Papaverbestrijding in Afghanistan.

Opiumval

De papaverproductie in Afghanistan is het afgelopen jaar sterk gestegen. Volgens de VN zouden de Isaf-troepen smokkel en laboratoria sterker moeten bestrijden, maar volgens de Nederlandse militairen speelt het vernietigen van de inkomstenbron van kleine boeren de Taliban in de kaart.

KABUL – ‘Ik weet wel hoe je minder last kunt hebben van de opium’, zegt Sayfodin Sayhoon. Hij is hoogleraar economie aan de universiteit van Kabul en ontvangt ons in zijn appartement, gevestigd in een Oost-Europees aandoende betonnen flat, gebouwd door de Russen, die in de jaren tachtig net als de Navo nu naar Afghanistan kwamen om de bevolking te helpen. ‘Je moet alle bestuurders en politiecommandanten in de provincies en districten ontslaan en er schone mensen voor in de plaats zetten. Jongeren, academici. En die moet je veel macht en heel veel middelen geven. Pas dan heeft het vernietigen van papaveroogsten misschien zin. Nu is iedereen, van hoog tot laag, betrokken bij de opium. Er is een systeem van corruptie dat de hele overheid omspant.’

Volgens een deze week gepubliceerd rapport van de Verenigde Naties is de verbouw van opiumleverende papaver het afgelopen jaar opnieuw gestegen. Er werd zeventien procent meer papaver verbouwd dan het jaar ervoor en het totale papaverareaal in Afghanistan beslaat nu een groter oppervlak dan de cocavelden in Colombia. Bovendien stellen de VN vast dat nu gebeurt wat de Amerikanen met de door hen gepropageerde papaververnietiging juist trachtten te voorkomen. In het zuiden heeft de Taliban de drugsproductie voor het eerst stevig in handen. Opiumdollars financieren de guerrillastrijd. De VN roepen Isaf, de Navo-missie die de regering in Kabul ondersteunt, op zich meer in te zetten voor het bestrijden van smokkel en laboratoria.

Eenheid in de uitvoering van het Isaf-beleid is ver te zoeken. Isaf-militaren mogen geen papavervelden vernietigen. Groot-Brittannië heeft – op regeringsniveau – de begeleiding van het Afghaanse antidrugsbeleid onder zijn hoede. Britse militairen in Helmand, waar zestig procent van de Afghaanse papaver wordt verbouwd, assisteren de vernietigingsteams dan ook zoveel mogelijk. Nederland, dat in Uruzgan een consistent counter insurgency-beleid tracht te voeren en de bevolking probeert los te weken van de Taliban, is juist terughoudend in het verlenen van assistentie. Het vernietigen van de inkomstenbron van kleine boeren zal volgens de Nederlanders leiden tot een toename van steun aan de Taliban.

‘Je zult mijn troepen niet aantreffen terwijl ze papavervelden vernietigen. Wat we moeten doen, is de mensen een alternatieve economie bieden’, zei de Britse generaal David Richards vorig jaar in De Groene Amsterdammer. Richards was de bevelhebber van de Isaf-troepen in de zuidelijke regio van Afghanistan, waar de Nederlanders in Uruzgan onder ressorteren. Zijn toenmalige baas, de hoogste Navo-militair James Jones, een generaal van het US Marine Corps, was dezelfde filosofie toegedaan: ‘We moeten het drugsprobleem in zijn geheel aanpakken. Vernietiging van de oogst alléén is niet de oplossing.’ De burgerbaas van de Navo, Jaap de Hoop Scheffer, was nog terughoudender. ‘De Navo is geen opiumpolitie’, zei hij.

Het is de bedoeling dat de boeren die hun papaveroogst vernietigd zien, geholpen worden over te schakelen op andere gewassen. Dit alternative livelihood-programma komt al jaren niet van de grond. Opium levert vele malen meer op dan graan en op de droge grond valt weinig anders te verbouwen. De lokale Afghaanse overheden hebben daar doorgaans weinig belang bij. In verschillende provincies heffen gouverneurs een illegale belasting op de opiumopbrengst, die wordt geïnd door de lokale politie, die meedeelt in de winst.

Vorig jaar bezocht De Groene Amsterdammer de papavervelden rond Herat. De inwoners vertelden dat ze liever gewassen zouden verbouwen die wél in overeenstemming zijn met de islam. Opium is haram, verboden, want een goed moslim mag zichzelf en anderen geen schade toebrengen. ‘Maar’, zeiden zij, ‘de regering belooft ons van alles, maar niemand komt ons helpen.’ Een dorpsoudste, zelf een van de grootste opiumboeren van de streek, vertelde dat zijn dorp zou stoppen met de papaverteelt als de overheid eindelijk eens over de brug zou komen: ‘De regering heeft beloofd dat de wereldgemeenschap ons zou helpen, maar daar hebben we niets van gemerkt. Als we steun zouden krijgen, kunnen we hier een cementfabriek opzetten. En vlakbij zit olie, ook dat biedt mogelijkheden. Ik heb het gezegd tegen de gouverneur. ‘Geef ons geld voor fabrieken’, zei ik, ‘dan is de papaver binnen 24 uur verdwenen.’ Ik heb niets meer van hem gehoord.’ De vernietigingsteams rond Herat, geleid door de lokale politiecommandant, vernietigden slechts de velden van arme boeren. Wie smeergeld betaalde, behield zijn oogst.

In Uruzgan is de opiumoogst bijna gelijk aan vorig jaar. Nederlandse provinciale reconstructieteams (prt’s) proberen tijdens dagenlange patrouilles de boeren te laten overschakelen op andere gewassen. Daartoe is een programma opgezet om boeren een verrijkt soort amandelbomen te laten planten waarvan de amandelen vijf keer meer opleveren dan opium. Er zijn nu 24.000 bomen door Afghaanse non-gouvernementele organisaties aan boeren geleverd. Nederland betaalt de bomen, maar de ngo’s werken ‘onder de radar’ – ze hebben geen openlijke verbinding met de Nederlandse militairen. Het is een programma van lange adem. Pas over tweeënhalf jaar dragen de bomen vrucht. Prt’s brengen ook de irrigatiewerken in kaart, zodat die door Afghaanse ngo’s verbeterd kunnen worden. Daarbij wordt de bevolking ingeschakeld als werkkracht. Papaver heeft maar weinig water nodig. Op goed bewaterde grond is ook andere teelt winstgevend. De werkzaamheden lopen niet altijd soepel, zoals bleek tijdens een patrouille op de westelijke Dorafshan-oever, februari vorig jaar. De boeren kregen van een lokale ondernemer voor het werk aan de kanalen veel minder betaald dan beloofd en de arbeid werd gestaakt voordat het project voltooid was. De Nederlandse prt-commandant kon niet veel meer doen dan beloven dit te melden aan de lokale autoriteiten.

Tijdens het afgelopen oogstseizoen werd ook in Uruzgan papaver vernietigd, zij het op kleine schaal. De Nederlandse Isaf-troepen boden daarbij slechts minimale bijstand. Op Kamp Holland wordt niet geheimzinnig gedaan over de weerzin tegen vernietiging zonder dat de boeren een alternatief wordt geboden. Maar Isaf ondersteunt de Afghaanse regering, dus de vernietiging kan door Nederlandse militairen niet worden tegengehouden. Het werk werd verricht door een Afghaans-Amerikaans team; de Amerikanen werkten voor de militaire firma DynCorp. Het Amerikaanse weekblad The New Yorker stuurde een verslaggever mee. Die tekende op hoe de Amerikanen neerkeken op de Hollanders, die toestemming gaven slechts in een klein gebied oogsten te vernietigen. De boeren van wie de papaveroogst werd vernietigd, keerden zich ogenblikkelijk tegen de regering en de buitenlandse troepen. ‘Jullie hebben een grote fout gemaakt’, zei een getroffen boer tegen de Amerikaanse commandant. ‘Nu zullen wij nog meer tegen jullie zijn. Ik moet mijn kinderen voeden.’ Toen de tolk vervolgens koranverzen reciteerde die opium verboden, riposteerde de boer dat de koran ook leert dat kafirs, ongelovigen, bestreden moeten worden. De volgende dag werd het vernietigingsteam aangevallen. In een vier uur durend vuurgevecht werden vier Afghaanse agenten en verschillende burgers gedood.

De Navo en de VS tonen hun spaarzame successen in Afghanistan graag aan de buitenwereld, maar persberichten over het oprollen van smokkelnetwerken en laboratoria worden door de militaire voorlichters zelden afgescheiden. Logisch, zegt Sayfodin Sayhoon, want er zijn geen successen te behalen. ‘Laboratoria zijn hier bijna niet. Smokkel is niet tegen te gaan in dit woeste terrein. Afghanistan is nu het opiumproductieland, zoals China dat vroeger was. De verwerking gebeurt elders, vooral in Iran. Je kunt het zien aan de prijzen. De boeren verkopen een kilo voor honderd dollar aan de smokkelaars. Die brengen het naar de grens met Iran en krijgen per kilo vierhonderd dollar. Zodra het spul de grens over is, kost een kilo twaalfhonderd dollar. Daarna wordt het verwerkt tot heroïne. Die wordt verder getransporteerd en uiteindelijk in Amsterdam voor veertigduizend dollar per kilo verkocht. Dit is een economisch probleem. Opium levert simpelweg te veel op. Zolang de vraag blijft bestaan, zal er papaver verbouwd worden. Hier of elders. De vraag is niet hoe je daar vanaf komt, de vraag is hoe je voorkomt dat de Taliban er baat bij hebben.’