niet opnieuw kon verscheuren. Vervolgens sleepte ik Lulu’s poppenhuis naar de auto en zei dat ik het meubeltje voor meubeltje aan het Leger des Heils zou weggeven als ze Het witte ezeltje de volgende dag niet foutloos speelde. Toen Lulu zei: 'Je ging toch naar het Leger des Heils, wat doe je hier nog?’ dreigde ik dat ze geen middageten, geen avondeten, geen cadeautjes met Kerstmis of Chanoeka en de eerstkomende twee, drie, vier jaar geen verjaardagsfeestje meer kreeg. Toen ze nog steeds niet goed speelde, zei ik dat ze zichzelf opzettelijk gek zat te maken omdat ze heimelijk bang was dat ze het niet kon. Ik zei dat ze niet zo lui, laf, gemakzuchtig en zielig moest doen.
Daarop nam Jed me apart. Hij zei dat ik moest ophouden Lulu te beledigen - wat ik niet deed, ik was haar juist aan het motiveren - en dat dreigementen volgens hem niet hielpen. Misschien was het stuk technisch wel echt te hoog gegrepen, zei hij, misschien had ze nog niet genoeg coördinatie - had ik wel aan die mogelijkheid gedacht?
'Je hebt gewoon geen vertrouwen in haar.’
'Doe niet zo belachelijk’, zei Jed minachtend, 'natuurlijk wel.’
'Sophia kon dit stuk wél spelen toen ze zo oud was.’
'Lulu is Sophia niet’, benadrukte Jed.
'O nee, niet dát weer, hè’, zei ik met ten hemel geslagen ogen. 'Iedereen is op zijn eigen, unieke manier bijzonder’, bauwde ik hem sarcastisch na. 'Zelfs losers zijn bijzonder op hun eigen, speciale manier. Maak je geen zorgen, jij hoeft er niets aan te doen. Ik steek er net zo veel tijd en energie in als nodig is en ik vind het prima als ze de pest aan mij krijgt. Dan mag jij degene zijn van wie ze houden omdat je pannenkoeken voor ze bakt en ze meeneemt naar wedstrijden van de Yankees.’
Ik stroopte mijn mouwen op en ging terug naar Lulu. Ik gebruikte ieder wapen en elke tactiek die ik kon bedenken. We namen geen pauze voor het avondeten en werkten tot middernacht door, en Lulu mocht niet opstaan, niet om water te drinken en zelfs niet om naar de wc te gaan. Het hele huis werd één groot slagveld en ik ging zo tegen haar tekeer dat ik op het laatst geen stem meer had, maar nog steeds was er alleen maar achteruitgang te bespeuren, zodat zelfs ik twijfels begon te krijgen.
En toen, zomaar ineens, lukte het. Haar linker- en rechterhand speelden ineens tegelijkertijd elk onverstoorbaar hun eigen noten - plotseling kon ze het. Lulu kreeg het op hetzelfde moment door als ik. Ik hield mijn adem in. Aarzelend probeerde ze het nog een keer. Vervolgens speelde ze het met meer vertrouwen en sneller, terwijl ze toch het ritme wist vast te houden. Even later riep ze uit: 'Mam, kijk - makkelijk!’ Daarna wilde ze het stuk steeds opnieuw doorspelen en was ze niet meer bij de piano weg te slaan. Die nacht sliep ze bij mij in bed. We knuffelden elkaar en maakten elkaar aan het lachen.
Een paar weken later speelde ze Het witte ezeltje op een voorspeelmiddag. Na afloop kwamen andere ouders naar me toe en zeiden: 'Echt een stuk voor Lulu - zo pittig, helemaal zoals zijzelf.’
Zelfs Jed gaf me bij nader inzien gelijk. Westerse ouders maken zich erg druk over het zelfvertrouwen van hun kinderen. Maar een van de ergste dingen die je als ouder voor hun zelfvertrouwen kunt doen, is ze de gelegenheid geven om iets op te geven. Mensen beseffen het vaak niet, maar niets is beter voor het zelfvertrouwen dan ontdekken dat je iets kunt waarvan je dacht dat het je nooit zou lukken.
Er zijn tegenwoordig stapels boeken waarin Aziatische moeders worden afgeschilderd als berekenende, hardvochtige, overmatig eerzuchtige vrouwen die maling hebben aan de ware interesses van hun kinderen. Maar veel Chinezen vinden op hun beurt stiekem dat ze veel meer om hun kinderen geven en veel meer voor ze over hebben dan westerse ouders, die het helemaal niet erg lijken te vinden als hun kinderen de mist in gaan. Ik denk dat dit aan beide kanten van onbegrip getuigt. Alle fatsoenlijke ouders willen het beste voor hun kinderen. Alleen hebben Chinezen heel andere ideeën over de beste manier om dat voor elkaar te krijgen.
Westerse ouders willen de individualiteit van hun kinderen respecteren, sporen hen aan hun echte passies te volgen, ondersteunen hen in hun keuzes en zorgen voor aanmoediging en een koesterende omgeving. De Chinezen daarentegen vinden dat je een kind het best beschermt door het op de toekomst voor te bereiden, het te laten ervaren waartoe het in staat is, het vaardigheden en zelfdiscipline bij te brengen en een innerlijk zelfvertrouwen te geven dat niemand ooit meer kan afpakken.

Dit is een voorpublicatie uit Amy Chua’s Strijdlied van de tijgermoeder (Nieuw Amsterdam, 256 blz., € 18,95, vertaling Wenneke Savenije). Het boek ligt volgende week in de boekwinkel