Skeptisch Greenpeace-lid

Ophef in de milieuwetenschap

In zijn boek ‘The Skeptical Environmentalist’ schrijft Bjørn Lomborg dat het met de achteruitgang van het milieu wel meevalt. Dat heeft geleid tot een discussie waarin iedere deelnemer zich zegt te baseren op meningen van «gerespecteerde» wetenschappers en bladen. Zonder dat duidelijk wordt wat die precies zijn.

De boekhandel in New York heeft veel exemplaren van The Skeptical Environmentalist in huis. Dat is verstandig want er wordt veel over gepraat. En geruzied. Een stoet wetenschappers is woedend over dit boek van het vroegere Greenpeace-lid Bjørn Lomborg. Toen het vier jaar geleden in Denemarken verscheen, maakte het alleen daar de tongen los, en dan vooral die van Lomborgs collega-wetenschappers aan de Universiteit van Aarhus. De publicatie van de Engelse versie een half jaar geleden zette de gemoederen internationaal in beweging.

Verscheidene kranten waren vol lof; het Britse blad Prospect kwam met een voorpublicatie, in The Economist en The Guardian kreeg Lomborg alle ruimte om te vertellen dat het met het milieu reuze meevalt en dat het breed heersende sombere beeld is te danken aan allerlei organisaties die er belang bij hebben doemgeluiden te verspreiden. The Independent opperde dat de milieubeweging eerder zo’n succes had omdat ze voldeed aan een vraag naar «waarden en betekenis in een post-christelijke wereld»; de heilige Aarde nam de plaats in van God, het milieudenken deed aan «een simpel goed en fout», terwijl de beweging «fervente gelovigen» kent en «aanvoelt als een universele kerk». Maar daar was ineens de eigentijdse Martin Luther met stellingen die nu The Skeptical Environmentalist heten, aldus de krant. Ook de meeste Amerikaanse media liepen ermee weg, wat weer zorgde voor een tegenstroom aan kritische en boze reacties van wetenschappers en milieuorganisaties, en de oprichting van een anti-Lomborg-website.

Bjorn Lomborg (37) is geen milieuspecialist maar statisticus aan de Universiteit van Aarhus, naar eigen zeggen een milieuactivist en vegetariër. Vijf jaar geleden las hij een interview met de omstreden Amerikaanse econoom Julian Simon, die beweerde dat de meeste sombere opvattingen over het milieu waren gebaseerd op vooroordelen en tekortschietende statistieken. Dat laatste vond Lomborg interessant en hij besloot uit te zoeken of het waar was. Hij verzamelde zijn beste studenten om het werk van Simon uit te pluizen. «We verwachtten aan te tonen dat het grootste deel van zijn uitlatingen simpele rechtse Amerikaanse propaganda was.» Maar nee, het meeste bleek zijn statistische toets te kunnen doorstaan. «Het was in strijd met wat we zelf dachten te weten», meldt hij in het boek. En als dat voor hem gold, gold het vast voor meer mensen. Op basis van zijn bevindingen schreef Lomborg vier artikelen voor een Deense «Guardian-achtige» krant en dat zorgde al voor een hevig debat.

Lomborg meent dat de bossen niet op hun retour zijn. Dat de vervuiling in de steden van de geïndustrialiseerde wereld is verminderd en dat zulks ook zal gebeuren in ontwikkelingslanden. Dat de voorspellingen over uitstervende diersoorten zwaar overdreven zijn. Dat rivieren schoner zijn en meer vis herbergen dan enkele decennia geleden. Dat het probleem van de ozonlaag min of meer is opgelost. Dat afval geen groot probleem is. Dat het broeikaseffect niet zal leiden tot een catastrofe. Dat het met de overbevolking reuze zal meevallen. Onder meer.

Stephen Schneider, als klimaatwetenschapper verbonden aan de Universiteit van Stanford en het Instituut voor Internationale Studies, noemde het hoofdstuk over klimaatsverandering een «slimme polemiek», gebaseerd op het negeren van studies die niet in zijn betoog passen en het te nadrukkelijk presenteren van werk dat het betoog ondersteunt. Schneider was verbijsterd over de onkunde van Lomborg en over het gemak waarmee de media zulke nonsens serieus namen.

Lomborgs stelling dat het best meevalt met het verdwijnen van plant- en diersoorten werd tegen het licht gehouden door de vroegere Harvard-hoogleraar en Pulitzer-prijswinnaar E.O. Wilson. De bioloog verstrekte details over de manier waarop schattingen (want dat zijn het) op dit vlak tot stand komen, verwees naar studies uit tropisch Amerika, Nieuw-Guinea en Indonesië, memoreerde de «modellen van Diamond-Terborgh», gebruikte een lijst van bedreigde soorten zoals opgesteld door de World Conservation Union, en stelde vast dat er sprake is van een dramatische toename van de uitsterving.

Klimaatspecialist Andrew Weaver, die het boek besprak voor de Vancouver Sun, kwam zichzelf in het notenbestand tegen en constateerde dat hij het tegenovergestelde had beweerd van wat Lomborg hem toedichtte.

Wie na al die forse kritiek benieuwd is hoe Lomborg daarmee omspringt, kan terecht op diens website. Daar ontrafelt hij kritische beschouwingen in Science en Nature, en geeft per onderdeel een reactie. Knappe leek die na lezing nog kans ziet tot een conclusie te komen.

Dat laatste is het probleem met dit boek en menige andere verhandeling waarin vergaande conclusies worden getrokken over een complexe materie met een grote maatschappelijke relevantie. Het onderwerp spreekt een breed publiek aan, en omdat onzekerheid een vervelende gemoedstoestand is, vlucht men in een mening. Niet gebaseerd op inhoud, want die is niet te volgen. Het zou mooi zijn als tenminste de smaakmakers hun betoog zouden baseren op inhoud, maar in de kwestie-Lomborg is dat zelden het geval. Vele deelnemers aan het debat ontwijken ingewikkelde onderzoeken en nemen hun toevlucht tot omtrekkende bewegingen om een mening te suggereren.

Om iemand verdacht te maken, kan het nuttig zijn te wijzen op «foute» vrienden. Colin Woodard van het linkse TomPaine.com signaleert bijvoorbeeld dat «conservatieven» met Lomborg weglopen, en dat een briefing voor het Amerikaanse congres werd gesponsord door een club die niet gelooft in de Kyoto-consensus aangaande het broeikaseffect. Bovendien waren «conservatieve columnisten» positief over het boek.

Hier en daar een irrelevante maar suggestieve toevoeging wil ook helpen, zoals Schneider deed door studies die hem bevallen «eerlijk» te noemen. Dat ene woord suggereert meteen dat de studies van de tegenstander dat niet zijn, en gekleurd worden door verborgen agenda’s.

Milieuredacteur Anthony Browne van de Britse Observer noteerde dat Lomborg de meeste kritiekpunten van de milieubeweging onderuit haalt met een stortvloed van «officiële statistieken». Kennelijk vindt Browne dat wel leuk en daarom gebruikt hij dat woord «officiële», suggererend dat zulke statistieken boven elke twijfel zijn verheven. Terwijl ze zijn opgesteld door regeringen en andere instellingen met hun belangen en agenda’s, door individuen die ook niet waardenvrij zijn.

Een andere methode is het bagatelliseren van bronnen. In The Washington Post signaleert de Nieuw-Zeelandse filosoof Dennis Dutton Lomborgs stelling dat het verdwijnen van levende soorten zwaar wordt overdreven, en schrijft dat Lomborg «erin slaagde» de bron van die informatie te achterhalen: de «op niets gebaseerde» schatting van «een wetenschapper» uit 1979. Het «slagen» suggereert al dat Lomborg iets bijzonders voor elkaar kreeg. En zomaar «een wetenschapper» kan niks zijn.

Maar die wetenschapper was Norman Myers, verbonden aan Oxford, Harvard en Stanford, en in december verweet hij Lomborg dat die op een zeer selectieve manier met zijn werk was omgesprongen, bijvoorbeeld door al het vervolgonderzoek te negeren, alsmede de nuanceringen waarmee de schatting uit 1979 was gepresenteerd.

Een manier om buiten de materie om tot een standpunt te komen, is het leunen op autoriteiten, wat in deze discussie voortdurend gebeurt. Een anti-Lomborg-bioloog meldt dat The Skeptical Environmentalist terreinen beslaat waarvan de auteur geen verstand heeft en dat Lomborg ingaat tegen «iedereen in het vak» waaronder nota bene winnaars van de Nobelprijs. Als Colin Woodard betoogt dat voor wetenschapsjournalistiek andere maatstaven gelden dan voor bijvoorbeeld politieke verslaggeving voegt hij eraan toe: «zoals de meeste wetenschapsredacteuren weten», alsof kwantiteit iets zegt over kwaliteit. De eerder aangehaalde Wilson stelt dat Lomborgs schattingen over verdwijnende soorten in strijd zijn met die van «gerespecteerde wetenschap» op dit vlak. De formulering suggereert veel, maar de vraag is natuurlijk wie die wetenschap respecteert — de wetenschappers die het boek met applaus hebben ontvangen waarschijnlijk niet.

Favoriet is het wijzen op het tachtig pagina’s lange notenbestand, hoewel er geen verband is tussen notenaantal en kwaliteit. De Spectator heeft het over «een volledig notenbestand». The Washington Post stelt dat het betoog wordt «ondersteund door bijna drieduizend voetnoten en 182 tabellen en grafieken». The New York Times spreekt van een «substantieel analytisch werk met bijna drieduizend voetnoten».

Het indrukwekkendste aspect van het boek, vindt The Independent, is de ontmanteling van de vele «groene» aannames door de jaren heen van organisaties als het Worldwatch Institute, Greenpeace, het International Panel on Climatic Change en het World Wildlife Fund, waarbij de originele publicaties «volledig» worden aangehaald in het notenbestand zodat een ieder zijn eigen conclusie kan trekken. Uit reacties van sommige geciteerden is intussen gebleken dat het uitkijken is met die verwijzingen.

Zelfs het uiterlijk van Lomborg is gebruikt om het boek te kritiseren. Met zijn open gezicht en blonde lokken is de jonge Deen te mooi voor een wetenschapper, «maar ja», luidt het commentaar, «als het leuk oogt en iets controversieels zegt, lopen de media ermee weg».

Hoe weinig bekend is van de «werkelijke» toestand van de wereld bleek in december uit berichten over een onbekende inktvissoort. Met diepzeecamera’s zijn in de afgelopen jaren enorme exemplaren waargenomen, in oceanen ver van elkaar verwijderd. Kennelijk komt in een immens gebied een dier voor waarvan het bestaan tot voor kort onbekend was. In die context werd ook gemeld dat de diepzee zo’n negentig procent bevat van de biosfeer op aarde, en dat niemand enig idee heeft wat je er zou kunnen aantreffen. Het is te donker, gevaarlijk en duur voor uitvoerig onderzoek. Een professor van de Rutgers Universiteit zei dat tot nu toe slechts honderdvijftig vierkante kilometer van de diepzeebodem is verkend. «Het is in wezen één groot vraagteken.»

Bjørn Lomborg

The Skeptical Environmentalist

Uitg. Cambridge University Press, 496 blz., $28.-