F oto van President Josip Broz Tito tijdens zijn begrafenis in Belgrado, Joegoslavië, 1980 © Alex Webb / Magnum / ANP

Niemand ontkomt aan het onheil. De West-Europese babyboomers en daaropvolgende generaties dachten wellicht dat alles goed was, zij glipten ertussendoor, maar als hen een epidemie of oorlog treft, denken ze niet meer zo lichtzinnig over de dood, dan zien ze hoe hun vaders en zonen en broers lijden en smeken, en monsters worden, en moeten ze later met de verminkten zien te leren leven, die ‘psychische schervenhoopjes met hun shellshock en hun onbetrouwbare geheugens’.

Het is 1980. Zora del Buono, geboren Ostan, 84 jaar, weggestopt in een Joegoslavisch bejaardenhuis met wanstaltige ‘afwasbare, pisgele muren’, praat in haar hoofd tegen een afwezige, jonge verpleegster. Wat haar kwelt is haar geweten, want hoewel ze tijdens de Tweede Wereldoorlog als partizanenhulpje en Tito-fan tegen het fascisme in opstand kwam en nu om alle doden jammert, is ze aan die doden zelf enigszins medeplichtig. Haar kleindochter, de in 1962 in Zwitserland geboren schrijfster Zora del Buono (Zora senior veranderde de d in een D, de kleine letter was een overblijfsel van de landadel waar zij en haar man als rascommunisten niet mee geassocieerd wilden worden) schrijft in de proloog van haar imponerende familiegeschiedenis en derde roman De maarschalk al over een bepaalde ‘gebeurtenis’, over ‘onze doden’ en dat ze zeker weet tot een ongeluksfamilie te behoren. ‘We groeiden op met donkere vermoedens.’

Wat volgt is een haarscherp en veelkantig portret van de matriarch van de familie en hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Del Buono beschrijft haar grootmoeder als geestdriftige, koppige en jaloerse aanvoerder, de ‘ongekroonde regentes’ van vier broers en drie zonen, een moeder zonder moedergevoelens die haar kinderen nummert en een nauwelijks verholen voorliefde heeft voor ‘nummer 2’. Een fanatieke commandante, pittig maar niet hatelijk, die kotst van de aanhankelijkheid die van vrouwen wordt verwacht en die weet dat je soms moet manipuleren om te krijgen wat je wil: ‘(…) vrouwen, daarvan was Zora overtuigd, logen meer dan mannen, omdat hun de macht werd ontzegd en ze die moesten compenseren, wat ze deden door oneerlijk te zijn.’ Een vrouw als een maarschalk, wier strijdlust net iets helderder lijkt te schijnen dan dat van de mensen om haar heen: ‘Het was een voortdurende gloed van binnenuit, ze gloeide zelfs wanneer ze zich onbekeken waande, alsof ze erop gebrand was iets heel groots te verrichten.’

Zora wordt van al die verschillende blikrichtingen een completer mens

Met stappen van één, twee, drie jaar struinen we door de eerste helft van de twintigste eeuw. Van Zora’s landelijke geboorteplek Bovec in Slovenië en het Isonzodal, waar de door gifgasaanvallen veroorzaakte dood van tienduizend soldaten uit de Eerste Wereldoorlog nog in de lucht hangt, naar het Italiaanse Bari, waar zij en haar man, röntgenarts Pietro del Buono, een gigantische villa laten bouwen; een palazzo, 23 kamers, negen badkamers, in de hal een kroonluchter uit Milaan. Er hangt een eigenaardige stemming over Europa, ‘als een steeds dichter wordend, kleverig spinnenweb’. De oorlog is telkens de grootste antagonist, eentje die zich onder het bewind van duce Mussolini steeds verder opdringt en die Zora naar de echte maarschalk leidt: partizanenleider Josip Broz Tito. Voor hem zou ze alles wel op willen geven. Communisme is aristocratie voor iedereen, verkondigt ze telkens, en lang kunnen zij en Pietro een bourgeois leven en felle politieke overtuigingen onder één dak verenigen, tot de gebeurtenis, een dodelijke overval met een partizanenpistool waarbij ze direct betrokken zijn.

In waaierende volzinnen en opsommende beschrijvingen worden veldslagen, achterbakse dienstmeisjes, jeugdvrienden, kouwelijke tantes en verbannen politici opgevoerd, allemaal levensecht. Pietro’s studievriendin Emmi Bloch bijvoorbeeld, heeft een ‘vogeltjesimago’, loopt ‘met verlichte tred, niet zwevend, niet huppelend, niet trippelend, eerder huppend, alsof ze zich elk moment kan gaan afzetten om met de eerstvolgende windvlaag op te stijgen naar de rookgrijze Berlijnse hemel’. De hoofdstukken wisselen in perspectief, we zijn met Pietro in Berlijn, met een broer in de bergen, met een schoondochter in een communistisch vluchtelingenkamp in Egypte, waar kleding wordt bewaard in oude explosievenkisten. Ook Zora wordt van al die verschillende blikrichtingen een echter, completer mens. En hoewel je je aandacht scherp moet houden bij al die figuren met hun gewoontes en trauma’s maakt de grondige research die Del Buono moet hebben gedaan de roman op veel plekken juist lichter. Het is ook gráppig dat Louis Armstrong vanaf 1940 Luigi Fortebraccio moet heten, dat Mickey Mouse Topo Michele wordt en dat Zora en haar vrienden de feestdag die Mussolini instelt voor de meest vruchtbare vrouwen, die veertien of meer zonen baarden, de fokshow noemen.

Langzaam en pijnlijk wordt de ontheemding van de familie Ostan-Buono duidelijk. ‘Iedereen was de controle over zijn leven kwijt, zoals altijd in een oorlog’, wordt geschreven over een groep vluchtelingen die Pietro in zijn praktijk behandelt, maar een paar jaar later worden de Del Buono’s zelf vreemden in hun oude omgeving. Hoewel het nergens letterlijk geschreven staat, kun je in deze roman een nauwgezette ontleding lezen van de telkens nog actuele vraag wat de Europese identiteit eigenlijk inhoudt. Waardoor wordt die omlijnd – door alle plekken waar een mens thuis is, of alle plekken waar een mens vandaan is gejaagd? Wordt het antwoord door grenzen bepaald? Als je, net als Zora’s opportunistische broertje Nino, eerst voor de vijand en dan voor de overwinnaar vecht, ben je dan heel laf of heel moedig? En dat Zora in haar leven opeenvolgend vijf verschillende paspoorten bezat, wat zegt dat over wie ze was?

Ondanks de angst van haar familieleden voor ‘wraakacties’ vanuit Zuid-Italië voelde Zora del Buono junior als schrijver en ‘ertussendoor geglipte’ de verantwoordelijkheid om alle donkere vermoedens en oude familiegeheimen eens in het licht te trekken, en onderzocht ze waar al decennialang over werd gezwegen. Het resultaat, dit boek, werkt als een oproep aan iedereen die ook leeft met zulke vermoedens om hetzelfde te doen, nu het nog kan. In het beste geval levert het, zoals in De maarschalk, wervelende en scherpzinnige literatuur op.