Kritiek over de kritiek

Opheffer

Karl Marx heeft ooit een essay geschreven dat — zo begreep ik — de redding van het communisme (en eigenlijk ook van de sociaal-democratie) zou moeten zijn. Het heette: De kritiek over de kritiek. Ik kan het niet meer nazoeken, want alles van Marx is hier al jaren geleden naar het antiquariaat vertrokken, maar ik herinner me nog wat Marx betoogde.
Dat was dit: ook het marxisme moest zich dialectisch (these, antithese en synthese) ontwikkelen. Marx zag in dat de tegenstemmers van toen (Kok, Peper, Joschka Fischer) de pluche-zitters van vandaag zouden worden en door een voortdurende kritiek (Marx wilde een meer vragenstellende democratie dan een antwoordgevende democratie, werd ons uitgelegd) konden de machthebbers in de gaten worden gehouden.
Wij voelden in de jaren zestig, begin jaren zeventig feilloos aan wat Marx bedoelde. De sociaal-democratie en het communisme (het ene was wat radicaler en moediger dan het andere) stonden toen ook voor «de kritische attitude». (Zo heette dat toen.) Een weerslag van die houding zag je in de pers. Waarom las je de Volks krant, Vrij Nederland en de Haag se Post, benevens De Groene Am sterdammer? Ze waren «kritisch».
In de jaren tachtig is het begrip «kritiek», en vooral het begrip «maatschappijkritiek» totaal veranderd. Het nut van de vrije markt werd bezongen. Het nut van de vrije markt werd al snel de lof van de vrije markt. Was je eerst kritisch als je kon aantonen dat iemand onverantwoordelijk handelde omdat hij zijn werkgevers ontsloeg teneinde zijn inkomsten te vergroten, in de jaren tachtig was je kritisch als je kon aantonen dat iemand onverantwoordelijk was omdat hij geen ferme besluiten durfde te nemen. Winstmaxi malisatie werd een toets steen op grond waarvan je mensen en bedrijven kon bekritiseren.
«Het is een zwak bedrijf, ze doen niet aan winstmaximalisatie.»
Eigenlijk gingen we in ons kritisch denken terug naar de jaren dertig. En dat zie je nu nog, alleen wat vlotter: grote waardering en aandacht voor de allerrijksten, grote aandacht voor geldmakers, grote aandacht voor machtigen. Gewone mensen — ik weet niet wie dat zijn, want ze komen niet meer aan het woord. Men schrok in de jaren zestig waarschijnlijk van wat die te vertellen hadden.
De kritische pers werd de amuserende pers, al hoor je ze zelf steeds zeggen dat de inhoud beter verpakt wordt.
Alles gaat uiteindelijk om macht. Een krant die veel gelezen wordt, heeft meer macht dan een krant die minder gelezen wordt. Kritiek heeft altijd te maken met afbreken van macht, of dat nu terecht is of niet.
Een kritische houding is geen leuke houding, die is niet amuserend, hoewel zij wel onderhoudend kan zijn, want ruzieachtig. In diepste wezen is zij ernstig. Kritiek over de kritiek: je merkt er niets van.
Goed beschouwd lezen de politici maar twee kranten: Telegraaf en NRC. Natuurlijk, de Volkskrant wordt wel geraadpleegd en heeft wel invloed, maar men kan ook zonder. Men kan niet zonder Telegraaf of NRC. De Telegraaf is machtig omdat het de rijkste krant is, met de grootste redactie en dus ook met het meeste nieuws. NRC Handelsblad is machtig omdat daar de meeste goede artikelen in staan. Ik ken een paar kamerleden die Het Parool lezen (waar ik ook voor schrijf), en ze vinden hem allemaal leuk, onderhoudend, en soms goed.
Kritisch zijn: een journalist deed heel neerbuigend over de SP, die de meeste kamervragen had gesteld het afgelopen jaar, want elke vraag kostte wel tienduizend gulden, en er zaten toch een paar domme vragen bij.
Ik schaamde me voor het feit dat die journalist dat vond.