Ik wil alleen maar slapen

Opheffer

Ik luister al een kwartier naar haar ademhaling. Regelmatig maar met ruis van slijm. D’r hoofd beweegt verder niet. Er is vandaag weer een kaartje gekomen: ‘Beterschap, binnenkort gaan we weer een borrel drinken.’


Ik wil het kaartje boven haar bed hangen, maar ik weet niet hoe. Ik zet het tegen een plastic beker aan.


Ik schrijf op een papieren servetje iets wat ik niet moet vergeten.


‘Hoe ver ga je met iets te beschrijven? Tot daar waar er geen woorden meer zijn.’


Waarom wil ik dit opschrijven? Wat een onzin. Ik stop het servetje in mijn zak.


Er komt een verpleegkundige. Ze is mooi — ik vind dat ik het recht heb naar haar borsten te kijken, hoewel ik dat nauwelijks doe. Ze controleert alles.


‘Ik zal haar wat morfine geven?’


‘Heeft ze pijn?’ vraag ik.


Ik wil het niet weten, en luister ook niet naar het antwoord.


Ik kijk door het raam naar buiten. Probeer te bedenken waar ik aan denken moet. Ik maak maar een lijstje. Marja bellen, dochter bellen, dan naar huis en weer in bed kruipen. Ik hou de laatste tijd erg van mijn bed, ik kan er niets aan doen. Ik wil zelf ook slapen en alleen maar slapen, misschien een vorm van solidariteit.


Ik moet beslissingen nemen, maar ik heb er geen zin in. Sommige beslissingen zijn heel klein, maar ook daar heb ik geen zin in. Ik kijk op de klok. Zelfs de beslissing om nu weg te gaan, kan ik niet nemen.


Ik keer weer terug naar het bed. Rustige ademhaling. Kalm. Hoewel, ze heeft nog slijm. Als ze maar niet stikt. Niet vergeten het daar met Pieter en Marja over te hebben. Is er gevaar voor stikken, dan moet er meteen een einde aan gemaakt worden. Waarom doen we dat nu eigenlijk niet? Ik weet het niet. Ik kan geen besluiten meer nemen.


Een week voor we het ziekenhuis in gingen nog een hilarische avond gehad met haar. Grappen maken over de euthanasie-verklaring. Nee, niet voor de geest halen. De kunst dezer dagen is om je niets voor de geest te halen. Gewoon het wachten moe worden.


Wat moet ik eigenlijk zeggen als ik straks wegga?


‘Nou mam, ik ga. Ik kom morgen weer. Je weet dat ik heel erg van je hou, hè.’


Geen reactie.


Zou ik het kunnen? Zou ik haar nu kunnen ombrengen? Nee, niet zomaar. Wel als het op een of andere manier gesanctioneerd zou worden. Als mijn broer en zuster er zouden zijn. Het vonnis kan ik wel voltrekken, maar niet zonder proces.


‘Nou, ik ga dus nu.’


D’r wang is warm; er staat zweet op haar voorhoofd.


Moet ik iets zeggen om haar te helpen, iets in de trant van: ‘Laat alles maar gaan, mam. Het mag…’


Ik kan het niet.


‘Nou, ik ga nu echt… Dahag.’


Op een gewone toon; alleen een geoefend oor zou het con sordino kunnen horen.


Ik kan niet weg, maar ik moet.


Een mens wordt geboren met een vermogen om een taal te leren, maar hoewel iedereen ergens altijd afscheid moet nemen, leren we maar niet hoe dat moet.


Ik loop de gang op, en daar kom ik mijn broer tegen.


‘Hoe is het met ’r?’


‘We hebben een walsje gedanst en daarna samen een lied van Maurice Chevalier gezongen.’


‘Ja, ik zag gisteren ook al dat het klote ging.’


Broer en ik staan wat onwennig tegenover elkaar.


‘Ben je lang geweest?’ vraagt hij.


‘Niet zo lang.’


‘Ik ga ook niet lang.’


‘Ze weet toch niet dat je er bent.’


‘Ja, godverdegodver.’


‘Ja.’


‘Nou ja… ik ga maar naar binnen… Komt Marja nog?’


‘Weet ik niet.’


We nemen afscheid.


Buiten wil ik mijn neus snuiten. Ik heb geen zakdoek. Ik pak het servetje waar ik daarnet iets op heb geschreven.