Vrouwen in oorlog: De ongelijke strijd om grond in Colombia

‘Opgeven? Wij? Nooit’

Celia Umenza en Norka Ortiz vechten voor de rechten van de Nasa en de Wayuu, de inheemse volken in Colombia waartoe ze behoren. ‘Voor ons hoort de strijd er altijd bij.’

Celia Umenza (voor) en Norka Ortiz – ‘Vrouwen vóelen het als hun kinderen gediscrimineerd of misbruikt worden’

Als dit verhaal over Celia Umenza (48) en Norka Pareja Ortiz (31) wordt gepubliceerd, zou het zo kunnen zijn dat ze niet meer leven. Het is gruwelijk, maar het is de werkelijkheid, maken ze duidelijk. De twee inheemse Colombiaanse vrouwen lopen gevaar omdat hun namen bekend zijn bij partijen die ze bevechten: bedrijven, paramilitaire organisaties, guerrillagroepen, drugshandelaren en de staat.

Umenza en Ortiz komen op voor de rechten van de inheemse volken waartoe ze behoren. Dat klinkt als een vrij onschuldige bezigheid, maar het betekent dat ze de grote machten in Colombia tegenwerken. De territoria van hun volken zijn lang geleden ingenomen door grote ondernemingen, die niet van plan zijn hun activiteiten te wijzigen. Umenza, Ortiz en hun medeactivisten willen dat wel en daarom zijn ze doelwit van die bedrijven en hun beschermers.

In december zijn ze in Brussel om met EU-vertegenwoordigers te praten over hun situatie en cynisch genoeg is hun belangrijkste vraag: help ons het moorden te stoppen. Het geweld in Colombia tegen mensenrechtenactivisten neemt elk jaar toe en vrouwen zijn er in toenemende mate slachtoffer van, houden ze hun gesprekspartners voor. De afgelopen achttien maanden vonden 155 vrouwelijke mensenrechtenactivisten de dood – nog niet zoveel als mannen, maar toch.

En nu komt het meest onbegrijpelijke deel van hun verhaal. Ze zijn niet bang. Ze lachen zelfs om de vraag waarom ze niet stoppen met hun strijd als die zo gevaarlijk is. ‘Als wij niets doen, wie vecht dan wel voor ons?’ zegt Ortiz. ‘We zijn niet naar Brussel gekomen als individuen, we vertegenwoordigen ons volk. We zijn hier in de naam van de vrouwen die gedood zijn. Zij wilden vechten voor onze rechten, maar hun stem werd het zwijgen opgelegd. Wij proberen nu hun stem te zijn. We hebben een grote verantwoordelijkheid.’

‘Het is geen kwestie van stoppen of doorgaan’, zegt Umenza. ‘We zijn hier voor onze voorvaderen, die vijfhonderd jaar geleden al begonnen met vechten, sinds de Spanjaarden ons koloniseerden. Wij zetten hun werk voort, we doen het voor onze eigen generatie en de toekomstige. Geen sprake van dat we ooit opgeven.’

Celia Umenza en Norka Pareja Ortiz logeren in een groot appartement in Brussel-Anderlecht, waar ze in huiselijke kleding rondlopen. Hun tolk en begeleidster Elisa Canqui is bij hen, een inheemse vrouw uit Bolivia die werkt voor ontwikkelingsorganisatie Oxfam. Midden op de dag zitten ze met z’n drieën aan de warme maaltijd: kip, zalm en salade, wijntje erbij.

Na het eten leggen ze uit wat er gaande is onder de inheemse volken in Colombia en waarom hun tegenstanders juist vrouwen doodmaken. Ze vertellen hoe ze zelf betrokken raakten bij de mensenrechtenstrijd en waarom dat zo vanzelfsprekend voor hen is. Maar allereerst moet de verslaggeefster begrijpen dat een ‘territorium’ iets anders is dan een inwisselbaar stuk grond.

Inheemse volken hebben in hun gebieden een band met alles: het land, de grondstoffen, het water, de natuur, de lucht. Ze dragen zorg voor elk onderdeel en beleven er hun spiritualiteit. ‘Daarom vinden we vervuiling zo erg, want dat maakt alles kapot’, zegt Umenza. ‘Maar het is nog erger als je van je territorium wordt verdreven en dat is met mijn volk gebeurd.’

Umenza behoort tot de Nasa, een volk van zestig- tot tachtigduizend mensen groot, uit de Cauca-provincie in het zuidwesten van Colombia. Rond 1950, vertelt ze, pakte de staat hun gebieden af en gaf ze aan bedrijven. De Nasa werden gedwongen te vertrekken. ‘Volgens de overheid dragen wij niets bij aan de economie van het land. We hebben geen bedrijven, dus mogen we wel dood als we moeilijk doen’, zegt Umenza.

Sinds die tijd leven de Nasa verspreid over heel Colombia én zijn ze bezig hun territoria terug te krijgen. Ze doen dat via zogeheten minga’s, waarbij ze met hele groepen soms maandenlang op hun oorspronkelijke grond bivakkeren. De bedoeling is dat de nieuwe eigenaren onder druk worden gezet en weggaan. Het zijn geweldloze acties, maar als repercussie zijn meerdere keren slachtpartijen onder Nasa aangericht. Umenza telt even snel en komt op 264 doden door de jaren heen.

Haar volk neemt het op tegen een immens machtige partij: op een deel van de oorspronkelijke territoria bevinden zich nu suikerrietplantages die samenwerken met Coca-Cola. Wie precies achter de moorden zit, weet Umenza niet, maar het zijn in elk geval groepen die de suikerrietbusiness beschermen: paramilitairen, ingehuurd door het suikerrietbedrijf of misschien wel de staat. De vader van oud-president Álvaro Uribe, een veehandelaar en grootgrondbezitter, heeft volgens haar zo’n groep geleid.

‘Als je een vrouw vermoordt, vermoord je de gemeenschap. Daarom zijn ze doelwit’

In de jaren zeventig boekten de Nasa een succes: ze kregen driehonderd hectare terug in het noorden van Cauca, waar Umenza nu ook woont met haar drie kinderen en twee kleinkinderen. Sindsdien moesten ze alles in het werk stellen om het gebied te behouden, want guerrillabewegingen en drugshandelaren wilden er allebei invloed hebben.

Tussen 2000 en 2010 werd er hard gevochten en het Colombiaanse leger vocht terug. In die jaren was Umenza een van de oprichters van een eigen, inheemse beveiligingsgroep. De leden ervan dragen geen wapens, alleen een stok die wordt gebruikt om autoriteit uit te stralen. Zodra ergens gevaar dreigt, gaan ze er met z’n allen op af. Ze rekenen op de macht van het getal.

Tegenwoordig helpt Umenza vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn geworden van de strijd: de tegenpartij zet naast moord ook verkrachting in als wapen. Ze geeft bovendien trainingen over mensenrechten. Haar motivatie? ‘Van jongs af aan heb ik gehoord hoe ons volk verjaagd is en hoe onze leiders zijn vermoord. Ik voel me verantwoordelijk.’

De drie vrouwen moeten opnieuw lachen. ‘Je vraag is erg grappig’, legt Elisa Canqui uit. ‘Voor ons is het volkomen normaal om activist te zijn. Als je in Latijns-Amerika als inheems persoon wordt geboren, hoort strijd er vanaf het begin bij. Het is overal hetzelfde. Als kind merk je al dat je als minderwaardig wordt gezien, je hoort hoe het territorium van je voorvaderen is afgepakt, dus je begint meteen met vechten voor je rechten. Je weet niet beter.’

Ook Norka Pareja Ortiz stond al jong op de barricaden, hoewel een deel van haar gemeenschap nog steeds op de oorspronkelijke plek woont. Ortiz behoort tot de Wayuu, een volk van zo’n tweehonderdduizend zielen in La Guajira, het noordelijkste puntje van Colombia, bij de grens met Venezuela. Sinds 1976 delen ze hun territorium met een open kolenmijn, die steeds meer grond in beslag nam en nu met bijna zevenhonderd vierkante kilometer de grootste van Latijns-Amerika is.

Er werden Wayuu-mensen vermoord die zich verzetten, maar wie vertrok, stierf soms evengoed. ‘Mensen in Europa gaan soms dood van de stress, maar bij ons gaan ze dood van verdriet om het leven dat ze hebben verloren’, zegt Ortiz. Zij, haar man en twee kinderen wonen nog wel in La Guajira, in het Lomomato Reservaat op vijftien minuten lopen van de mijn. Ortiz weet precies welke invloed de kolenwinning op het leven eromheen heeft.

Er is watertekort, omdat de mijn zeventienduizend liter per dag verbruikt uit de Ranchería-rivier en andere, kleinere stroompjes. Het kolenbedrijf, Cerrejón, zei nog: ‘We gaan jullie helpen, we gaan pijpleidingen aanleggen zodat jullie niet meer elke dag naar de rivier hoeven om water te halen.’ Wat gebeurde er? De pijpleidingen liepen allemaal rechtstreeks naar de mijn, waardoor de rivieren praktisch droogvielen. De Wayuu moeten nu water kopen, maar hebben geen geld om dat ook te doen voor hun gewassen of geiten, hun bron van inkomsten.

In de Wayuu-gemeenschap heersen armoede en honger. De omgeving is vervuild en Ortiz kent veel mensen met huidkanker en andere gezondheidsklachten. Ook kinderen worden ziek, want die spelen in de rotzooi die Cerrejón achterlaat. Als ze het bedrijf vragen maatregelen te nemen, krijgen ze te horen: ‘Nee, dat is niet ons probleem. Welke ziekten hebben jullie dan? Laat zien dan?’ Ortiz: ‘We kunnen niets aantonen, omdat we geen ziekenhuisonderzoek kunnen betalen.’

Via verschillende mensenrechtenorganisaties probeert ze de leefomstandigheden van haar volk te verbeteren. ‘Het mijnbouwbedrijf zal nooit weggaan, dat is onmogelijk, het is enorm groot. Maar we willen dat het ons respecteert, dat het rekening houdt met ons.’ Zo hebben Ortiz en haar mede-activisten Cerrejón aangeklaagd toen het een volgende rivier dreigde af te tappen. De rechter stelde hen in het gelijk: het bedrijf moest de rivier met rust laten.

Ze proberen nu zoveel mogelijk ruchtbaarheid te geven aan de situatie in La Guajira, het schiereiland waarover toeristenbureaus juichen dat je er zo leuk met een jeep door de woestijn kunt crossen en nomadenstammen kunt bezoeken. En dat je er zulke prachtige stranden hebt. Ortiz weet beter: ‘De regio ligt strategisch, je bent zo in Venezuela en Panama. Het is een ideaal doorsluisgebied voor drugs.’

Ook in La Guajira werken partijen samen die het de Wayuu op allerlei manieren moeilijk maken: het bedrijfsleven, paramilitairen, de politie, drugshandelaren en misschien wel de overheid. Niemand die precies weet hoe het zit, maar veilig is het voor mensenrechtenactivisten niet.

‘Jullie in Europa zijn rijk, onder andere dankzij ons. Jullie bedrijven komen naar ons land en pakken ons alles af’

En waarom moeten in Colombia steeds vaker vrouwelijke activisten het ontgelden? Om dat uit te leggen, stellen Umenza en Ortiz eerst vast dat de problemen voor veel inheemse volken de laatste jaren zijn toegenomen. Ze hebben te maken met een proces dat in heel Latijns-Amerika gaande is: veel etnische groepen dreigen voor de tweede keer hun gebied kwijt te raken.

De grond die het bedrijfsleven in de vorige eeuw innam, is intussen voor een deel uitgeput of vernield en nu moeten er nieuwe terreinen bij komen. Welke? Exact, die waar de inheemse volken naartoe zijn gevlucht. ‘Wij gaan goed met onze territoria om, waardoor ze rijk en vruchtbaar zijn’, zegt Ortiz. ‘Wij vernietigen ze niet. Juist dat maakt dat veel inheemsen nu opnieuw moeten vertrekken.’ Umenza: ‘En de bedrijven kunnen met ons doen wat ze willen, omdat de regeringen alles goedkeuren.’

Zo is een tweede golf van landonteigeningen ontstaan, terwijl inheemse volken als de Nasa en de Wayuu nog strijden tegen de gevolgen van de eerste. Umenza benadrukt daarbij de rol van de globalisering. ‘Vijfhonderd jaar geleden begon onze kolonisatie door de Spanjaarden, maar die wordt nu voortgezet door bedrijven die overal vandaan komen, óók uit jouw land’, zegt ze.

Volgens een site van de Nederlandse overheid zijn meer dan zestig Nederlandse bedrijven actief in Colombia, een aantal niet nader genoemde multinationals en kleinere bedrijven in de tuinbouw, engineering services en scheepsbouw. Bovendien importeert Nederland uit Colombia koffie, bananen, bloemen, palmolie, olie en – denk aan Cerrejón in La Guajira – steenkool.

‘Veel buitenlandse investeerders’, vertelt Ortiz, ‘komen naar Colombia en zeggen: we gaan de gebieden van de inheemse volken ontwikkelen. Daar komt nooit iets van terecht. Er komt werkgelegenheid voor mensen uit andere delen van Colombia en wij krijgen geen banen omdat we de juiste opleiding niet hebben. Die hele zogenaamde ontwikkeling levert alleen maar ongelijkheid, vernietiging van natuur, milieuvervuiling, corruptie, discriminatie en gedwongen vertrek op.’

Vrouwen in oorlog

Vrouwen staan anders in een oorlog dan mannen, maar zij worden meestal niet gehoord. Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad bepaalt dat vrouwen bescherming krijgen tegen geweld en betrokken zijn bij conflictpreventie, vredesoverleg en wederopbouw. In 2020 bestaat de resolutie twintig jaar, De Groene Amsterdammer maakt in deze serie gesprekken met vrouwen uit conflictgebieden de balans op.

Specifiek voor Colombia is nóg een omstandigheid die het leven van inheemse volken bemoeilijkt. In 2016 sloot de regering een vredesakkoord met de guerrillaorganisatie farc, maar niet alle farc-leden wilden hun wapens inleveren. Ze vechten nu met andere guerrillagroepen en drugsbazen om de macht, vooral in afgelegen gebieden, waar het nationaal gezag zich normaal gesproken nauwelijks laat zien. In noordelijk Cauca, waar Umenza woont, was het na 2010 rustiger geworden, maar de laatste tijd is de strijd weer opgelaaid.

Meer problemen betekenen meer verzet, en alle vrouwen doen mee. Voor Umenza en Ortiz is ook dat volkomen normaal. Veel inheemse culturen zijn van oorsprong matriarchaal ingesteld, waarbij de vrouw in alles een belangrijke stem heeft. Het principe is geërodeerd onder invloed van het wijdverbreide Latijns-Amerikaanse machismo – ‘de mentaliteit van de kolonisten’, zegt Umenza – maar over het algemeen is het belang van de vrouw in inheemse gemeenschappen nog steeds groot.

‘Net zoals een territorium leven geeft aan de mensen die er wonen, geven vrouwen leven aan de familie’, zegt Ortiz. ‘Ze vóelen het als hun kinderen gediscrimineerd worden of seksueel misbruikt en ze willen die problemen oplossen. Vrouwen vechten elke dag en stoppen nooit. Activisme is deel van hun leven.’ Hun tegenstanders weten dat het zo werkt. ‘Als je een vrouw vermoordt, vermoord je de gemeenschap. Daarom zijn ze doelwit’, zegt Canqui.

Eind oktober 2019 werd in Umenza’s woonplaats Tacueyó een vrouwelijke inheemse leider doodgeschoten: Cristina Bautista. Eerder al waren andere inheemse vrouwen vermoord, maar haar dood kreeg massaal aandacht omdat ze een plaatselijke bestuurder was. De hele Nasa-gemeenschap ging de straat op. ‘We hebben de regering ter verantwoording geroepen: waarom beschermen jullie ons niet?’ vertelt Umenza. Hun actie kreeg op andere plekken in het land navolging en mondde uit in grootscheepse demonstraties, waarbij de overheid onder meer werd gevraagd het aanhoudende geweld te stoppen.

Umenza en Ortiz zijn niet bang dat hun iets overkomt, ze zetten het werk voort dat mensen uit hun gemeenschap vóór hen begonnen. Ze moeten het doen, ze kunnen niet anders. Wat ze erg vinden, is dat de buitenwereld de waarde van inheemse volken niet ziet. ‘Er is grote ongelijkheid’, zegt Ortiz. ‘Jullie in Europa zijn rijk, onder andere dankzij ons. Jullie bedrijven komen naar ons land en pakken ons alles af. Wat blijft er voor ons over? Alleen armoede. Jullie Europeanen moeten verantwoordelijkheid nemen voor wat jullie aan het doen zijn.’

Dat is goed voor beide partijen, zegt Umenza. Ze begint over Greta Thunberg, de jonge klimaatactiviste. ‘Omdat dit blonde meisje het zegt, is de strijd voor de aarde ineens belangrijk voor jullie. Maar weet je, wij vechten al jaren voor hetzelfde. De relatie tussen ons en ons territorium is een van de belangrijkste dingen die we hebben. Mensen van buiten willen het van ons afnemen, ze denken dat ze alles kunnen kopen. Maar wat als het water op is? Wat als het land kapotgemaakt wordt? Wat als de zon door brandlucht niet meer te zien is?’

De hele Latijns-Amerikaanse inheemse wereld ziet al jaren wat de westerse mens aanricht, zegt Umenza. ‘En kijk eens, jullie westerlingen zijn zo rijk, maar jullie kunnen de opwarming van de aarde niet oplossen. Wij hebben een andere manier dan jullie om met de aarde om te gaan. Jullie hebben de technologie en wij de wijsheid. Laten we die met elkaar delen.’