J.L. Heldring over een uitgestorven politieke beweging

Opheldring over het conservatisme

‘Het conservatisme in Nederland is in de negentiende eeuw uitgestorven’, meent Jerome (J.L.) Heldring, al decennia ’s lands bekendste vertolker van het conservatieve geluid. Een gesprek over conservatieven met kleine c en de dood.

‘IN NEDERLAND BESTAAN helemaal geen conservatieven. Mensen die het zijn, noemen zich anders en mensen die zich zo noemen, zijn het niet’, vat Jerome Heldring samen. Al decennia geldt Heldring (1917) als boegbeeld van het Nederlands conservatisme of anders als ‘enige conservatief van Nederland’, zeker sinds hij in 1974 het essay Lof van het Conservatisme publiceerde in NRC Handelsblad.
De zoon uit een Amsterdamse handelsfamilie studeerde in de jaren dertig rechten in Leiden en begon na de oorlog aan een lange carrière bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant, eerst als buitenlandredacteur, later als hoofdredacteur. Twee jaar na de fusie met het Algemeen Handelsblad trad hij terug en werd directeur van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken. In brede kring maakte hij naam met zijn column Dezer dagen, die al sinds 1960 in NRC Handelsblad verschijnt.
Heldring ontvangt in zijn appartement op de tiende verdieping van een Haagse verzorgingsflat, uitkijkend op het Haagse Bos en de hoogbouwwedstrijd tussen de ministeries in het stationsgebied. ‘Ik heb mij prima met Den Haag verzoend’, zegt hij met understatement. Het huis is vol herinneringen: anderhalve meter tafel met familiefoto’s, vitrinekasten met oude boeken en souvenirs, kristal, schilderijen. We spreken aan de eettafel, met een oude uitgave van F. Bordewijks Studiën in Volksstructuur op een hoek, thee uit Engels servies en een koekje van een zilveren schaal. In de huiskamer tikken de breinaalden van Heldrings echtgenote.
‘Toen ik mezelf openlijk als conservatief neerzette, oogstte ik daarmee vooral verbazing en verbijstering’, zegt Heldring. ‘Het waren de jaren van Den Uyl en de tijdgeest was compleet anders. Den Uyl zelf waardeerde ik nog best, maar het waren vooral Nieuw Links en aanverwante stromingen die het debat domineerden. Mijn essay leidde zelfs tot Kamervragen. Het verscheen op het eindexamen als tekst om samen te vatten. Een afgevaardigde van de PPR wilde vervolgens van de minister weten of dat niet verboden kon worden. Het zou kinderen nog op verkeerde ideeën kunnen brengen.
Ik kreeg wel adhesiebetuigingen en ik heb ook wel geestverwanten in de Nederlandse politiek, met name bij de christen-democraten of de liberalen. Maar zij noemen zich dan niet conservatief. Dat is jammer, maar het is tegelijk niet iets waar ik me veel aan gelegen heb laten liggen. Ik heb nooit de behoefte gehad om mensen te bekeren tot conservatieve ideeën. Ik leg bepaalde vragen aan de lezer voor en probeer hem te herinneren aan gedachtewerelden die in Nederland zijn ondergesneeuwd. Ik heb getracht een bijdrage aan het politieke discours te leveren en ik heb daarbij het voorrecht gehad van een podium als NRC Handelsblad. Ik zie mijn columns ook niet als politieke bijdragen. Mijn conservatisme is niet zozeer politiek als wel beschouwend, om het grote woord “filosofisch” niet te gebruiken. Leszek Kolakowski, die een paar maanden geleden overleed, zei eens: het leven is tragisch omdat het eindigt met de dood. Dat is een tragisch, maar wel een eerlijk perspectief. Het is een levensvisie die leidt tot een minder idealistische visie op de maatschappij. In de politiek zijn progressieven en mensen met idealen nodig om tot actie te komen, conservatieven zijn nodig om de beperkingen aan te geven. Maar het conservatisme vereenzelvigen met een politieke stroming maakt het te beperkt. Het is niet zo dat ik tegen of voor bepaalde beleidsdaden ben omdat ik conservatief ben. De conservatieve levensvisie leidt wel tot bepaalde inzichten, maar de politieke boodschap is altijd secundair.
Het conservatisme als levensbeschouwing is een reactie op overmatig optimisme over de mens en de samenleving. Het is een pessimistischer visie op de maatschappij, die rekening houdt met het menselijk tekort. Of anders gezegd: het conservatisme heeft meer oog voor het tragische van het leven. Met die definitie ben je al een heel eind van de politiek vandaan. Maar dat maakt het niet minder waar.’
HELDRING HEEFT EEN leven lang gemerkt hoeveel invloed het label heeft dat aan de conservatief hangt: ‘Wat ik betreur, is dat conservatieven in Nederland te vaak niet als serieuze gesprekspartners worden beschouwd. In sommige kringen staat “conservatief” gelijk aan “anti”. In het debat over Europese integratie, bijvoorbeeld, is decennialang de houding geweest: conservatieven zijn toch overal tegen, dus daar hoeven we ook niet naar te luisteren.
Dat is een fundamenteel verkeerde houding ten opzichte van het publieke debat. En het debat verandert daar ook door. Een andere visie is alleen al belangrijk om er een intelligent verweer op te formuleren. Maar een open debat is ook van levensbelang voor een gezonde samenleving. Zonder debat is er geen democratie mogelijk en is er überhaupt geen intellectuele voortgang mogelijk. Daarom is het nodig dat de conservatieve stem in Nederland zich articuleert: niet omdat het conservatisme zieltjes zou moeten winnen, maar omdat het een verrijking is van het publieke discours.
Ik zie nu wel grotere openheid en interesse om te luisteren naar andere standpunten. De Groene Amsterdammer zelf is daarvan een goede graadmeter. Maar het conservatieve debat blijft iets voor een heel kleine kring, met mannen als Ankersmit, Bolkestein en Von der Dunk als deelnemers. Een conservatieve beweging is er dan ook niet in Nederland. Althans, niet conservatief met een grote C, mensen die er vanuit een hoger perspectief over kunnen nadenken en reflecteren.
Conservatieven met een kleine c zijn er juist heel veel, overal in Europa. En dat is altijd zo geweest. Ik herinner me een voorval van jaren geleden. In 1955 was ik in Engeland en ik sprak daar met Labour-leider Gaitskell over de verkiezingsnederlaag die zijn partij net had geleden tegen de Conservatieven. Destijds gingen politici nog van deur naar deur om kiezers te spreken. Gaitskell vertelde me hoe hij aanbelde bij een mevrouw, die uitriep: “O meneer! Dank u, Mr. Gaitskell, voor alles wat u en uw partij de afgelopen tien jaar voor ons hebben gedaan!” “Graag gedaan, mevrouw”, antwoordde Gaitskell, “dan mogen wij vast op uw stem rekenen bij de komende verkiezingen.” “O nee”, zei de vrouw, “we hebben nu wat we willen, dat moeten we nu vasthouden.” En dus stemde ze Conservatief.
Dergelijke conservatieven met een kleine c zijn burgers die niet verstoord willen worden, die niet in hun gewoontes willen worden gestoord. Mensen willen niet wakker geschud worden als ze er comfortabel bij zitten. In Nederland willen zij niet praten over de kleinste aanpassingen aan de verzorgingsstaat. Als politiek standpunt is dat misschien begrijpelijk, als denkrichting is dat absoluut niet interessant. En met het conservatieve gedachtegoed heeft het weinig te maken. Conservatieven met een kleine c hebben in Nederland altijd onderdak gevonden bij politieke partijen, maar die hebben zich nooit als conservatief geafficheerd. Het blijft curieus dat er in Nederland met een grote boog om het conservatisme heen wordt gelopen. De grote katholieke leider monseigneur Nolens zei eens dat een Nederlander nog liever voor dief wordt uitgescholden dan voor conservatief. In Engeland, Zweden en Duitsland hebben politici daar helemaal geen moeite mee.
Dat heeft vele oorzaken, maar een belangrijke is dat de hoofdscheiding in de Nederlandse politiek confessioneel versus niet-confessioneel is geworden. Het conservatisme is nooit als cruciale scheiding naar boven gekomen omdat de confessionelen bang zijn dat het afschrikwekkend werkt. Zij vrezen dat het woord “conservatief” de indruk wekt niet-sociaal te zijn. Daarom vermijden de christen-democraten het woord, om geen aantrekkingskracht te verliezen op de linkervleugel van de partij en op de middenkiezer. Andere conservatieven zitten bij de VVD, maar daar werd altijd al weinig aan reflectie gedaan. Je moet dan ook eigenlijk vaststellen dat het conservatisme als politieke beweging in Nederland is uitgestorven in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. In de decennia daarvoor had je wel een conservatieve beweging die zich zo noemde. Die keerde zich tegen de liberalen van Thorbecke, die toen als linkse stroming te boek stond. Daarna komt er eigenlijk niets.’

DAT HET CONSERVATISME zo’n povere aanhang heeft in Nederland is des te opmerkelijker omdat het tij volgens Heldring nu juist meezit: ‘De tijdgeest is omgeslagen. Conservatiever, zo u wilt. Kijk maar naar de verkiezingen. We zitten nu in een golf die zich tegen de progressiviteit van de jaren zestig en zeventig keert. Die golf zal ook wel eens stuklopen, maar dat kan wel decennia duren. Of we naar een sociaal-democratische toekomst gaan of een liberale is nu nog niet te zeggen, maar dat de huidige golf zijn eigen reactie zal oproepen is historisch gezien een gegeven.’
De opleving van het conservatisme kreeg in Nederland enkele jaren na 2000 vorm door de grotere zichtbaarheid en activiteit in het publieke debat van verklaarde conservatieven als Andreas Kinneging en Joshua Livestro, en van auteurs die zich leken te laten inspireren door de neoconservatieve golf in de Verenigde Staten, zoals Leon de Winter en Afshin Ellian. De Edmund Burke Stichting van Bart Jan Spruyt kreeg enkele jaren veel aandacht en steun, tot de laatste zich met Geert Wilders verbond.
Heldring: ‘Achteraf beschouwd gaven de jaren na 2000 inderdaad een opleving te zien van het conservatisme, toen mensen van verschillende kwaliteit en toonaarden zich als conservatief afficheerden. Ik had veel waardering voor de pogingen van Bart Jan Spruyt om het Nederlandse conservatisme als denkrichting vorm te geven. Maar zijn verbintenis met Wilders vond ik al meteen onzalig, voordat ik wist waar Wilders precies voor stond. Een instelling die wetenschappelijk pretendeert te zijn, moet zich niet aan een partij verbinden. Natuurlijk heeft Spruyt zelf ook spijt gekregen. Wilders is ook inhoudelijk een heel slechte keus. Hij is in politiek opzicht veel destructiever dan het conservatisme ooit is geweest. Ik zou hem nooit als een geestverwant beschouwen.
We zien er nu helaas de tekenen van dat die anti-jarenzestig-en-zeventig-golf onder Wilders uit gaat lopen op een opstand van de lager opgeleiden tegen de doctorandussen, op een nare manier van afzetten van lager opgeleiden tegen de economische en de intellectuele elite. Het is niet een opstand van de haves tegen de have-nots, zoals we die honderd en zeventig jaar geleden zagen. Al zijn er wel groepen die vrezen door immigratie en economische integratie terug te vallen op het welvaartsniveau van voor de welvaartsstaat. Daar zit deels terechte angst in. Een groot deel van Hitlers aanhang was ook terecht bang om te proletiseren, wat ik overigens niet als inhoudelijke vergelijking bedoel met wat er nu gebeurt. Het is jammer dat mensen niet een wat langer geheugen hebben, dat ze hun huidige welvaart en de mogelijke bescheiden teruggang niet vergelijken met het niveau waar hun grootouders vandaan komen. Je ziet dat veel mensen menen dat ze elke cent van hun huidige welvaart hebben verdiend en dat elke teruggang een aantasting van hun fundamentele rechten betekent. Boer Koekoek buitte dergelijke populistische verontwaardiging al uit, Fortuyn deed het als eerste in de huidige tijd. Niemand weet of hij het in de hand gehouden zou hebben. Ook met Wilders is het nog een open vraag.’
De analyse van New York Times-redacteur Sam Tanenhaus, die meent dat wat ‘conservatisme’ heet in de Verenigde Staten in werkelijkheid een populistisch revanchisme is, beschrijft volgens Heldring de Amerikaanse situatie goed: ‘Het neoconservatisme lijkt me inderdaad de intellectuele vertaling van zo’n populistisch revanchisme. George Bush junior is natuurlijk ook geen conservatief. Het met wapens willen veranderen van de wereld en een hele nieuwe samenleving stichten in het Midden-Oosten is natuurlijk alleen vanuit progressieve standpunten te begrijpen.
Het conservatisme is ook helemaal niet sterk in de VS. Dat is historisch al zo. Het land is ontstaan uit een opstand tegen een koloniale overheerser en dat is altijd in de Amerikaanse mentaliteit blijven hangen. De Amerikaanse cultuur is ook veel te optimistisch en innovatief voor werkelijk conservatisme. Je ziet dat ook in het ongemak in de Amerikaanse cultuur met de dood. De doorsnee Amerikaan kan helemaal niet met de dood omgaan. Jessica Midwold beschreef in The American Way of Death briljant welke plaats de dood krijgt in de Amerikaanse cultuur. Het past niet in het optimisme van de Amerikaan en wordt daarom weggedrukt alsof hij niet bestaat. En zoals ik al zei, het conservatisme als levensbeschouwing begint met het juiste gewicht toekennen aan het tragische en aan de dood.’


‘Er is geen verschil tussen de Gamma op zaterdag en de Tweede Kamer’

Interview met Hans Hillen
‘Het conservatisme is nodig als tegenwicht voor het progressivisme, dat is gaan knagen aan het wezen van de samenleving’, meent cda-Eerste-Kamerlid Hans Hillen. De oud-journalist geldt als voornaamste exponent van de conservatieve vleugel van zijn partij. ‘In Nederland is het maatschappelijke centrum links van het midden komen te liggen nadat de verzuiling in de jaren zestig was ontploft. De pvda heeft toen haar sociaal-democratische signatuur losgelaten en heeft voor een progressieve signatuur gekozen. Dat was gezien de trend goed ingeschat, al had het met idealen weinig te maken. In die tijd was “progressief” een verzamelnaam voor alles wat goed was, wat zich afzette tegen de spruitjestijd van de jaren vijftig. Het ging destijds nooit over “links”, maar enkel over “progressief”. Conservatief stond voor “reactionair” en dat was “anti”. Dat wilden de meeste mensen per definitie niet zijn. Nederland is daardoor linkser uitgekomen dan alle landen om ons heen.
De voorhoede in Nederland was decennialang per definitie progressief. Maar dat progressivisme sloeg al snel door naar vrijblijvendheid, respectloosheid, ongeorganiseerdheid. Dat besef is nu in brede kring doorgedrongen. De hele Wilders-beweging is een reactie op de vrijblijvendheid. Je zou het een woekering van het conservatisme kunnen noemen. Dat betekent niet dat Wilders ideologisch verwant is met het conservatisme, maar dat hij gevoelsmatig dezelfde kant op leunt.’
Hillen beklaagt de apathie bij jongeren over de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen: ‘In de jaren zestig en zeventig zagen jongeren zichzelf als voorlopers. Nu kun je maatschappelijk gezien geen andere onderstroom ontdekken dan bange mensen die in groten getale bij Wilders schuilen. Het zal een jaar of tien duren, denk ik, voor we aan het eind zijn. Dan zal Nederland terug zijn waar het was voor de jaren zestig. Wilders kan nu meesurfen met de golf, die decennialang links was en die nu de conservatieve kant op vloeit. Je kunt het zien in het cda: de jongerenbeweging is nu conservatiever dan de partij zelf. Het illustreert dat de samenleving als geheel conservatiever aan het worden is.
In Nederland zijn er maar heel weinig echte conservatieven, zoals Heldring. De meesten die conservatief worden genoemd, zijn eigenlijk antiprogressief – ikzelf ook. Onder invloed van het progressivisme is het in Nederland zo geworden dat de staat alle verantwoordelijkheid heeft en de burgers alle vrijheid hebben. In een gezonde samenleving nemen individuele burgers en groepen voldoende verantwoordelijkheid om zonder toezicht te kunnen functioneren. Ik zie die visie versterkt door de kredietcrisis, die is veroorzaakt door mensen die zich bandeloos zijn gaan gedragen zodra er geen toezicht meer op ze was. Mensen zijn de staat en de samenleving als externe organen gaan beleven. Als oplossing daarvoor wordt er vaak gesproken over het verkleinen van de kloof tussen de staat en de burger. Maar die bestaat helemaal niet. Politici kleden zich als het volk en spreken ook zo. Er is geen verschil tussen de Gamma op zaterdag en de Tweede Kamer. Qua taal en cultuur is er geen verschil meer.’
RUTGER VAN DER HOEVEN