Ophouden met denken

In de nieuwe roman van Anna Enquist, De verdovers, gaat het om de strijd tussen toedekken en openbreken. Via de respectievelijke verhalen van psychotherapeut Drik en anesthesist Suzan, broer en zus, krijgen we de voors en tegens voorgeschoteld van de twee extreme manieren waarop pijn tegemoet getreden kan worden: wegspuiten of ‘erin’ gaan zitten. Dit klinkt schematisch, maar zo pakt het in deze roman niet uit. Beiden hebben niet alleen in hun beroepspraktijk te maken met pijn van anderen, maar bevinden zich zelf ook op een kwetsbaar punt in hun leven. Drik is net weduwnaar geworden en begint langzaam te recupereren, Suzan is haar geliefde schoonzus kwijt en kampt met een vijandige adolescente dochter. De betrekkingen tussen broer en zus komen extra onder spanning te staan als de cliënt van Drik, een leerling-anesthesist, verliefd wordt op zijn mentor, Suzan. Pijnlijke nieuwe verwikkelingen leggen diep verborgen jeugdtrauma’s bloot, en een amper bedwongen evenwicht tussen de verschillende familieleden lijkt voorgoed uit het lood geslagen.
Met De verdovers schreef Enquist een eigenzinnige doktersroman, maar ook een roman die zich ontpopt als een wolf in schaapskleren. Eerst maar de doktersroman, want dat aspect ligt het meest aan de oppervlakte. In alternerende hoofdstukken volgen we therapeut Drik en anesthesist Suzan, aan het werk en thuis. Vooral Suzan aan het werk echoot de soaperige intriges van Medisch Centrum West, de bloederige taferelen van ER én de seksuele spanningen van de 'echte’ doktersroman. Misschien is het wel de cocktail op basis van deze drie ingrediënten die de werkelijkheid, die Enquist waarschijnlijk nastreefde, het meest benadert. Het realiteitsgehalte wordt nog eens onderstreept door de uitgesponnen dialogen tussen de collega’s over de dilemma’s van hun vak, de aandacht voor hun rituelen in de operatiekamer, en de gedetailleerdheid waarmee wordt beschreven wie welke spuiten in welke lichaamsdelen zet. In het begin is dat wennen, zo veel feitelijke precisie, maar er gaat ook iets sussends van uit, zoals je ook wel kunt ervaren als in een roman heel uitgebreid wordt beschreven hoe een huis wordt verbouwd of schoongemaakt, of als er een ingewikkelde maaltijd wordt bereid, opgediend en verorberd. De excessieve beschrijvingen lijken een vorm van zingeving, zeker bij monde van zo'n personage als Suzan die liefde heeft voor haar vak: 'Als het erop aankomt, als het ernstig is - dan neemt de anesthesist het voortouw en loodst het team naar een oplossing, hoe heftig de situatie ook is.’
Diezelfde zingeving, zij het iets aarzelender, verwoordt Drik - officieel Diederik - over zijn vak, de psychoanalyse. 'Wij analytici zijn verhalenvertellers, en met het beste verhaal slaan we de patiënt om de oren. (…) Zo komt er rust en structuur in het denken van de patiënt over zichzelf.’ Wederom zeer gedetailleerd, als ware het een aflevering van In therapie, geeft Enquist de gesprekken weer tussen de therapeut en zijn eerste cliënt sinds zijn vrouw is overleden, Allard. De duidingsdrift strekt zich uit tot de omgeving van Drik, al was het maar omdat zijn zwager, de man van Suzan, ook psychiater is. Wat dat betreft lijkt deze roman in eerste instantie een soort antiroman, in die zin dat van ieder personage uitgebreid de motivatie achter de handelingen wordt omschreven. Zo zou Suzan zo goed zijn in haar werk, omdat ze haar hele leven al loopt te bewijzen dat ze deugt. 'Dan heeft ze bestaansrecht.’ Drik, in gesprek met de praatgrage man van Suzan, kan wel denken 'ik heb geen zin om hier m'n zus te zitten ontleden’, maar dan is het al gebeurd. Een van de vele eye-openers, een droge overweging van Drik: 'Je moet blijven hopen dat je patiënten dingen aankunnen die je zelf niet voor elkaar krijgt.’
En nu dan de wolf. In schaapskleren. Het conflict tussen toedekken en openbreken, in extenso toegelicht in de werkverhalen van Drik en Suzan, weerspiegelt zich in de roman as such. Aan het oppervlak ademt De verdovers beheersing. Zowel de compositie - die van een klassiek muziekstuk - als de vertelstijl - geserreerd, koel en knisperend - houdt heel lang de boel eronder. De boel: dat zijn de persoonlijke drama’s van Suzan en van Drik, van toen en van nu, en van hun naasten. Oude pijn, weggestopte trauma’s, aangevuld met nieuw verlies en vers verraad. Lang heerst er een soort kalmte in dit boek, die wordt onderstreept door alle aandacht voor de rituelen en protocollen van met name de anesthesiologie. Maar allengs nemen de onbeheersbaarheid, en vooral: de onverklaarbaarheid, toe. Het verontrustende van deze roman schuilt in die tegenstelling. Zo veel aandacht voor het hoe en waarom, en zo veel moeite om de pijn te bestrijden, en nog zegeviert de onbegrijpelijke gruwel.
Het zijn abstracte woorden voor een roman die zich bedrieglijk gemakkelijk laat lezen, als een meer dan complete doktersroman, inclusief alle persoonlijke intriges. Mij blijft bij wat alleen maar een roman kan bewerkstelligen: een even waarlijk als verdrietig inzicht. Dat er een enorme discongruentie kan bestaan tussen iemands daden en de consequenties ervan. Suzan is geen slecht mens, maar wordt toch ongenadig gestraft. Of iets minder katholiek geformuleerd: ze verliest alles. 'Ik wil slapen’, denkt ze vervolgens. 'Ophouden met denken.’ Gelukkig heeft de schrijfster haar toegerust met een broer. Hij doet er lang over, en heeft er behoorlijk wat drank bij nodig bovendien, maar weet uiteindelijk wel wat hem te doen staat.

ANNA ENQUIST
DE VERDOVERS
De Arbeiderspers, 309 blz., € 21,95