Schrijven is omschrijven

Opheffer


In de literatuur mag je, als je iemands eenzaamheid wilt beschrijven, nooit zeggen: ‘De man was eenzaam.’ Je moet dat begrip vermijden, maar bijna terloops opmerken hoe hij bijvoorbeeld uren achtereen op een stoel zit in een groot huis en naar buiten staart en jonge mensen ziet die hand in hand lopen en soms gearmd; hoe hij vervolgens uren op de bank kan liggen, denkend aan niets in het algemeen en aan alles in het bijzonder; hoe hij de stemmen hoort uit een verleden dat niet eens zo heel ver weg is; hoe zijn moeder, enkele weken geleden gestorven, hem berispt en hoe een oude vriendin hem uitlegt dat het toch allemaal zijn eigen schuld is. Je moet beschrijven hoe hij zich bewust is (en steeds weer wordt) dat het allemaal zijn eigen schuld is, zonder ook dat begrip schuld te noemen, maar je kunt bijvoorbeeld een herinnering beschrijven aan hoe hij vroeger genoot van het ontbijt met z’n tweeën, hoe hij genoot van het samen doen van boodschappen; je mag als schrijver dan ook best een romantische kant van zijn karakter laten zien: hoe hij gedichten en verhalen voorlas in bed, hoe hij soms diep in de nacht lekkere boterhammetjes ging klaarmaken. Je mag zo’n man — die nog steeds op de bank ligt, want hij ligt eigenlijk alleen maar op de bank — ook wel weer naar het raam toe laten lopen, en je zou hem dan bijvoorbeeld de volgende monologue intérieur kunnen laten houden: ‘Ik moet eigenlijk in het bad, maar dat kan ik niet. Ik kan niet van hier naar de badkamer lopen, dat red ik gewoon niet. Ik moet weer op de bank liggen…’ En terwijl hij zelfs dat niet doet — hij gaat alleen weer op de stoel voor het raam zitten — kun je hem bijvoorbeeld weer laten mijmeren, al moet je oppassen dat je hem niet de hele tijd over zichzelf laat denken en praten en zeuren, want dat vindt de lezer niet leuk. Je kunt bijvoorbeeld iemand laten aanbellen (de lezer noch de man weet wie dat is) en daarna kun je de man wel iets laten denken in de trant van: ‘Ik wil wel opendoen, maar ik kan niet. Ik kan niet naar de deur toe lopen. Waarom kan ik dat eigenlijk niet? Ik weet het niet. Ik kan het gewoon niet.’ Je moet dan niet de fout maken om de man te laten denken: ‘Maar misschien is zij het wel’, want dat denkt hij namelijk helemaal niet — hij weet dat het iedereen kan zijn, maar zij zeker niet. Hij wil zelfs niet weten wie het is — maar ook wil hij niet meer op die stoel voor het raam zitten, en dus moet je, als schrijver, hem dan weer naar die bank laten gaan, waar hij gaat liggen en eerst zijn handen voor zijn ogen slaat. Het is onduidelijk waarom hij dat doet, want niemand ziet en hoort hem, maar het is een mooi beeld. Vervolgens kun je hem weer in een gedachtestroom terecht laten komen. Maar pas op dat je hem — zoals in de werkelijkheid — niet weer een opsomming laat geven van alles wat hij in het verleden fout heeft gedaan: zijn kleine leugens, zijn spel met zijn grote ego, z’n onachtzaamheid, of beter: z’n constante gebrek aan aandacht, omdat hij vooral en voortdurend met zichzelf bezig was — nee, je kunt hem in slaap terecht laten komen, want slapen doet hij ook veel. En in die slaap kun je hem laten dromen, al moet je daarmee erg oppassen. De man kan in die droom zijn vader weer zien — dat moet je niet dramatisch opschrijven —, die vader doet eigenlijk niet zo heel veel in die droom, maar wel probeert die man iets aan die vader te vragen, vermoedelijk hoe het met mama is, maar een antwoord krijgt hij natuurlijk niet (later moet je als schrijver deze passage misschien schrappen). In werkelijkheid kan het gebeuren dat zo’n man veel droomt over zijn moeder, maar schrijf dat niet op! want de lezer weet nog — wat ik hier nog niet heb gemeld — dat die man 47 is — en die wil, hoe ellendig die kerel er ook aan toe is — toch niet lezen dat hij de hele tijd aan z’n moedertje denkt. Laat hem ook niet de hele tijd aan zijn vriendin denken. Je moet in een verhaal die man ook niet, zoals in de werkelijkheid, de hele tijd maar aan zijn lul laten zitten omdat hij zich tot gekwordens toe aftrekt. Maar je kunt weer wel, terwijl hij droomt, opeens de telefoon laten gaan, terwijl die eigenlijk helemaal niet rinkelt, en die man dan laten gissen of hij die telefoon nu in zijn droom heeft gehoord of in werkelijkheid.