De Communistische Partij van Frankrijk

Opium, maar geen volk

De Communistische Partij van Frankrijk kreeg bij de afgelopen presidentsverkiezingen minder dan twee procent van de stemmen. In Franse kranten gaan geruchten dat de partijleiding overweegt delen van haar kunstcollectie te verkopen.

PARIJS – ‘Verzinsels van Franse journalisten’ noemt Jean-Marc Bouvet het. De persvoorlichter van de Parti Communiste Français gaat voor op de wenteltrap in de Colonel Fabien, het hoofdkwartier van de partij in het hooggelegen negentiende arrondissement. Zijn werkkamer biedt een adembenemend uitzicht over de stad. En we zijn nog maar op de tweede etage.

Le Monde had een niet met naam genoemde directeur van een ‘groot museum voor moderne kunst in de hoofdstad’ aangehaald die wel degelijk verklaarde gevraagd te zijn een taxatierapport op te stellen voor een houtskooltekening van Pablo Picasso en een tapijt van Fernand Léger. Beide kunstenaars waren in de jaren veertig lid van de communistische partij. Om welke Picasso het precies gaat, bleef onduidelijk, maar in het geval van de Léger kon het maar om één werk gaan: Liberté j’écris ton nom – het tapijt met de beroemde dichtregel van Paul Éluard dat sinds jaar en dag op de vijfde etage in de bestuurskamer van het partijhoofdkwartier hangt. Verder werden genoemd een glas-in-loodraam, eveneens van Léger, als ook l.h.o.o.q. (spreek uit: Elle a chaud au cul, vertaling: ze is botergeil) van Marcel Duchamp, beter bekend als de ‘Mona Lisa met snor’ en voor een periode van 99 jaar uitgeleend aan het Centre Pompidou. Zelfs het hoofdkwartier aan Place du Colonel Fabien zou eraan moeten geloven. Deze betonnen kolos, die in de afgelopen decennia uitgroeide tot het symbool van het communisme in Frankrijk, werd eind jaren zestig ontworpen door Oscar Niemeyer, de nu bijna honderdjarige Braziliaanse architect (en communist) die wereldberoemd werd met onder meer het stedenbouwkundig plan van de stad Brasilia. Rechtse kranten opperden malicieus dat het gebouw, met de futuristische witte vergaderzaal, mooi als vijfsterrenhotel of conferentiecentrum dienst zou kunnen doen.

Er bestaat wel degelijk een reden voor de geruchten over de verkopen. De belabberde score van partijsecretaris Marie-George Buffet tijdens de eerste ronde van de presidentsverkiezingen eerder dit voorjaar maakte dat de pcf kon fluiten naar de vijf miljoen euro campagnesubsidie van de Franse staat. Een financiële afgrond dreigde en de parlementsverkiezingen moesten toen nog komen. Meer dan de helft van de afgevaardigden van de partij verloor in de peilingen.

Uiteindelijk bleek het verlies mee te vallen. De partij wist dankzij een lijstverbinding met de Groenen haar status van parlementaire groep te houden waarmee ze staatsfinanciering veiligstelde. Vooralsnog blijft het tapijt van Léger dus gewoon hangen in de bestuurskamer op de vijfde etage van het kolossale Colonel Fabien.

Niet dat de pcf er verder zo florissant voor staat, erkent ook Jean-Marc Bouvet, ‘maar anders dan sommige Franse kranten beweren is van een acute financiële crisis beslist geen sprake’. Van een acute politieke crisis daarentegen des te meer. Met 1,92 procent van de stemmen bracht Buffet de partij op een historisch dieptepunt in haar bestaan. Dat is natuurlijk niet verbazingwekkend. Overal in West-Europa smolten de communistische partijen na de implosie van de Sovjet-Unie immers als sneeuw voor de zon. Wat verbaast is eerder dat de pcf nog altijd bestaat. Want zelfs al heeft de partij nog amper kiezers, nog altijd heeft ze ruim 140.000 leden. En ooit was ‘de partij van Maurice Thorez’ zelfs de grootste politieke partij van Frankrijk. Wat zegt dat over een land? En wat waren de consequenties voor de Franse politieke cultuur?

‘Tussen ons en de communisten in, zit niets’, schreef André Malraux als minister van Cultuur onder Charles de Gaulle. Op haar hoogtepunt, vlak na de Tweede Wereldoorlog, haalde de pcf 28,6 procent van de stemmen en telde ze ruim achthonderdduizend leden, waarmee ze diep verankerd raakte in de Franse samenleving. Communistische organisaties als het Front National of de Union pour des Femmes Françaises hadden gigantische ledentallen (respectievelijk 750.000 en 628.000), de aan de pcf gelieerde vakbond cgt vertegenwoordigde een kwart van alle Franse werknemers en oplages van communistische dagbladen als Humanité en Ce Soir schommelden rond de vijfhonderdduizend exemplaren. Met volle overgave stortte de pcf zich op de wederopbouw, opdat Frankrijk, in de woorden van partijpropagandist Jacques Duclos, ‘zal voortleven en opnieuw het huis van de Verlichting zal zijn’.

Haar naoorlogse populariteit dankte de pcf in de eerste plaats aan de rol die ze had gespeeld in het verzet tegen de Duitse bezetter. De ‘partij van de 75.000 gefusilleerden’ cultiveerde met zorg haar eigen verzetsmythe en profiteerde tegelijk volop van de status die de Sovjet-Unie dankzij de overwinning tegen Hitler in Frankrijk genoot. ‘Stalingrad waste al mijn twijfels uit het verleden weg’, schreef de socioloog Edgar Morin in zijn Autocritique (1959). ‘De wreedheden, de processen en de liquidaties vonden hun rechtvaardiging in die slag. “Stalin is geniaal”, vertelde Romain Rolland me en ik kon niet anders dan hem gelijk geven.’ Morin was niet de enige Franse intellectueel die zich tot het communisme voelde aangetrokken; een hele generatie intellectuelen, schrijvers en kunstenaars bekeerde zich in de loop van de jaren veertig, met of zonder pcf-ledenkaart.

Zoals de filosoof Claude Lefort later zou schrijven, lag de aantrekkingskracht niet in de laatste plaats in de ijzeren discipline die de communisten aan de dag legden, hun hang naar geweld en hun afkeer van twijfelaars en halfzachten. Veel meer nog dan zusterpartijen elders in Europa was en bleef het ideologische ijkpunt de Sovjet-Unie van Josef Stalin. De verbondenheid met de Sovjet-Unie ging zelfs zo ver dat het eerste serieuze meningsverschil tussen de directie van de pcf en het Politbureau zich pas in 1956 voordeed. Het betrof de destalinisatie. Partijleider Thorez reisde speciaal af naar Moskou om daar de Russische kameraden uit te leggen dat Chroesjtsjov een grote fout had gemaakt met het geheime rapport waarin sommige van Stalins misdaden werden veroordeeld. Tot het in de openbaarheid kwam, zou Thorez het bestaan ervan zelfs glashard ontkennen. Pas in 1977 gaf de partijleiding officieel toe dat ze destijds kennis had van het rapport.

Paradoxaal genoeg was de pcf tegelijk ook de meest nationalistische van alle communistische partijen. Thorez, sinds 1930 de onbetwiste leider van de partij, had al vroeg begrepen dat het nooit wat zou worden met een louter pro-sovjetpartij. Hij wist een amalgaam te smeden van nationalisme, communisme en de liefde voor de Franse natie. Die symbiose vond (en vindt) haar jaarlijkse hoogtepunt in het Fête d’Humanité in de Parijse voorstad Saint Denis. ‘Daar openbaart zich de joie de vivre van de communisten’, zo schreef een verslaggever van Humanité in 1956. ‘Hun liefde voor de rijkdom en pracht die Frankrijk voortbrengt en die ik ontdek bij iedere stap die ik er zet: schilderwerk uit Aubusson, snijgerei uit Nogent, porselein uit Sèvres…’

‘De partij gaf mij de kleuren van Frankrijk terug’, schreef de dichter Louis Aragon vlak na de oorlog.

Tegelijk kon het niet anders dan dat de communistische ideologie nauw verbonden bleef met authentiek ‘Franse’ concepten. Neem het ‘marxistisch leerboek’ uit 1936 dat alvast de grote lijnen schetste van het beloofde land: ‘Er zal geen politie zijn, geen gevangenissen, zeker geen kerken, geen legers… zieken zullen er misschien zijn, maar die genezen we.’ Dergelijke visies borduurden voort op negentiende-eeuwse utopismen die op hun beurt weer putten uit de Franse Revolutie en haar belofte van een nieuwe wereld en een nieuwe mens. Het was het vernuft van leiders als Thorez om dat revolutionaire magma te kneden en te instrumentaliseren.

‘Iedere politieke partij is een reflectie van het land waarin zij ontstaat’, meent ook Marc Lazar, hoofd van de doctoraalschool van het Institut d’Études Politiques (Sciences Po) in zijn werkkamer aan Boulevard Saint Germain. Lazar, in een ver verleden zelf trotskist, publiceerde in de afgelopen decennia veelvuldig over het Franse en Italiaanse communisme, waaronder het essay Le communisme, une passion française (2002). Marc Lazar: ‘Bij de enorme vlucht van de pcf na de Tweede Wereldoorlog moet je niet alleen denken aan de esprit révolutionnaire, maar evengoed aan de glorificatie van de staat, de problematische verhouding tussen werkgevers en werknemers, het anti-Amerikanisme, een uit de Verlichting stammend geloof in rede en wetenschap, een gebrekkig geworteld politiek-liberalisme en natuurlijk een algemeen wantrouwen jegens de markt en geld verdienen.’ Met elementen dus die nog steeds in ruime mate in de Franse samenleving aanwezig zijn. Neem alleen al dat algemene wantrouwen jegens de vrije markt. Nog geen jaar geleden meende minder dan vijftig procent van de Fransen dat het systeem van vrije concurrentie het meest effectieve was. Zelfs Italië, vaak op één lijn gezet met Frankrijk vanwege zijn eigen communistische verleden, scoorde hoger: 59 procent. Communistisch China kwam uit op 76 procent. In 2002 was ook nog een ruime meerderheid van de Fransen van mening dat communisme als idee toekomst heeft.

Vanwaar dan de neergang van de pcf sinds de jaren zeventig? Die heeft volgens Lazar alles te maken met het ineenschrompelen van de sociale basis van het communisme. En inderdaad: de mijnen in de Pas-de-Calais gingen dicht; de metaalindustrie in de banlieue rouge rond Parijs sloot haar poorten. Het idee van broederschap in een individualistischer samenleving sprak minder mensen aan. ‘1968’ had de revolutionaire beweging weliswaar nieuw leven ingeblazen, maar keerde zich tegelijk tegen het autoritarisme van de pcf. Nieuwe protest- en emancipatiebewegingen (gauchisme, feminisme, antiracisme, ecologisme) kwamen op, maar de pcf, met haar rigide methodes en steeds kleurlozer leiders, lukte het niet om die in te kapselen. Geleidelijk werd de partij een karikatuur van zichzelf. Vóór de arbeider, terwijl de arbeidersklasse ineenschrompelde; vóór de industrie, terwijl de dienstensector domineerde; vóór collectivisatie, terwijl de individualisering om zich heen greep; vóór autoriteit en traditionele waarden, terwijl vrouwen hun seksuele bevrijding vierden. Nadat de pcf tijdens de parlementsverkiezingen van 1978 eenmaal door de Parti Socialiste van François Mitterrand voorbij was gestreefd, kwam het dan ook niet meer goed met de partij. Maar het stervensproces verliep traag: in de jaren negentig schommelde de partij nog steeds rond de tien procent. Bij de presidentsverkiezingen van 2002 dook de pcf voor het eerst onder de vijf procent. Nu met Buffet dus zelfs onder de twee procent.

Toch is daar nog lang niet alles mee gezegd, want al is de pcf misschien geen politieke factor meer, de oude culturele schema’s zijn nog steeds intact. Zo doet José Bové, die een restaurant van McDonald’s in puin legde, denken aan de campagne die de pcf in de jaren vijftig voerde tegen Coca-Cola. En als het zo is dat men in Frankrijk tegenwoordig wat minder afkerig is van marktdenken of Hollywood-films, dan is toch ook de cultuur van het ‘Non’ nog steeds springlevend. Neem alleen al de campagne tegen de Europese grondwet in 2005 of de massale straatprotesten tegen het jongerencontract cpe van een jaar geleden. Marc Lazar: ‘Hervormers worden nog steeds gewantrouwd als de pest; dat zijn de potentiële verraders. Compromissen gelden nog altijd als uiting van zwakte; het gaat om onversneden doctrines, pur et dur, en die impregnatie van radicaliteit… dat komt allemaal door de pcf. Anderen hebben zich erover ontfermd; de beweging is ook veel diffuser, maar de oude schema’s blijven doorwerken, zelfs als de partij die daarachter zat bezig is te verdwijnen. Het is waar dat het revolutionaire magma altijd al in de Franse samenleving aanwezig was, maar onder de handen van de communisten is het gestijfd als mayonaise. Zij hebben het gesystematiseerd en gestructureerd. De pcf heeft Frankrijk gebrandmerkt.’

Daarmee staat de pcf dus niet alleen aan de basis van de Franse verzorgingsstaat, maar is zij tegelijk verantwoordelijk voor de cultuur die maakt dat iedere poging tot hervorming daarvan eindigt in wekenlange stakingen of woeste straatprotesten. Afgelopen week loodste de nieuwe regering-Fillon de wet voor ‘een minimale dienstverlening in het openbaar vervoer’ door het parlement die eist dat er in de spits treinen rijden als er weer eens een spoorwegstaking is. Vanaf zijn vakantieadres nabij Bordeaux kondigde Bernard Thibault, de nationaal-secretaris van de vakbond cgt, onmiddellijk acties aan.

Op de tweede etage van de Colonel Fabien bevestigt de persvoorlichter van de partij onbedoeld de stelling dat het communisme zich niet laat hervormen zonder zichzelf om zeep te helpen. Hij probeert duidelijk te maken hoezeer de partij in de afgelopen jaren is gemoderniseerd. Extreem links? Dat zijn de anderen, de trotskisten van Lutte Ouvrière en de Ligue Communiste Revolutionnaire voorop. De pcf wil juist niet alleen maar tegen zijn, maar constructief bijdragen. De doctrine van de dictatuur van het proletariaat werd al in de jaren zeventig verlaten; nu blijkt ook de revolutie afgezworen. Zelfs de markt en het neoliberalisme worden niet langer radicaal verworpen, al willen de communisten het wel van ‘een menselijk gezicht’ voorzien. Maar wie wil dat niet? Jean-Marc Bouvet, niet zonder trots: ‘Laatst zei een politiek analist me nog dat Ségolène Royal met ons programma de verkiezingen zou hebben gewonnen.’

Maar waarom heeft partijsecretaris Marie-George Buffet dan niet zelf de verkiezingen gewonnen? Over de officiële reden van het verlies moet de partij nog rapporteren, maar volgens Bouvet ligt het in elk geval ook aan de Franse journalisten ‘die altijd maar negatief over de partij schrijven’. Zou het in dat geval geen idee zijn om toch maar een Léger of een Duchamp te verkopen en van de opbrengst een goede spindoctor in dienst te nemen? Bouvet ziet wel wat in dat idee. Probleem blijft het partijbestuur: ‘Dat is nog niet zo ver, vrees ik.’