Vertedering misschien

Opheffer

Hij zei het slecht verstaanbaar en daardoor aandoenlijk: «Ik geloof dat er niemand is van wie ik zoveel heb gehouden als van jou, lieve schat», maar op datzelfde moment dacht hij: God, waarom straft u mij, juist op dit ogenblik van opperst verdriet, met een onverklaarbare opluchting?
Hij stapte vervolgens van het kleine podium af, liep naar de kist waar hij van het bloemstuk dat zijn laatste groet aan haar was een roos verschikte, en nam daarna weer plaats tussen zijn zoon en dochter.
Toen de kist zakte, kon hij zijn tranen niet bedwingen, maar dat kwam omdat hij de onmacht zag van zijn kinderen om met het verdriet om te gaan. Hij wilde ze zeggen: «Na dertig jaar was er misschien nog wel liefde, maar…»
Maar wat? Hij wist het niet. Het was iets, in ieder geval, dat hij niet meteen zou benoemen met de term liefde.
«Vertedering misschien.»
De man van het uitvaartcentrum vroeg hem als eerste het laatste afscheid te nemen, en hij dacht: Ja, Angele, het was op het laatst vertederend om met je om te gaan, maar ik hield niet meer van je.
In de aula werd hij uitgebreid gecondoleerd en het viel hem op dat er soms mensen lachend naar hem toe kwamen, omdat ze geen ander gezicht wisten te trekken, en dat hij dan vanzelf meelachte.
«Vergeet jezelf niet, Frans. Vergeet niet te leven», zei zijn baas. Hij knikte.
«Ik weet niet wat ik zeggen moet, Frans», zei zijn beste vriend.
«Het is goed zo», zei hij.
Opeens stonden hij, zijn oude moeder, de broer van Angele en de kinderen alleen en werden de kopjes koffie opgeruimd.
«We gaan naar ons huis een borrel halen», zei hij. En toen hij opeens alleen met zijn zoon, die veel ouder leek dan dertig, in de auto zat, zei hij: «Weet je, dat ik wel veel verdriet heb, maar dat ik ook opgelucht ben.»
Zijn zoon reageerde niet, en hij vervolgde: «Je moeder en ik hebben veel van elkaar gehouden, wat veranderde in… in veel voor elkaar doen. De afgelopen vijftien jaar — begrijp me alsjeblieft niet verkeerd — heb ik eigenlijk niet van haar gehouden. Pas toen ze ziek werd, en we wisten dat het onvermijdelijke zou komen, pas toen begon ik weer van haar te houden. Maar dat was, achteraf, toch meer vertedering… Ik voel me opgelucht, Jan. Neem je me dat kwalijk?»
«Nee pap», hoorde hij.
Maar hij wist dat zijn zoon het niet zou begrijpen.
Eenmaal in zijn huis voelde hij de leegte. Hij schonk voor iedereen een borrel in en werd opeens overvallen door een immens verdriet, een vorm van zwaarte — zo voelde het aan.
«Wat is er pap?» vroeg zijn dochter, maar hij schudde slechts zijn hoofd. Ik heb verdriet, echt verdriet, bedacht hij, maar waarover heb ik verdriet?
«Het geeft niet, Frans», zei zijn oude moeder, die zag dat hij niet kon spreken.
Ik wil verdomme Anja zien, dacht hij, ik voel me schuldig als een hond omdat ik Anja zie, en helemaal niet droevig ben om Angele.
Op het moment dat hij naar de kinderen keek, kwamen er wel tranen.
Ik moet Anja bellen, dacht hij, en hij stond op.
Iedereen begreep dat hij zich even verwijderde.
In zijn slaapkamer kwam de opluchting weer terug. Hij pakte de telefoon en belde.
«Hoe was het?» hoorde hij.
«Zwaar… Zwaar… Kom je vanavond hier?»
«Niet bij jou, dat kan ik echt niet», hoorde hij.
«Dan kom ik wel bij jou.»
«Dat is goed.»
«Maar dan kom ik wel iets later… In verband met de kinderen», zei hij.