Ik en de woorden

Opheffer

Het andere woord. Dat gebruik je voortdurend. Elk woord heeft een vriend of een vijand. (Soms verscheidene.) Het andere woord betekent hetzelfde, maar het lijkt in de spiegel te kijken. Eenzaamheid — alleen. Liefde — geilheid. Treurigheid — verdriet. Soms is het andere woord iets wat je niet verwacht. Depressie — romantiek. Dromen — angst. Afschuw — haat. Er zijn dan ook twee werelden. Je leeft in de ene wereld; je blijft aan de buitenkant. De wereld van: ‘Hoe is het met je?’ 'Alles goed, hoor.’ 'Ja, gaat ’t echt goed?’ 'Ja, hoor.’ 'O ja? Ik hoorde dat… dat het niet zo goed met je ging.’ 'Ja… ach ja… maar het gaat nu weer goed, hoor.’ Dan die andere wereld. ’t Gaat goed = ’t Gaat klote. Fijn = ik voel me kloterig eenzaam! Echt goed = begrijp je me dan niet, zak! Mondjesmaat laat je de werelden af en toe in elkaar overlopen. 'Leuk om je weer eens te zien’ (= 'Neem me alsjeblieft terug!’). 'Ik mis je’ (= 'Ik mis je’). 'Maar het is misschien beter zo’ (= 'Zeg alsjeblieft dat je dit ook verschrikkelijk vindt en dat je het anders wilt!’). Meestal houd je de werelden gescheiden. De wereld achter de ogen is verschrikkelijk, maar wat de ogen zien is niet minder afschuwelijk. Je moet alles scheiden. Woorden als afval. Afval zijn de woorden die je liegt uit beleefdheid. 'Het gaat echt stukken beter’ (= 'Ik ben bang dat ik er nooit overheen kom’). 'Het leven gaat nu eenmaal zoals het gaat’ (= 'Ik weet nog steeds niet waarom het zo heeft moeten zijn’). 'Alles went’ (= 'Ik heb pijn, ik heb verschrikkelijke pijn!’). Je had vroeger een armzalig woordgebruik. Je liep over het strand en je was gelukkig. En gelukkig betekende 'gelukkig’. Als je nu over het strand loopt, loop je in een herinnering aan hoe je gelukkig was. Dus voel je je ongelukkig. Maar je wilt steeds weer over het strand lopen, omdat die herinnering aan het geluk nog het enige geluk is dat je kent. 'Wat ben je stil’, vraagt iemand aan je. 'Ik geniet.’ 'Geniet je van de zee?’ 'Ja.’ Het gesprek dat je voert is een echo uit het verleden. Wat verschilt dit genieten van vroeger, terwijl de plek hetzelfde is, het geluid ook, en de zee waarschijnlijk eveneens. 'Ik knap altijd ongelooflijk op van zo’n wandeling’ (= 'Ik besef dat je me niet terug wilt’). 'En dan gaan we naar mijn huis en nog wat drinken’ (= 'Laat me alleen, ik voel me ellendig en wil dronken worden’). Vroeger keek je nooit naar jezelf; je zou ook niet veel hebben gezien. Maar nu zie je steeds die man uit de andere wereld. Hij zoekt naar woorden als een schooljongen in z’n broekzak naar een touwtje. Tegenwoordig modelleert hij zijn haar. Hij kijkt naar de lucht die nooit meer blauw is. (Blauw = grijs.) Kijk je eigenlijk anders als je ouder wordt? Je wilt opgetild worden; je gaat omhoog en naar een andere wereld, al zwevend, zwevend naar woorden die betekenen wat ze moeten betekenen: liefde, lief, mooi, schoon, heerlijk, zalig: ik & jij.