Een verhaal

  Ophelia

Ze zakte iets weg tussen het grind van de oprijlaan, die als een witte slotgracht huis Oisterwijk omsloot. Vooruit, nog één stap de stenen trap op. De sleutelbos tingelde. Dan zou ze de hal instappen en voor ze de Millais zou zoeken wellicht met gebogen hoofd door de ruimtes dwalen? De meubels afgedekt met witte lakens – als vreemde dieren, grazend in een schemerige wei van stil zwevend stof. Het zou eruit moeten zien als in gedachten verzonken dwalen. Bij het betreden van de ruimtes zou ze tussen de beelden belanden.

Medium ophelia opmaat2 plus foto

Een stroomversnelling aan beelden, zijn lach, altijd zijn lach, van heel dichtbij zag ze de tanden van haar broer wit blikkeren – zou ze tien zijn, hij dan twaalf? Haar bollende en ruisende jurk terwijl ze de trappen opsnelde, vluchtend voor zijn ongeleide spel, te hoog opgezweept geraakt door een van de wilde feesten in het huis van haar grootouders, dat langzaam op zijn eind raakte. In de hoge ramen, op de bovenste richel flakkerden de waxinelichten nog flauw in de kristallen houders. Lege flessen als sporen van een voorbij geraasde kudde dieren her en der tegen de plinten en op de zware vloerkleden. Bevlekte servetten half van stoelen glijdend in de eetkamer. De rode wangen van haar moeder staken te fel af tegen de bleke huid in haar hals, haar ogen schitterden, zoals die van haar broer schitterden. Gevaarlijk gelukzalig. Zonder noodbegrenzing. Daar sprong een oom soepel op een stoel om zijn koloniale loflied aan te heffen. Overstemd door het gillend lachen van haar tantes, die loom kropen over de stoelen en sofa’s, happend naar lucht in te strakke jurken, zich vastgrijpend aan elkaar alsof zij hulp zochten bij het stikken van het lachen. Haar moeder stiller geworden, was uiteindelijk in de tekenkamer terechtgekomen, bij van condens druipende ramen, haar werken om haar heen aan de wanden, het hoofd schuddend, ‘te veel, te veel’ fluisterend, onderwijl afwezig glimlachend. Daar was zij zelf weer. Ja, tien moest ze zijn, hij twaalf. Te midden van deze roerigheid van vertrekkende gasten, vluchtte ze en struikelde ze weer, halverwege de trap op. Zijn hand om haar enkel, haar angstig en verlangend piepen. Hij was altijd sterker, ze kon hem niet vóór zijn, zijn greep om haar enkel knelde. Hij wist niet wat hij deed, hij kende zijn kracht niet. Nooit zou ze voluit gillen en hem verraden. Ze boog het hoofd, aaide zacht over haar eigen hand, richtte zich daarop en hield vol. Wilde hij haar voet soms hebben, losknijpen van haar lichaam? Een van die gedrukte bloemen uit het behang naast de trap te zijn, over te vloeien in de schetsen van de viooltjes, de rozemarijn en venkel die uit het behang naar voren leken te komen. Hier en niet hier. Haar lichaam aanwezig, haar bewustzijn gesublimeerd tot een gedrukt viooltje.


Deur open, ze stond op de loper in de hal. Een muffe, dode geur steeg op. Natuurlijk was het hier doods, er was nooit meer iemand geweest. Het kantoor dat haar zaken regelde had een sleutel, maar had nooit kopers binnen hoeven laten. Die waren er niet geweest. De deuren naar de opkamers stonden open. Op de zuilen doffe vazen met kringen van brak bloemenwater. Licht viel schuin de gang in en maakte barsten zichtbaar in het stucwerk bij de voordeur. Ze boog voorover en tuurde de kamers in. Over de meubels geen witte lakens. In de tekenkamer schoonmaakspullen, alsof er elk moment iemand zou opkomen met een emmer dampend heet water om het dweilen af te maken. Ze liep dieper de hal in. Ze veegde rechts wat stof op – met een licht gebogen vinger – van de rand van de grote spiegel boven de telefoontafel onder aan de trap. Ze keek op, snel, alsof ze het spiegelbeeld wilde verrassen. Was haar bleke huid doorschijnender dan ooit? Ze knipte het bakelieten klemlampje aan. Ze verscheen scherper nu in de gouden lijst boven de telefoontafel. Traag schoof ze met een vinger het haar achter haar oor, zoals haar moeder had gedaan, ze schudde afwezig met het hoofd zoals zij. Kleine gebaren die de tengere vrouw die ze was geweest achter haar deden verschijnen. Legde ze de handen op haar schouders? Ze tastte naar die handen. Het zou mooi zijn als zo zichtbaar werd, dat zij haar niet verantwoordelijk hield.


Huis Oisterwijk had er prachtig bij gelegen die ochtend in de lentezon. Zoals je mocht verwachten van het buitenhuis uit 1860, dat met minimale middelen en halsstarrige toewijding was onderhouden. Acht jaar was het onbewoond nu. Hoewel het huis regelmatig opdook in dromen, had het verschijnen van een koper haar niet opgelucht. Tijdens haar reis uit de stad had het haar bevreemd hoe dichtbij het huis in feite was. Zo verwijderd geraakt van wat er ooit had plaatsgevonden, hadden de Russische steppen haar ook aannemelijk geleken voor het huis van haar jeugd. De trein schudde. Ze liep de afgelopen nacht nog na, terwijl ze zich probeerde uit te strekken. Ze had het te laat gemaakt voor prettig reizen in de ochtend. Ze had zich niet los kunnen trekken van de dj-booth, van de clubeigenaar die gejaagd ratelde over de kracht van de vergankelijkheid van zijn gekraakte initiatief, van de jongens en meisjes met glanzende lippen en zwarte ogen, over wie ze uitkeek naast de dj die een stralende allnighter optoverde, met wild vonkende ogen, onnatuurlijk geladen met wat de nacht hem had gebracht in een wit envelopje. Met de armen naar het dak van de club pompen, had een passend antwoord geleken op het openklappende gevoel in haar borstkas. Zo een vreemde verbondenheid te voelen met leven, leven nu, hier, in de nabijheid van deze onbekenden, van deze massa kloppende, dansende lichamen. Daarin zou ze opgaan, alsof ze de mist was die uit de rookmachines stootte. In telkens andere samenstellingen zou ze te voorschijn komen, telkens andere verschijningsvormen. Opdat zij zich inleven kon in – Ho. Ho met die gedachten. Wat een wild afdrijven van kalm in de trein onderweg naar Oisterwijk. Gewoon praktisch, om de reproductie te halen, nog eenmaal door het huis te gaan. Kom. Nog altijd stonden haar schoenen op de grond in de sprinter richting het noorden. Nog altijd knisperde een krant en kuchte een man schuin tegenover haar in de trein. Tegelijk hier en niet hier. Tas pakken, uitstappen, voortbewegen.


De rust na het afstuderen aan de toneelschool was welkom. Zo had ze het krijgen van de rol nog niet voor mogelijk gehouden. Ophelia te mogen spelen. De auditie was niet goed gegaan, ze had verdwaasd in het repetitielokaal gestaan, helemaal onder in de oude schouwburg. Kleine gangetjes door, een heel netwerk, ze had achter de toneelmeester aangedraafd die met grote passen trappen op en af ging, smalle gangen indook. Eenmaal voor de deur van het repetitielokaal was ze kortademig, gedesoriën­teerd. Geen lucht hier onder de grond, onder de zalen. Binnen had ze met hete, rode wangen haar tekst gestameld. Ze had er geen controle over kunnen krijgen. De ogen van de man en twee vrouwen achter de zijtafels had ze niet meegekregen met haar woorden, haar gekozen ingang de gevraagde scène in. Dat er desondanks later een kort moment van magie ontstond wilde ze niet ontkennen. Ze had het haarscherp gevoeld, hun samenvallen in dat moment. Dat moest iets te maken hebben met het krijgen van de rol. De regisseur had haar na de auditie gevraagd naar haar eigen ervaring met Hamlet. Toen had ze zacht gesproken: ‘Now cracks a noble heart. Goodnight, sweet Prince. And flights of angels sing thee to thy rest.’ Woorden die ze haast beschroomd aan elkaar reeg, met een eerbied voor de taal, die haar toch de moed gaf ze uit te spreken. Ze liet een stilte vallen en beschreef de eerste toneelvoorstelling die ze zag. Hierboven nota bene had ze Hamlet gezien, in de oude schouwburg, veertien was ze, hij zestien. Allereerst de treinreis zonder haar moeder, alleen met haar broer, van Oisterwijk naar de stad, het gevoel van autonomie, van ontsnapt zijn aan haar moeders nerveuze ogen. Toen de stad, het theater. De foyer, de gezichten van het publiek, open, verwachtingsvol. Het toneel was leeg geweest, op een enkele stoel na. De acteur die Hamlet speelde was breekbaar, krachtig, levensgevaarlijk, denkend, alsof het voortschrijdend inzicht ter plekke plaats vond. De mond van haar broer viel ademloos open, vanaf de eerste woorden, zijn tanden blikkerden wit op, vlak naast haar. Ze hoorde hem slikken. Hij had haar pols vastgehouden, te strak, te wit zijn knokkels om haar pols, ze had hem horen zuchten van ontroering, van vervoering. Het pure gevaar van de inleving die ze voelde, die ze ook naast zich voelde plaatsvinden, had haar gegrepen meer dan wat dan ook daarvoor. Kaarsrecht had ze gezeten bij elk woord van de acteurs, elk hardop uitgesproken woord leek haar aan te gaan. Het angstige verraad van Gertrude, de machtswellust van Claudius. En Ophelia. Tegen haar had ze willen schreeuwen, ‘sta op!’ ‘kom in opstand!’ ‘grijp je gekte!’ ‘vlucht!’ maar half en half inziend dat Ophelia niet bij machte was te grijpen, niet bij machte was zichzelf te bezitten, simpelweg omdat ze over ging in de zaken buiten haar. Zelf vloeibaar was. Hoe zij zich uiteindelijk van de takken liet glijden het water in, los kwam van haar lichaam. Het water dat haar omsloot, troostte, dat een overgang zou kunnen betekenen naar een donkerte, waarachter zij dan verlichting vermoedde. Het vreselijke acute gevaar dat zij in gang zette. En hoe de rest uiteindelijk stilte was.

Terug in het repetitielokaal had ze opgekeken, kwaad bijna dat het verhaal haar verleid had. In de gezichten van de regisseur en dramaturges had ze gezien dat ze hen in vervoering had gebracht. Dat ze naast haar hadden gezeten, zojuist, tussen haar en haar broer in, terug in de tijd, daar in die donkere zaal. Waarom voelde het alsof ze iets verraden had? De regisseur had kort met zijn hoofd geknikt ter afscheid. Ze was het lokaal uit gedoold, had door die mollengangen gedwaald, koortsachtig gezocht naar de uitgang.


Het meisje dat Ophelia zou spelen staarde nog altijd naar haar terug uit de spiegel in de hal. Ze zou de tekenkamer in moeten om de reproductie te vinden.

Zou ze dan, als ze de lijst gevonden had, achter een stapel werken van haar moeder, onder een laag stof en als ze zich ervan vergewist had dat die niet beschadigd was, zou ze dan heel rustig en bedeesd op de grond zakken en haar gezicht verbergen achter haar dunne vingers? Dan zou ze daarna het onderdrukken tonen van het schokken van haar schouders. Belangrijk zou zijn, de tegenzin te tonen, schoorvoetend moest het zijn. Het verzet geeft het lichaam iets onherroepelijk krachtigs en breekbaars tegelijk. Verzet te tonen in het algemeen. Iets laten zien, waarbij zichtbaar is hoe graag je toont, leidt af, trekt immers de aandacht van het getoonde naar de toner.


Ze boog naar het behang naast de trap, de bloemen net zo onschuldig als ze zich herinnerde. Ze zakte door haar knieën en nam plaats op de onderste trede. Ze zou zo de tekenkamer ingaan. Heel even, even nog. Het was vlak na het stuk geweest, vlak na die Hamlet, die ze samen zagen. Zijn broeiende explosiegevaar was tot ontploffing gekomen. In die scène had zij hun pact verbroken door het uit te schreeuwen van de pijn. Hij had haar met ziekelijk vermoeide, woedende ogen aangestaard. Donker, beschuldigend. Haar hijgende moeder met de hoorn in de hand in de hal. Na zijn dierengevaar, na haar onbeheerste schreeuwen was hij meegenomen. Zijn tandafdrukken bleven achter, diep in haar pols, geel en groen zo snel was haar huid gekleurd door zijn waanzinnige greep. Ze was – bedaard – op de grond gaan zitten, haar moeder had over haar haren gestreken, haar schouders geaaid, ze had niet gehuild. ‘Ik had vol moeten houden, ik had hem moeten houden, ik had vol moeten houden.’ Haar moeder zweeg, keek weg, aaide steeds afwezig haar haar bijeen over haar schouders. Ze had haar moeder aangestaard, toen ze hem vanuit de bijkeuken, hevig tegenstribbelend tegen de jonge mannen in witte hulpverlenerskostuums – gebonk van omvallend meubilair steeg op – hoorde schreeuwen: ‘Ik hou niet van jou, hoor-je-mij, ik hou niet van jou.’ Toch had hij doorgebeten.


Vooruit. Overeind met het lichaam, ze stapte de tekenkamer binnen. Het licht was zacht, de schoonmaakspullen verspreidden een zwakke citroengeur. Om de deurposten en raamkozijnen de prachtig geschilderde bloemenslingers van haar moeder, grof, gekleurd, haast kinderlijk, met grote groene bladeren. Hedera woekerde tussen clematis, gele klimroos. Aan de wanden de lichte plekken van waar ooit de schilderijen en foto’s hadden gehangen. Tegen de verste muur de dichte rij werken onder een wollen deken. Ze doorzocht ze alsof ze door een kaartenbak ging, met vlugge vingers, de een na laatste lijst was de lijst die ze zocht. Hij was niet beschadigd. De Millais stond doodgemoedereerd te leunen tegen een voorstelling van haar moeder van de paddenvijver achter. Ze glimlachte. Ze zuchtte niet. Zuchten was te eenvoudig, te versleten misschien. Ze zei ronduit: ‘Hier ben je.’ Glimlachte om zichzelf. Met de lijst in de deken gewikkeld in haar armen liep ze terug de hal in. Hield stil onder aan de trap en tuurde naar boven. Er was niks te zien. Natuurlijk was er niks te zien. Het is van binnen dat de voorstelling van het verleden afgespeeld wordt, de werkelijke ruimtes waarin haar moeder en haar broer naakt en bloedend voor haar geestesoog dwaalden waren een leeg toneel, een schuldeloze set. Moest ze woordeloos tonen wat zich hier had afgespeeld toen hij terug naar huis keerde dan zou ze moeten vertrouwen op de fijnzinnigheid van haar publiek. Een publiek dat vertrouwen geven was het grootst dat ze voor mogelijk hield. Het zou het in haar verschietende, afwisselend moedige, en aan angst onderhevige gezicht kunnen lezen. Ze zou doorzichtig en ondoorzichtig tegelijk zijn. Zo zou ze het tonen: je mag het zien, maar het is misschien te groot, ik gun je de veiligheid, ik gun je gevrijwaard te blijven van deze beelden. Maar ook: veroordeel niet, zij konden het niet helpen, zo waren de handelingen nu eenmaal ingezet. Dit was de onvermijdelijke uitkomst van de som van onze delen. Het publiek zou dat begrijpen, zou inzien, door haar heen, dat niemand schuld had. Ze schudde zacht met het hoofd, fluisterde nauwelijks hoorbaar zijn naam en verliet – sterker – geladen met een vreemd soort vastberadenheid, via de keuken en bijkeuken aan de zijkant het huis. De lijst zette ze tegen de stenen buitentrap. De zon scheen zachtaardig. Ze liep langs het koetshuis rechts de tuin in.


In het gras hadden zich mossen genesteld als vochtplekken in bad­kamers. Op van zon verstoken delen golfde donkergroene wolligheid tussen de stekeligheid van de sprieten. Meer naar achter in de tuin, voorbij de zijborders, voorbij de buxushagen, school onder de hangende takken van de treurwilgen de paddenvijver. Op de kleine steiger zitten, misschien haar schoenen uittrekken. Heel even in de zon haar ogen dicht doen en dan terug naar de stad reizen. De vijver glitterde tussen de bomen door. Hier had ze zich onder het hoefblad verstopt, hier had ze haar ondergoed met een voet weg proberen te schuiven, achter zich, zodat haar broer geloven kon in de bijles economie van een buurjongen. Hier was het mos pas echt opgerukt. Het hout van de steiger aan het eind van de planken vermolmd. Ze schoof uit haar schoenen en zakte neer tegen de metalen lussen van het trappetje het water in. De zon scheen precies tussen de bomen door op haar gezicht. Het rook naar aarde, naar lente. Het rook er naar een goede afloop. Ze zou met de Millais terug in de trein naar de stad reizen. Maandag zouden de repetities beginnen. In de oude schouwburg zou ze de rol spelen. Ze zou het doorschijnend en ondoorzichtig tegelijk doen. Ze zou hen eer aan doen.