VN-conferentie in Mexico

Opium voor de armen

Op de VN-conferentie Financing for Development in Mexico werd het geweten van het Westen opgepoetst. Een bizarre cocktail van verlicht eigenbelang en politiek cynisme.

«Ja», Braulia Parra Pruneda heeft «op televisie wel iets opgevangen over die VN-conferentie» in haar stad. Maar wat die bijna zesduizend ambtenaren, politici, premiers en presidenten allemaal komen bespreken, ontgaat haar volkomen. Toch gaat de VN-conferentie over Braulia. En over de 1,2 miljard anderen die het moeten redden met een dollar per dag. Over het overgrote deel van de 4,6 miljard mensen in ontwikkelingslanden die elke dag weer moeten ploeteren om te overleven.

Braulia woont met haar man en zes kinderen in een van de vele arme wijken in de miljoenenstad Monterrey in Noordoost Mexico. Jaren geleden trok ze met haar gezin vanuit het plattelandsdorpje San Luís Popofi naar de rafelranden van Monterrey. Net als duizenden andere inwijkelingen bouwden ook zij een krotwoning op een gekraakt stukje grond. De semi-legale, stoffige barrio’s die zo ontstaan, bedekken steeds grotere delen van de berghellingen die Monterrey omsluiten. Een troosteloze bric à brac van bouwsels, met een mooi uitzicht over de stad als enig «woongenot». Als het regent, verandert de vloer in Braulia’s huisje in een modderpoel.

Door het verkopen van handgenaaide mandjes, poppen en andere prullaria kan ze haar gezin mee helpen onderhouden. Braulia kan lezen noch schrijven en leerde naaien door patronen uit tijdschriften na te maken. In 1998 kreeg ze een lening van 150 dollar van de organisatie Admic, die microkredieten verschaft. Met dat kleine bedrag kon ze materiaal en naaigerief kopen om haar «zaak» te starten. «Voor ik hiermee begon, had ik nog nooit een baan gehad», zegt Braulia. «Ik had nooit gedacht dat ik geld kon verdienen voor mijn gezin.» Haar man zit als arbeider regelmatig zonder werk. «We konden dankzij Admic onafhankelijk worden. Arme mensen zoals wij hebben maar een klein beetje nodig om te kunnen starten. Met mijn inkomsten kunnen we eindelijk een beetje vooruit.» Sinds kort heeft het gezin een toilet en een douche. Een nieuwe vloer wordt aangelegd.

Honderdvijftig dollar als startkapitaal voor een nieuw bestaan voor Braulia’s gezin. Evenveel als de gemiddelde prijs van een hotelkamer in Monterrey. Braulia’s realiteit staat mijlenver af van die van de ontwikkelingselite die kwam vergaderen in het blinkende conferentieoord Cintermex. Daar klonk de retoriek van ruim vijftig staatshoofden die — de één wat geloofwaardiger dan de ander — hun solidariteit met de armen van de wereld kwamen verkondigen. Op de VN-conferentie ging het over het grote geld van de ontwikkelingsbusiness, macro-economische steun, het op een andere leest schoeien van ontwikkelingssamenwerking en vooral over het openen der markten.

De deelnemers aan de VN-top deden hun best om te laten blijken dat er hard werd gewerkt. Pakken en mantelpakjes dribbelden driftig heen en weer, al dan niet gsm’end. Ernstige gezichten achter ronde tafels verklaarden de oorlog aan de armoede, terwijl iedereen wist dat de uitkomst van de VN-top al vastlag voor hij begon. De tekst van de Monterrey-consensus — nonsensus volgens de NGO’s — is vaag. De Mexicaanse president Fox wilde zo graag dat collega Bush ook present zou zijn, dat elke concrete toezegging uit de tekst werd verwijderd. De top moest afstralen op Fox, voormalig Coca-Cola-topman en goede vriend en handelspartner van Bush.

«Het probleem», zo zegt een diplomaat uit Mexico City die liever anoniem blijft, «is dat de Mexicaanse elite een economisch beleid voor de korte termijn voert. Men wil per se de koers van de peso ten opzichte van de dollar sterk houden. Wat de arbeid duur maakt en op langere termijn erg slecht is voor de economie en vooral de armere lagen van de bevolking.»

Fox wilde zijn populariteit met een internationale topbijeenkomst opvijzelen. «Er is nu al een tendens dat de grote assemblagefabrieken in Noord-Mexico, die voor veel werkgelegenheid en productiviteit zorgden en goedkoop produceerden voor vooral de VS, in het kader van het Nafta-vrijhandelsverdrag worden gerelokaliseerd naar goedkopere landen», aldus de diplomaat. «De gevolgen doen zich nu al voelen: de informele sector waarin mensen via straathandeltjes proberen te overleven, groeit snel. Mexico versterkt zijn schizofrene karakter: een kleine elite en een grote onderlaag.»

Des te onbegrijpelijker was de lofzang op Fox van Mark Malloch Brown, directeur van het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP. Fox slaagde er toch maar in de buitenlandse investeringen in Mexico hoog te houden, ondanks de economische malaise. «Een groot voorbeeld van een land met extreme armoede dat niet afhankelijk is van hulp.» Onzin, stelt de diplomaat: «De totale som aan buitenlandse investeringen mag dan hoog zijn, het geeft een vertekend beeld. Minstens zestig procent van die buitenlandse investeringen wordt gedaan in de banksector.»

Monterrey was van tevoren al mislukt, stellen de NGO’s. Dit terwijl iedereen wist dat de inzet van de top erg hoog was. Volgens de Wereldbank en de Verenigde Naties moet de huidige geldstroom voor ontwikkeling worden verdubbeld met jaarlijks vijftig miljard dollar, wil de internationale gemeenschap de verschillende millenniumdoelstellingen tegen 2015 bereiken, zoals daar zijn halvering van de extreme armoede en honger, basisonderwijs voor elk kind, het terugdringen van de kindersterfte, het stoppen van de verspreiding van dodelijke ziekten als hiv, malaria en tbc, de toegang tot schoon drinkwater en leefbare woonomstandigheden.

Zoals de Belgische premier Guy Verhofstadt het in zijn toespraak zei: «De armoede in de wereld is een existentieel thema van de huidige toekomstige tijd.»

De Cubaanse president Fidel Castro was de enige die de handen van organisaties en afgevaardigden uit de Derde Wereld geestdriftig op elkaar kreeg: «De wereldeconomie is een groot casino. Tegen elke dollar die met handel wordt verdiend, staan er honderd die circuleren via speculatieve transacties compleet los van de echte economie.» Volgens «el líder máximo» is de economische wereldorde «een systeem van plundering en exploitatie zonder voorganger». De consensustekst van Monterrey werd volgens hem opgelegd «door de meesters van de wereld, waarbij we ons onderwerpen aan vernederende en interventionistische aalmoezen».

Ook Verhofstadt verborg zijn misprijzen voor gratuite antwoorden op «de wanhoop van honderden miljoenen armen» niet. «Deze onrechtvaardigheid brengt ons bij het beeld van het collectieve egoïsme van de rijke wereld. Een wereld waarvan het enige antwoord te vaak een even ijdele als cynische liturgie oplevert.» Bien étonné de se trouver ensemble: van de westerse leiders kwam Verhofstadt het dichtst bij de boodschap van Castro.

In Monterrey werd door de rijke landen uiteindelijk twaalf miljard dollar extra per jaar beloofd. De lidstaten van de Europese Unie zegden gezamenlijk zeven miljard en de VS vijf miljard dollar toe. Vooral de VS blijven achteraan bungelen in «het peloton van de 0,7 procent van het bruto nationaal product». De rijke landen spraken dertig jaar geleden af dit percentage te besteden aan ontwikkelingshulp. Denemarken, Noorwegen, Zweden, Luxemburg en Nederland voldoen als enigen. België, Ierland en Frankrijk kondigden aan te zullen volgen.

Bush stelde nadrukkelijk dat geen enkele hoeveelheid geld voor ontwikkelingssamenwerking ooit voldoende zal zijn als landen hun markten sluiten. Daar kwam de aloude Amerikaanse «business monkey» uit de mouw. Hij pleitte voor vrijheid en dan vooral in combinatie met handel. Hij, de leider van het land dat net de import van staal aan banden had gelegd, het land dat in Doha dwarslag over de import van textielproducten uit ontwikkelingslanden. Volgens een recent rapport zou de halvering van de westerse tolmuren de ontwikkelingslanden al tussen de 90 en 155 miljard dollar per jaar extra opleveren. Verhofstadt: «Dat is de tweeslachtige houding van de rijke landen. Men zegt ‹we geven meer hulp, maar handel is belangrijker›. Dat is juist, maar dan moet je wel consequent zijn. De liberalisering moet twee- in plaats van eenrichtingsverkeer worden.»

«Een groot fiasco kun je de conferentie niet noemen, maar het wordt wel tijd dat men de daad bij het woord voegt», zegt Robin Ratcliffe, woordvoerster van Acción, de overkoepelende organisatie die instellingen voor microkrediet als Admic van de noodzakelijke financiële middelen voorziet. «Geld moet geïnvesteerd worden op plaatsen waar armoede is. Mensen als Braulia voelen zich absoluut niet verbonden met wat er op zo’n VN-congres gebeurt. Een kleine lening van 150 dollar was voor haar voldoende om weer enig perspectief te krijgen. Dat is concreet en dat telt.»

Ook UNDP-directeur Brown vindt niet dat de conferentie is mislukt: «Deze conferentie is niet een eindpunt, maar het begin van een nieuw momentum.» De UNDP is uiteindelijk verantwoordelijk voor het realiseren van de millenniumdoelstellingen. «Ik kreeg een duidelijk mandaat. Voor het eerst na een decennium waarin de hulp systematisch daalde is er nu een ombuiging van die trend. Maar ik geef toe dat het maar een begin is en dat we de komende jaren nog steile bergen zullen moeten beklimmen.»

President Bush zei in Monterrey dat «we tegen armoede vechten omdat hoop een antwoord is op terreur». Armoede is een voedingsbodem voor terrorisme, had de boodschap van Monterrey kunnen zijn. Maar het «Europa van de slappe knieën» was wederom te weinig eensgezind om dit eruit te slepen. Voor alle zekerheid verhogen de VS toch ook maar hun defensiebudget met 48 miljard dollar. Bijna evenveel als wat de VN voor de armen had gevraagd. De Belgische premier zei het iets poëtischer: «Als men in niets meer gelooft, gelooft men heel snel in om het even wat. Het fanatisme mag niet het nieuwe opium voor de armen worden.»