Ik mis wat

Opheffer

De dood is voor mij geen vijand meer. Gerard Reve zegt ergens dat de dood op een bepaald moment in je leven een ‘medereiziger’ is geworden. Dat is bij mij nu zo. In de directe confrontatie zal ik nog wel angstig zijn, maar zomaar bang ben ik niet meer voor hem.

Er zijn wel andere angsten voor in de plaats gekomen. Bijvoorbeeld dat ik niet echt meer verliefd kan worden. En ook — nog groter — de angst dat ik het iemand niet naar de zin kan maken. En ook de angst — lach hier alsjeblieft niet om — dat mijn hoofd mijn gedachten niet meer aankan. Ik kan geen meisje meer zien of ik zie haar in een kist liggen terwijl ik aan haar graf sta. Nog afgezien van het feit dat ik, zodra ik met iemand praat die ik wel leuk vind, onmiddellijk onderzoek hoe mijn leven met zo iemand zou zijn.

Kom ik in het park een meisje tegen dat ‘hallo’ zegt, dan gaan de gedachten: ‘Ze is mooi, want ik word ongelukkig met haar. Ik word ongelukkig omdat ze eigenlijk geen smaak heeft — heb je die kleren gezien. Verder is ze weer niet top-knap, maar gewoon een zeven. Ze is aantrekkelijk, en ik wil met haar naar bed. Maar dat wordt ellende. Of toch niet? Ze is mooier dan ik denk. Zoiets moois krijg ik trouwens nooit meer. Nooit meer. Zelf heb ik trouwens ook geen smaak. Kijk eens hoe je er bijloopt…’

Dat gaat dan door en door en ik kan niet stoppen. Het mondt meestal uit in luide verwijten aan mezelf en dat ik dan maar weer in bed kruip.

Alles wat ons amuseert: literatuur, radio, televisie, kunst, muziek, computer, noem maar op — het zijn altijd onderdelen of letterlijke afleidingen van onze geest. Een radio is het deel van mijn geest dat hoort, de televisie dat deel dat ziet, de computer dat deel dat onderzoekt, de literatuur dat deel wat beelden vormt door woorden. En bij mij is alles nu door elkaar heen aan het lopen. Mijn leven is een saaie soap, een slecht toneelstuk en een nogal langdradig boek maar toch bloedspannend, want hoewel ik niks meemaak, maak ik van alles mee op de vierkante centimeter.

Elke vrouw is een potentiële minnares, elke tocht naar de bakker een wereldreis, elke dag een nieuwe aflevering. Maar ik stap aldoor bijna in de afgrond van mijn eigen cliffhangers.

Waar ik helemaal gek van word zijn de mensen die menen dat er een directe relatie bestaat tussen de dood van mijn moeder en mijn depressie. (Ja, ja, ontken het maar niet.) Het is niet zo. Ik heb geen moment om mijn moeder gehuild, dat is waar. Maar dat hoefde ook niet. Had al uitgebreid en prettig afscheid genomen. Ik mis haar, maar het is allemaal veel minder dramatisch dan de dood van mijn vader destijds was.

Ik voel me rottig omdat mijn leven niet op orde is. Letterlijk: geen orde. Alleen maar angst. Zo kost het me grote moeite om dit stukje te schrijven want het gaat nergens over.

Er zouden overigens veel meer programma’s met oorlogsbeelden op de televisie moeten komen. Zo heb ik voor de VPRO het programma Huilende mensen bedacht. Een kwartier lang — half uur mag ook — alleen maar huilende mensen in beeld gebracht. Opgenomen bij begrafenissen, ziekenhuizen, advocaten, financiële instellingen. Veel close-ups! Dat zou iedereen erg goed doen. VPRO wil het niet. Nee, maar wel die elite-kitsch van Van de schoonheid en de troost.

Trouwens, voor de Amsterdamse televisiezender AT5 heb ik ook bedacht: de begrafenis van de dag. Elke dag is er wel een fijne begrafenis waar we meer van willen weten. Laten zien, zou ik zeggen. En ik wil niet alleen nare dingen, want ook wil ik een kwartier lang ‘spelende jonge poesjes’ zien. Er is nog hoop.