Depressie is niet meer wat het was

Opheffer


Het heeft vermoedelijk met de hoogconjunctuur te maken: het gebrek aan waardering voor de depressie. Vroeger was een depressie een moderne vorm van romantiek; de constante treurigheid die als een slonzige jas om je heen zat, gaf je iets dichterlijks.


‘Hoe voel je je?’


‘Mmm…’


‘Nog depressief?’


‘Mmm… ja…’


‘Nou ja… Wees blij dat je niet zo’n opgewonden standje bent dat constant op de beurs loopt te kijken of hij al miljonair geworden is.’


Tegenwoordig is die beursknaap bewonderenswaardig.


Ik zag het vijftien jaar geleden al gebeuren. Opeens waren er kunstschilders die geen met verf besmeurde overall aanhadden, maar een kostuum van Versace. Die trend zette zich door, zodat thans krompratende en fatterige museumdirecteuren als kunstenaars worden gezien.


En alles moet maar snel en kort.


‘Jongens, ik heb een leuk verhaal.’


‘Nu even niet, als je het niet erg vindt, we zijn bezig een A4’tje op te stellen om de allochtonen-subsidie te krijgen… Wat vind je van de zin: “Onze kunst heeft tot doel de integratie te bevorderen tussen de verschillende etnische minderheden in Amsterdam en daarom willen we vooral Marokkaanse jongeren mee laten participeren in ons project…”’


Niemand is ook meer depressief. Iedereen is succesvol — ook al is hij het in mijn ogen niet.


‘Sinds ik in de WAO zit, loop ik in het Vondelpark en dan zie ik zoveel meer. Ik geniet van de duiven in de bomen en ook hoe de hondjes met elkaar spelen, verruimt mijn geest en bevordert mijn kijken. En zo ben ik ook tot het maken van mijn aquarellen gekomen. Ik hoef ze niet te verkopen, ik wil ze ook niet verkopen, ik heb me nog nooit zo rijk gevoeld…’


Rare ideeën zijn ook uit. Gewone ideeën zijn in.


Zo kreeg ik onlangs de volgende brief.


‘Beste Opheffer. Je kent ons televisieproductiebedrijf. We hebben nu een bijzonder idee waarvoor we jouw medewerking willen vragen. We willen een hoofdstedenquiz gaan maken voor de televisie. Omdat jij veel met Amsterdam hebt, wilden we jou polsen of je presentator daarvan wilde worden. De hoofdstedenquiz lijkt ons erg leuk, want mensen reizen tegenwoordig over de hele wereld. Ze doen veel kennis op, maar kunnen eigenlijk niets met die kennis doen. Waar staan die vreemde gebouwen van Gaudi? En waar brandt de vlam van de onbekende soldaat? Of: Welke musical speelde zich af in Covent Garden? Als je dit ook een goed idee vindt en je wilt auditie doen voor presentator, wil je ons dan bellen?’


Ik heb een kaartje teruggestuurd van de Dam in Amsterdam met als tekst: ‘Ik vind het een enorm kutidee. Ik bel jullie dus niet.’


Dit soort klotebrieven — ze zijn de stof waarvan depressies worden geweven. Ik denk dat ik daarom ook steeds meer keiharde reality-tv wil zien. Een fijne zelfmoord op tv — mooi zo. Of omgekeerd — eigenlijk liever — zou ik de hele dag willen kijken naar een gelukkige jonge vrouw. De camera volgt haar de hele dag. We horen haar bellen met haar vriendinnen, met haar moeder, we zien haar nauwelijks neuken met haar man (‘Ben je klaargekomen?’ vraagt hij. ‘Hoeft toch niet?’ zegt zij) en we zien haar ’s ochtends haar konijnenslippers aantrekken als ze naar de douche gaat.


Ik zou daar gelukkig van kunnen worden.