Opiniërende vormgeving

RICK POYNOR
JAN VAN TOORN, CRITICAL PRACTICE
010 Publishers, 240 blz., € 37,50

In de reeks ontwerpmonografieën van het Prins Bernhard Cultuurfonds verscheen een fascinerend boek over het werk van een van de beste grafisch ontwerpers die Nederland kent: Jan van Toorn, Critical Practice. Het komt op een uitgelezen moment. Nu in het kunst- en cultuurdebat ‘engagement’ een ware rage is geworden, is het leerzaam om te zien hoe een ontwerper als Van Toorn daar al meer dan veertig jaar invulling aan geeft. Van Toorn maakte naam als kritisch, tegendraads ontwerper met een pleidooi om inhoud en betekenis boven formele, esthetische criteria te stellen. Zijn werk is daarom niet per se mooi, maar wie goed kijkt, ervaart de grafisch vormgegeven boodschap als een uitnodiging aan de kijker om een eigen mening te formuleren. Opiniërende vormgeving noem ik dat, manifest in het vroege en het late werk, in het bekende affiche uit 1971 dat de kosten van de nieuwe aanwinsten van het Van Abbemuseum optelde, of in het minder bekende Working Poor uit 2004.
Logisch dat deze sociaal dienende benadering vooral herkend werd door publieke en culturele opdrachtgevers, waaronder PTT, VPRO-tv, Rijkswaterstaat en de Rijksdienst Beeldende Kunsten. In de monografie passeren ze allemaal, en meer, en zo is in retrospectief een goed beeld te vormen van het totale, eclectische oeuvre van Van Toorn.
Het fascinerende van dit boek is niet dát het er allemaal in staat, maar de manier waaróp het er in staat. Vanaf de allereerste pagina, nog voor er één woord gevallen is, is er beeld. En niet voor niks beeld uit de ‘mensenkalender’, een van de achttien kalenders die Van Toorn maakte voor drukkerij Spruijt in Amsterdam. Met een destijds ongebruikelijke combinatie van twee fotografische genres – portretfoto’s van gewone mensen enerzijds en reclame- en nieuwsfoto’s van beroemdheden en politieke kopstukken anderzijds – introduceert deze kalender Van Toorns centrale thema: de manier waarop de media omgaan met de alledaagse ervaring. We kijken als het ware mee over de schouder van de ontwerper terwijl hij al selecterend, knippend en plakkend die berg foto’s ordent en monteert tot een verhaal met een kop en een staart. Als een visueel journalist die zijn argumentatie opbouwt met beelden in plaats van woorden.
Hoe dat proces zich ontwikkelt in het werk is te volgen in het tweede beeldessay, visual reporting, waarin te zien is hoe Van Toorn de gesloten klassieke vorm opgeeft en de pagina openbreekt ten gunste van een open, meer dialoog-achtige vormgeving. Dat is precies waar de ontwerper van dit boek, Simon Davies, op uit is. Door intelligent en informeel sporen na te laten – randjes aan afbeeldingen; terloops geplaatste of nonchalant geknipte bijschriften; het bewust niet retoucheren van kleine beschadigingen van het werk – herinnert hij de kijker telkens aan het geconstrueerde, kunstmatige karakter van een boek.
Het volgende beeldessay, anti house style, toont het resultaat van Van Toorns ontwerpbenadering binnen een institutionele context. De vormgeving van het drukwerk dat Van Toorn voor het Van Abbemuseum verzorgde, wordt niet bepaald door uniforme stijl of persoonlijk handschrift maar door mentaliteit. Een grote diversiteit aan stijlen en vormen van affiches en catalogi is het gevolg. Daarbij wordt niet het instituut, het museum, op de voorgrond gesteld, maar de tentoonstelling.
Pas dan, ergens op een derde van het boek begint critical practice, de vlot en vaardig geschreven tekst van Rick Poynor. Hoewel te kort om diep op cultureel-maatschappelijke factoren in te gaan, laat Poynor het debat tussen Van Toorn en zijn invloedrijke vakgenoot Wim Crouwel niet onbesproken. De titanenstrijd dateert uit 1972, maar de controverse tussen beide ontwerpers – doorgaans neergezet als subjectieve versus objectieve vormgeving – is nog altijd relevant.
De systematische, rationele en mathematische ontwerpmethode van Crouwel past in een ontwikkeling van wat ik ‘het disciplinaire boek’ zou willen noemen, onderdeel van het voortgaande normalisatieproces sinds 1800 dat modernisering heet. Paradoxaal genoeg genereert die modernisering niet alleen vrijheid, maar ook onvrijheden, in het streven naar volledige, methodische beheersing van tijd, ruimte en plaats. En daar zit de echte inzet van Van Toorns ‘critical practice’: een stelselmatig verzet tegen dergelijke vormen van disciplinering. Dat is een agenda die urgenter is dan ooit. Laten we hopen dat dit mooie, instructieve boek inspiratie is voor velen, ontwerpers in het bijzonder.