Ik wil goed nieuws

Opheffer

Wat blijft er over? Internet blijkt waardeloos. De kranten lopen terug. De opinieweekbladen zijn minder interessant. De televisie dan misschien? Daar hoeven we het niet eens over te hebben. Wat is het probleem?
We weten niet wat we met al die informatie moeten, waartoe zij dient. (Dat hoor je tenminste altijd: «We hebben te veel informatie!» Dat is natuurlijk onzin!)
Er is een gigantisch selectieprobleem. Dat is ontstaan doordat we «informatie» hebben leren zien als een verkoopbaar product dat moet voldoen aan de eisen van de markt. Je dient dus fraaie etalages te maken om je informatie in te zetten teneinde die te verkopen. Maar de wetten van de markt zijn niet de wetten der noodzaak: de etalage werd belangrijker dan de informatie zelf. Je kon ook non-informatie («Wie wil mijn spermadonor zijn» of «De stille tocht in Volendam») in die etalage zetten — en soms verkocht die zelf beter. (De toespraak van Hare Majesteit was een van de best bekeken programma’s van het afgelopen jaar. Lees nog even na wat de koningin daadwerkelijk heeft gezegd. Niets.)
De vrije markt heeft vaak een verwoestende invloed op de kwaliteit van een product. Mijn prach tige, kwalitatief hoogwaardige schoenen voor 650 euro, worden voor twee tientjes op de Albert Cuyp aangeboden — al zijn ze dan van plastic, ze zijn niet van echt te onderscheiden.
En dus staan onze informatiebronnen vol met non-nieuws: rare rubriekjes waar je lekker kunt eten en fijn kunt «shoppen», columns over eenzaamheid en familierelaties, grappige uitspraken van televisiepersoonlijkheden et cetera. Zou den die er niet instaan, dan konden die krant, dat televisieprogramma, dat radioprogramma en dat opinieweekblad niet bestaan.
Maar waarop moet je dan selecteren? Wat zijn de criteria voor nieuws? Het ontbreekt aan gezag, schreef ik al eerder. En het gezag dat er is, weet dat het gekapitali seerd moet worden — en je kunt je afvragen wat dat «gezag» vervolgens nog waard is.
De journalistiek verkeert in een crisis, maar we ontkennen die. Cri ses: niet meer weten hoe we nuttige informatie moeten verpakken, omdat we niet meer weten wat nuttige informatie is. Meningen worden aangezien voor feiten, en feiten voor meningen; verhoudingen zijn zoek. Tien doden in Volendam krij gen aandacht of de wereldoorlog is uitgebroken en de volgende dag krijgen vijftien doden in het verkeer geen aandacht. Terecht, ik zou die keuze ook maken, en ik weet precies waarom. Maar vreemd is het wel.
Smakelijke onderwerpen zijn Máxima en haar vader. Schuld en boete in Volendam waar een café is uitgebrand. Schuld en boete in Enschede waar een vuurwerkfabriek in een woonwijk stond. De advocaten die schadevergoedingen gaan eisen. Miljoenen en miljoenen. Natuurlijk: het is allemaal nieuws. Maar het nieuws van vorig jaar was — ik doel nu op de Bijlmer-enquête: de diensten van de overheid moeten meer op elkaar afgestemd zijn. Kijk, daar is niets van terechtgekomen. Met dat «nieuws» is niets gedaan. (Let op: uit de Bijlmer-rapporten bleek ook dat verarmd uranium niet zo gevaarlijk was. Nu gaat de Navo dat onderzoeken. Dat haalt dat hele Bijlmer-rapport onderuit.)
Hoe moet het dan? Ik weet het niet. De vrije markt zal snel ontdekken waar behoefte aan is. We moeten alleen hopen op echt goed nieuws. Maar wat dat is, waar dat is, wie dat heeft en kan opschrijven en hoe we dan gaan zien en lezen is aan mij en mijn collega’s.