Pap, ik wil trouwen

Opheffer

Hoewel hij al meer dan dertien jaar dood is, loop ik nog steeds af en toe met mijn vader door het park. Meestal leg ik hem dan mijn visies voor. Vaak mort hij; de laatste jaren maakt hij instemmende geluiden. Hoe meer hij het met mij eens is, des te — gemeten naar vroeger — verraderlijker mijn meningen zijn.


Vorige week was mijn vader voor het eerst sinds zijn leven en dood zeer gelukkig met mij.


‘Pap, ik wil een partij oprichten… Ik voel weer een passie voor de politiek… Ja, ik weet dat je dat minder vindt, maar luister naar wat voor een partij ik wil oprichten. Ik wil een… conservatieve partij oprichten. De Partij van het Behoud.’


‘Mooi.’


‘Ja, ik was al bang dat je dat zeggen zou. Maar laat me uitleggen wat ik wil. Ik geloof heel sterk in het Modern Conservatisme. Ik ben nog altijd voor verandering en verbetering, maar veel is af. Domweg klaar — en dat moet behouden blijven, terwijl ze het willen veranderen. Huizen, straten — die moeten niet allemaal plat, maar die moet je behouden. Het modern conservatisme wil meer herstellen dan kapot maken.’


‘Mooi, jongen.’


‘Jawel, maar luister nou, pap. Want ik ben ook echt progressief. Zo ben ik werkelijk begaan met wat er in Suriname en onze Antillen gebeurt. Ik trek me werkelijk het lot aan van de jongeren daar, die geen kansen hebben. Ik deel de analyse dat het intellectuele kader daar is weggetrokken en dat we die mensen goed moeten helpen. En daarom… en daarom pap… en daarom ben ik voor het Neokolonialisme!’


‘Dat klinkt heel mooi.’


‘Nee, je begrijpt me niet, pap! Ik ben voor een Neokolonialisme. Je mag het ook een Modern Kolonialisme noemen of een Liberaal Kolonialisme. Het gaat er gewoon om dat ik vind dat wij, Nederlanders, daar de economie moeten regelen en dat aan die mensen daar leren. Neokolonialisme!’


‘Prachtig, zoals wij in Indië deden.’


‘Nee pap. Nee. Ik wil samen met die mensen daar werken. Ik wil het land weer een plek op de atlas geven. De mogelijkheden zijn er, de producten zijn er; Suriname is eigenlijk een rijk land. Het moet kunnen.’


‘Zeker, jongen.’


‘Nee, je begrijpt me niet, pap.’


‘Het gaat er om, dat we anders moeten gaan denken. Meer aan behoud dan aan verandering. We moeten andere waarden aanleren. Het materialisme is een doodlopende weg. We moeten nederiger worden. En…’


‘Heel goed.’


‘Nee, je begrijpt me niet, dat heb je nooit gedaan. We moeten weer eens kijken wat nieuwe waarden en normen zijn. Neem het probleem met de asielzoekers. We moeten die mensen stevig Nederlands leren. We moeten de leerplicht voor hun kinderen versterken en verhogen. We moeten die ouders van die leerlingen ook leerplichtig maken. Ze moeten meer van Nederland weten dan nu. Ze moeten ook meedoen aan onze cultuur. Ook de vader van Mohammed moet weten wie Arnon Grunberg en Multatuli zijn! En we moeten er niet te veel toelaten, want dat kan niet. We moeten heel streng zijn. Wie wat kan, mag hier komen. Wie niets kan, moet weg blijven.’


‘Heel goed.’


‘Nee, je begrijpt het gewoon niet. We moeten meer werken aan respect. We moeten weer bang worden voor de politie. We moeten meer en beter werken aan ons eigen geweten. We moeten goed doordrongen worden van goed en kwaad. Er moeten voorbeelden komen.’


‘Ja, precies.’


‘Waarom geloof je me nou niet! We moeten trots zijn op ons land, we moeten trots zijn op onze taal, we moeten trots zijn op onze cultuur, we moeten trots zijn op onze verworvenheden… En daarom wil ik een nieuwe politieke partij oprichten. De Partij van het Behoud. En ik wil trouwen, pap. Ik heb nog geen meisje. Maar als ik een meisje heb, wil ik met haar trouwen. Ik wil trouw zijn. Trouw. Ik wil gelukkig zijn.’