Mam, wie ben ik?

Opheffer

Daar zit ze: de vrouw die vroeger mijn moeder was en nu bijna mijn kind is.

Als ze me ziet, begint ze te huilen.

‘Wat is er, mam?’

Ze kan het niet zeggen.

'Pfrs… fgro… fgde el… el… el…’

Ik kan niets anders doen dan haar hand pakken. Ze is smerig.

Ze zit onder de chocola. Ik maak haar schoon met een zakdoekje.

'Weet je wie ik ben?’ vraag ik.

Ze knikt.

'Wie dan?’

'Ik weet het wel.’

'Zeg het dan.’

Ik ben blij dat ze opeens goed praat.

'Ik… weet het… wl…’

'Ja, ik weet dat het je weet, mam. Maar zeg het dan?’

Ze denkt na en begint weer te huilen.

'Hè mam, wat is het nou erg dat je m'n naam niet weet. Dat is toch niet iets om te huilen?’

'Jawel’, zegt ze.

Het is oudjaarsdag.

'Morgen begint het jaar tweeduizend’, zeg ik.

Het interesseert haar niet.

Ze kijkt naar de Surinaamse mevrouw die tegenover haar in een rolstoel zit.
Er komt een lieve dame die haar eten brengt, die leidt haar ook af.

'Zo mam, je boft, moet je kijken wat lekker…’

Ik lees het menu voor dat op een blaadje onder het bord staat: 'Kipfilet, appelmoes, aardappeltjes, snijbonen en toe een bakje fruit met yoghurt.’

Mijn moeder kijkt ernaar. Ze wil eten. Ik laat haar haar gang gaan.
Ze pakt als eerste het bakje met fruit en yoghurt.

'Wat doe je nu, mam… Ga je eerst je toetje eten?’

'Zefgge’, zegt ze.

'Wat zeg je?’

Ze is heel geconcentreerd bezig, en misschien dat ik het daarom niet wil onderbreken, maar ze neemt het bakje met fruit en yoghurt en kiepert dat om in haar bord met kipfilet, appelmoes, aardappeltjes en snijbonen. Vervolgens begint ze alles te husselen.

'Mam, wat doe je nou?’

Ze wil eten, en doet dat ook.

'Je gooit alles door elkaar.’

'Weet ik’, zegt ze.

'Waarom doe je dat?’

'Weet ik.’

'Ja, waarom doe je dat?’

'Weet ik… weet ik… weet ik…’

Ik doe er niets aan. Ze eet - en met smaak, lijkt het.

'Is het lekker?’

'Zwegge.’

'Wat?’

'Zwegge.’

Ik veeg haar mond schoon.
Ik pak een handdoek van een wastafel en knoop die onder haar mond - het helpt niet veel.
Dan komt er opeens een dokter de zaal binnen. Hij kijkt mij aan.

'Wilt u even meekomen?’ vraagt hij.

'Natuurlijk.’

We lopen door een gang die te warm is. Ik mag een te klein kamertje in.

'Het lijkt wel of uw moeder achteruit gaat’, zegt de dokter.

Ik knik.

'Misschien… Tja… Ik vertrouw het toch niet, mijnheer Holman… Ik wil toch weer een hersenscan laten maken.’

Ik knik, en voel dat ik opeens heel nodig naar de wc moet, maar ik hou me in.

'Moet ik haar dat vertellen, dokter?’

'Dat moet u zelf weten’, zegt hij.

'Dank u’, zeg ik.

Ik kan nu niet naar mama.
Ik bel mijn broer; hij belt mijn zuster.
Buiten godver ik over de Amstel; over vier uur is het 2000.