Opkomst en afgang

Het hele traject tussen Den Haag en Dordrecht discussieert het echtpaar achter me erover: moeten ze toch niet zo'n alarmknop om hun nek gaan dragen? Voor als een van hen alleen thuis is en het noodlot toeslaat. De val van het keukentrapje, in al zijn mogelijke verschijningsvormen.
‘Dan bel je toch 1-1-2, op je mobiel’, zegt de man.

‘Als je daar ligt zeker, op die keukenvloer. Dan moet je dat ding uit je zak halen, het nummer intoetsen…’
'Nou en?’
'Dat lukt je niet als je een herseninfarct hebt.’ Om haar argument kracht bij te zetten voegt ze er snibbig aan toe: 'En daar ben jij wel kandidaat voor, met je bloeddruk.’
Hij wil er niets van weten, niet van die bloeddruk, niet van die alarmknop om de nek. Uiteindelijk beslist hij: 'Daar zijn wij gewoon nog niet aan toe.’ Even blijft het stil. Station Schiedam schuift voorbij. De vrouw laat het er echter niet zomaar bij zitten, en brengt grover geschut in stelling. 'Jannie had ook nooit iets’, zegt ze zachtjes.
Nee, Jannie had nooit iets, en nu, zo distilleer ik uit hun dialoog, komen ze net van haar begrafenis. Kennelijk had zij ook geen alarm om haar nek hangen, en had dit haar allicht kunnen redden, zo moet ik afleiden. Het echtpaar vertelt me net te weinig, zodat mijn verbeelding het zelf mag klaren, het hele gruweltafereel mag filmen van de bloedplas waar zij dagenlang in heeft gelegen, de vrouw van tafeltje-dek-je die haar vond, samen met de opgetrommelde politieagent, die het ontzielde lichaam met het kille licht van zijn zaklamp fouilleert. Op de keukentafel ligt een voor de helft geschilde aardappel, het mesje ernaast.
Ze zijn er nog niet aan toe. Zal de man ooit, over een paar jaar, een cadeautje op de ontbijttafel leggen: een seniorenalarm, met een rode strik erom heen? 'Ja’, zal hij zeggen. 'Ik dacht, we worden dit jaar tachtig, en nu zijn we hier aan toe.’ En zullen ze elkaars alarmknoppen om de nek hangen, als medailles voor het behalen van de streep, en tevens als draagbaar memento mori?
Vast niet. Nu schuifelen ze over het perron, gearmd. Ze zijn er gewoon nog niet aan toe. Ik begrijp dat wel: zelf voel je je niet ouder worden, en zo'n ding aanschaffen zou de ontkenning van dat gevoel zijn, de capitulatie voor de ouderdom, knieval voor de tijd.
Even later sta ik voor een zaal waar de presentator mij aankondigt als 'jonge en veelbelovende auteur’. Ergens is dat natuurlijk heel raak geformuleerd - ik voel me namelijk echt jong en veelbelovend - maar tot wanneer ben je nog jong? Met 35 kennelijk nog wel. En met 37, of met 41?
En dat veelbelovende: kun je dat drie, vier, vijf boeken lang zijn? Wanneer is die belofte ingelost? Bij vijftigduizend exemplaren? Bij een grote literaire prijs? En daarna?
Wat jong is kan alleen oud worden, wat veelbelovend is alleen teleurstellen. Dat is het bezwaar tegen zulke rubriceringen, tegen de manier waarop carrières geframed en gerepresenteerd worden. Opkomst en verval. De bloei is eruit.
Misschien komt het door Hollywood, en de manier waarop ze daar een plot hebben leren afdraaien: het naar een climax opbouwen en dan in één keer afwikkelen tot een einde. Geen midden meer, net als in de politiek.
We willen helden zien, nieuwe gezichten, vers vlees proeven, in tv-decors gesprenkeld met studiolicht, 'in het zadel gehesen’. Om ze daarna net zo hard neer te mogen trappen, en ze zich in diezelfde studio’s mogen komen verdedigen. Opkomst en afgang: meer smaken zijn er niet.
Wordt deze roman dan zijn doorbraak naar het grote publiek? Die toverspreuk hoor je ook altijd. Alsof dat grote publiek iets is waar de schrijver per definitie altijd naar streeft, en hij bij het uitblijven van zo'n 'doorbraak’ leeft onder een juk, gevangen achter een muur waar hij maar niet doorheen kan 'breken’. Lukte het hem maar iets te schrijven wat de hele massa begrijpt en beroert! Alsof hij dat vanzelfsprekend wil. (Ja, geld hebben, veel geld, heel veel geld, dat willen we allemaal, maar dat is niet hetzelfde.) Het 'veel’ uit 'veelbelovend’ moeten we vooral heel letterlijk zien: de belofte van veel verkoop.
De dag dat je niet meer veelbelovend bent, kun je net zo goed je hoofd in het snoer van zo'n halsalarm steken. Net als wanneer je als debutant niet of te weinig 'doet’. Vreemd, als je bedenkt dat de debuten van veel oude meesters vaak niet eens zo bijster 'veelbelovend’ zijn geweest. Schrijven heeft rijping nodig, kan pas na veel praktijkervaring een bloeiperiode opleveren.
Maar we zijn niet meer geïnteresseerd in bloei, alleen in groei, en dan alleen het prilste stukje daarvan. Een schrijver ís nooit, hij wórdt, en daarna is hij er geweest.