Ik praat met dieren

Opheffer

Ik hoor ook stemmen — en ik zou inderdaad naar een psychiater moeten, maar dat weiger ik, want ik wantrouw de psychiatrie.


De stemmen die ik hoor zijn van bekenden — meestal doden. Maar ik praat, net als Fransiscus, ook met dieren; alleen zeiden ze tegen Fransiscus iets terug: ik moet het doen met de taal van hun staart, van hun lichaam en van hun ogen.


Vooral met de hond van mijn moeder voer ik intieme gesprekken.


‘Ik lijd aan een vorm van krankzinnigheid’, zeg ik tegen hem. ‘Het is voor mij niet erg, Jasper, maar de omgeving kan er niet meer tegen.’


Jasper kijkt mij aan en legt zijn kop op mijn schoot.


‘Jij bent oud, jij bent bijna dood’, zeg ik, ‘maar ik nog niet. Als ik oud en bijna dood zou zijn, was het misschien niet erg om te vervallen in krankzinnigheid. Maar ik voel mij, zeg maar, een jonge hond. Maar ik kan nergens heen dan alleen naar mijn eigen kop. En daar dwaal ik rond, en niemand kan mij vinden. En ik mezelf ook niet. Begrijp je wel?’


Hij luistert geloof ik niet naar mijn wartaal, want hij wil over zijn kop worden geaaid, wat ik ook doe.


‘Ik haal mij dingen in mijn hoofd, maar in veel te ernstige mate’, zeg ik. ‘Ik haal me altijd dingen in mijn hoofd, maar ik word er nu ziek van. Ik heb het gevoel dat ik afgestoten word, dat ik niet meer voldoe. Ik voel mij eenzaam, terwijl iedereen zegt dat ik me niet zo moet aanstellen. Ik ben onzeker.’


Jasper gaapt. Hij heeft gelijk. Wat ik heb, kent hij niet. Honden kunnen niet naar zichzelf kijken en zich daarover verbazen, zoals wij dat kunnen. Een hond zal nooit een idee over zichzelf hebben.


‘Ik ben langzamerhand gek aan het worden, Jasper.’


We wandelen door het park. Ik hoor een man zeggen dat hij de weg kwijt is.


Precies dezelfde woorden, maar dan met de bedoeling om mij te typeren, sprak mijn goede vriend M. laatst. ‘Je bent de weg kwijt.’


‘Hou toch op met dat gezeik. Wat is dan de goede weg?’


‘Je moet jezelf ter hand nemen en je niet aanstellen. Je moet stoppen om het over jezelf te hebben, om over jezelf na te denken en aan jezelf te twijfelen.’


‘Ik ben zo onzeker.’


‘Dat zou iedereen worden die net als jij de hele dag maar naar zichzelf zit te koekeloeren. Jij kijkt niet meer naar wat er werkelijk aan de hand is; je interpreteert alles met dat krankzinnige hoofd van je, waardoor je steeds krankzinniger wordt.’


‘Ik kan niet anders.’


‘Denk niet na over jezelf.’


De hond van mijn moeder is nooit de weg kwijt. Ik denk dat hij zelfs niet beseft dat hij ouder wordt. Hij probeert dingen te doen — een weggegooide stok halen, achter de vrouwtjes aanzitten, in het water springen en zwemmen —, dingen die hij eigenlijk nauwelijks meer kan, maar het is net of hij niet beseft dat hij dat beter kan laten.


‘Wij mensen kunnen ons makkelijk verdrietig voelen. Wie zich gelukkig voelt, heeft meestal een gebrek aan intelligentie, zoals jij, Jas.’


‘Waarom wil je dan geen hond zijn?’


‘Omdat ik dan ook zou missen hoeveel ik van J. houd. Omdat ik dan ook niet zou weten wat leven is.’


Ik pak de stok uit zijn bek en gooi die weg. Hij sjokt erachteraan; voorbijgestreefd door andere, jongere, fanatiekere honden waar hij tevergeefs tegen gromt. Geen jaloezie, geen haat, hij gromt en doet mee, en zijn staartje kwispelt terwijl hij aan alle kanten vernederd wordt.


‘Er is nooit een grote hondenoorlog geweest’, zeg ik tegen hem, ‘daarom zijn jullie allemaal veel gelukkiger dan wij.’


Nadat zijn neus eerst een tijd aan een achterwerk gekleefd leek, probeert Jasper op een vrouwtje te klimmen. Ze snauwt hem weg.


Het doet hem niks.