Voor het eerst sinds tien jaar

Opheffer


Hij stond er op zijn eigen receptie wat verloren bij — en keek naar Esther die hem, jaren geleden alweer, verruild had voor Florus, zijn baas.


Het was een daad geweest die hij wel begreep — Florus wás leuker, charmanter, rijker en… invloedrijker dan hij — maar hij kon het haar nauwelijks vergeven. Want ik hou nog steeds van je, dacht hij.


‘Wat ziet Esther er leuk uit, vind je niet?’ zei zijn vrouw.


‘Ja’, zei hij.


‘Ze ziet er altijd leuk uit’, ging z’n vrouw door.


‘Ja, ze verzorgt zichzelf goed.’


‘Hoe zou het eigenlijk komen dat ze nooit een vent heeft gevonden?’


‘Ik denk dat ze haar vrijheid erg op prijs stelt… en ik denk dat ze niets tekortkomt’, zei hij.


Bij mij is ze misschien wel tekortgekomen, dacht hij, ik heb haar een paar keer laten zitten.


‘Ze is echt een lieve schat’, zei z’n vrouw.


Hij knikte.


Esther en Florus en zijn vrouw Mies — dat dat stomme mensje niks doorhad! — kwamen hem nu een handje geven. Hij kuste Mies (‘Leuk je weer te zien, Mies, we moeten gauw eens afspreken’), drukte de hand van Florus (‘En nog bedankt voor het geld, Florus’) en daarna kreeg hij, voor het eerst sinds tien jaar weer een kus van Esther.


Zijn hart klopte — en hij voelde zich opeens onzeker.


Terwijl hij haar parfum rook en tevergeefs naar iets vertrouwds zocht (terwijl alles hem juist al zo vertrouwd voorkwam), dacht hij alleen maar: Stom! Stom! Stom! Wat ben ik stom geweest!


‘Gefeliciteerd’, zei Esther.


‘Dank je.’


En daarna zag hij hoe Esther zijn vrouw een hand gaf.


‘Je ziet er zo mooi uit, Es’, zei z’n vrouw oprecht.


‘Naakt is ze nog mooier, lieverd’, wilde hij zeggen.


Esther sprak, net als vroeger, tegen zijn vrouw alsof het een kind was — waar wel iets van waar was.


‘Gaat alles goed met je?’


‘Ja’, zei z’n vrouw.


‘Fijn… Nou, plezierige dag nog.’


Hij durfde Esther niet aan te kijken.


Elke receptie heeft iets tragisch, ondanks de feestelijke reden: je sluit altijd iets af; het verleden overheerst en kort samengevat is elke terugblik een vorm van stil verdriet. Hij werd gefeliciteerd, haalde herinneringen op, maar kon niet nalaten steeds weer naar Esther te zoeken die als een zachte poes langs de mensen heen schoof.


Hij probeerde zijn gedachten op een rij te zetten. De wereld, vond hij, zit oneerlijk in elkaar. Het is niet oneerlijk dat we wel van de een houden en niet van de ander; het oneerlijke zit hem in het feit dat we op beslissende momenten gebrek aan moed hebben.


Hij zag hoe Esther gelukkig leek, en gek genoeg deed dat hem pijn.


‘Ik had haar gelukkiger kunnen maken dan ze nu is — en mezelf ook. Maar waarom heb ik dat dan niet gedaan, zak!’ zei hij tegen zichzelf. Hij probeerde het antwoord te vinden door naar zijn eigen vrouw te kijken: de overgang had alleen haar hulpeloosheid intact gelaten. En het was alsof ze steeds hulpelozer werd. Terwijl hij naar d’r keek stootte ze een glas om en morste ze rode wijn over haar nieuwe jurk. Hij wendde z’n hoofd af en zocht Esther weer op, die aangenaam lachte.


Opeens werd het stil — de mensen gingen weg; het was al over zessen.


Florus, diens vrouw, zijn maîtresse Esther, zijn vrouw en hij stonden met z’n vijven in de lege zaal.


‘Het was een mooie receptie, Rob’, zei Florus als een echte baas.


‘Dank je’, zei hij.


‘Kunnen jullie Mies naar huis brengen?’ vroeg Florus toen, ‘want ik moet met Esther als een gek nog naar een vergadering in Arnhem.’


‘Tuurlijk’, zei hij en de knipoog van Florus was als een mes waar hij in viel.


Hij zag de heerlijke benen van Esther en zei toen: ‘Kom op, Mies, Anne en ik brengen je wel even naar huis.’