Pocock en Lemm

Opkomst en ondergang van de Verlichting

Vanaf de zeventiende eeuw zijn er diverse bewegingen waar te nemen die allemaal tot de Verlichting gerekend kunnen worden, maar die onderling sterk van elkaar verschillen.

J.G.A. Pocock, Barbarism and Religion. Vol.I: The Enlightenments of Edward Gibbon, 1737-1764; Vol.II: Narratives of Civil Government
Uitg. Cambridge University Press, 339 + 422 blz., ƒ218,- (importeur Nilsson & Lamm)
Robert Lemm, De kruisgang van het christendom
Uitg. Aspect,158 blz., ƒ34,90

De Verlichting krijgt tegenwoordig van veel ellende de schuld. De mentaliteit dat alles moet kunnen en dat de enige zin van het leven bestaat uit het bevredigen van onze lusten; het blinde rationalisme dat ervan uitgaat dat alle problemen er zijn om te worden opgelost en dat de wetenschap ons hiertoe de middelen aanreikt; het opgewekte nihilisme van de postmoderne filosofen; het schaamteloze kapitalisme dat alles wat waarde heeft onteert door er een prijskaartje aan te hangen; het heilloze vertrouwen in de staat, dat heeft geresulteerd in de bloedbaden van de Franse Revolutie, het communisme en het nationaal-socialisme. Of het nu gaat om het stuitende materialisme van jonge blaaskaken die in hun BMW Z3 door de P.C. Hooftstraat blèren of om het filosofisch terrorisme van Jean-Paul Sartre, op de een of andere manier lijken de wortels hiervan te liggen in het denken van de achttiende eeuw.
Echt nieuw is dit allemaal niet. In zijn Reflections on the Revolution in France (1790) ging Edmund Burke niet alleen tekeer tegen de revolutionairen die in Frankrijk de traditionele samenleving met geweld omverwierpen, ook zette hij de aanval in op de wegbereiders van deze ellende: de Verlichtings filosofen. Met hun abstracte redeneringen en hun gehamer op de «rechten van de mens» hadden zij een klimaat gecreëerd waarin ongelimiteerd bloedvergieten werd goedgepraat met een beroep op een glorieuze toekomst. De werkelijkheid zat echter veel ingewikkelder in elkaar dan de philosophes in hun studeerkamers en in de salons hadden gedacht, zodat nog meer geweld noodzakelijk was om de weerstand te breken. Zo was het mogelijk dat in naam van de mensenrechten — «I hate the very sound of them», schreef Burke — de meest bloedige terreur werd uitgeoefend.
Naast bezwaren tegen de politieke consequenties van de Verlichting hadden Burke en andere critici ook grote moeite met het feit dat de philosophes de wereld hadden beroofd van haar luister en betovering. Het rationalisme en het onvoorwaardelijke geloof in de wetenschap hadden God gereduceerd tot een gepensioneerde klokkenmaker, die ergens in een hoekje van het heelal met zijn armen over elkaar zat te kijken hoe het door Hem vervaardigde uurwerk de eeuwen wegtikte. Het geheim van dit mechanisme werd beetje bij beetje onthuld, en op alle vragen des levens bestond een rationeel antwoord. Met het helle licht der rede was de mens in staat alle mysteriën op te lossen. God was overbodig geworden, dat althans dachten de lumières.

De aanval die Burke, en na hem de Roman tiek, inzette op de Verlichting, was voor een deel terecht. De denkers van wat Isaiah Berlin de Contra-Verlichting noemde, hadden gelijk in hun kritiek op de verheerlijking van de rede als onfeilbaar richtsnoer voor alle menselijk handelen, op de universalistische pretenties, op de neiging blauwdrukken voor de toekomst te maken en op abstracte denkbeelden als de «mensenrechten». Maar dit liet wel een aantal waardevolle zaken onverlet. Want wat was die Verlichting eigenlijk? Ruim tweehonderd jaar na dato zijn er bibliotheken over vol geschreven, maar de meest heldere definitie is reeds in 1783 op papier gezet, door een filosoof die berucht is om zijn moeilijke taalgebruik. Volgens Kant betekende Verlichting: «Het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen. Sapere aude. Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen! is derhalve de zinspreuk der Verlichting.»
De Verlichting was dus een bevrijdingsbeweging. Het ging om de bevrijding uit onwetendheid en bijgeloof, zaken die machthebbers eeuwenlang hadden gebruikt om mensen eronder te houden. Dat mensen niet alles voor zoete koek slikken, dat ze kritiek durven uiten op misstanden, dat ze hun eigen plan durven trekken en zich niet neerleggen bij bepaalde feiten die nu eenmaal zo zijn omdat ze altijd al zo geweest zijn — dat is de waardevolle erfenis van de Verlichting.
Voor de politieke machthebbers was dit even slikken, en voor de kerken betekende het een ramp. De laatste werden immers in hun bestaan bedreigd omdat de kudde meende het zonder herder te kunnen stellen. Vandaar dat de politieke elite en de clerus de handen ineensloegen bij hun offensief tegen de Verlichting.

Dit alles lijkt iets uit de geschiedenisboekjes. Wie echter het nieuwste werk van vertaler en essayist Robert Lemm leest, krijgt een andere indruk. Het lijkt alsof we hier te maken hebben met een tijdgenoot van Joseph de Maistre en Chateaubriand. De auteur van De kruisgang van het christendom lijkt de strijdmakker te zijn van de auteurs van Du pâpe en Le génie du christianisme.
Alle bezwaren tegen de Verlichting passeren hier de revue. Maar Voltaire, Rousseau, Hume en Gibbon zijn niet de enigen die ervan langs krijgen, ook de katholieke kerk wordt stevig op haar vingers getikt. In plaats van vierkant stelling te nemen en een onverzoenlijke oorlog te voeren tegen het rationalisme, materialisme, individualisme en de democratie heeft dit instituut getracht zich aan te passen aan de moderne tijd. Het heeft de ene concessie na de andere aan de Verlichting gedaan, en neemt hierdoor zichzelf, en God, niet meer serieus.
Lemm heeft natuurlijk gelijk: wie gelooft dat de wereld wordt bestierd door God, die van Zijn ondoorgrondelijke wijsheid alleen af en toe iets laat doorschemeren bij monde van een mummelende en trillende bejaarde op het balkon van de Sint-Pieter, voor zo'n gelovige is het gebruiken van het eigen verstand geen bevrijding maar een nachtmerrie, het begin van het einde.
De ware gelovige dient de strijd aan te binden tegen de Verlichting. Maar heeft «de Verlichting» eigenlijk wel ooit bestaan? Is er wel een historisch fenomeen geweest dat met deze term kon worden aangeduid? Wat Kant schreef, is immers niet iets dat pas in de achttiende eeuw voorkwam. Al tijdens de Renaissance, en zelfs al in de Middeleeuwen, waren er mensen die brutaalweg zelf op onderzoek uitgingen. Bovendien waren natuurlijk ook de Grieken en Romeinen «verlicht».

Volgens de Britse ideeënhistoricus Pocock is het niet juist om van «de» Verlichting te spreken. Onlangs verschenen van zijn hand de eerste twee delen van wat een omvangrijke serie over het achttiende-eeuwse denken moet worden. Zijn «vertrekpunt» hierbij is het magistrale, ruim drieduizend bladzijden tellende The Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbon. Dit tussen 1776 en 1788 verschenen werk, waarin de geschiedenis van zowel het Oost- als West-Romeinse keizerrijk tot aan de val van Constantinopel wordt beschreven, geldt nog altijd als een van de hoogtepunten uit de Britse historiografie. In het eerste deel, The Enlightenments of Edward Gibbon, reageert Pocock op de opmerking van de Italiaanse historicus Franco Venturi dat in het Engeland van de achttiende eeuw niet gesproken kon worden van Verlichting. Er waren daar immers geen figuren die ook maar enigszins te vergelijken zijn met de Parijse philosophes. De enige uitzondering zou Gibbon zijn geweest, maar die was eigenlijk een «balling». Met behulp van zijn duizelingwekkende eruditie laat Pocock zien dat dit alles niet klopt. Om te beginnen was Gibbon geen balling, bovendien verschilde hij sterk van de typisch Franse Verlichtingsdenkers. Zo staat Pocock uitgebreid stil bij Gibbons verdediging van de door Voltaire en de encyclopédisten veel gesmade eruditie. Maar zijn belangrijkste bezwaar geldt Venturi’s veronderstelling dat je alleen van Verlichting kunt spreken als er sprake is van een groep radicale, God loochenende en de wetenschap verheerlijkende literatoren.
Volgens Pocock kan het begrip «Verlichting» op twee manieren worden gehanteerd. Allereerst had het te maken met de opkomst van een systeem van staten die waren gebaseerd op een burgerlijke en commerciële samenleving. Hierdoor kon Europa ontsnappen aan de godsdienstoorlogen die het in de zestiende en zeventiende eeuw hadden geteisterd, zonder te worden beheerst door één, universele monarchie. Ten tweede bestond de Verlichting uit een serie programma’s die tot doel hadden de macht en invloed van de kerk terug te dringen. De kerk had immers de rust en vrede van de samenleving danig verstoord, zodat zij een toontje lager diende te zingen. Dit kon natuurlijk uitlopen op een frontale aanval op het traditionele christendom, maar het was niet noodzakelijkerwijs een pleidooi voor maatschappelijke hervormingen.

Op uiterst zorgvuldige wijze brengt Pocock de «geografie van de Verlichting» in beeld, en laat zien dat er vanaf de zeventiende eeuw verschillende bewegingen zijn waar te nemen die allemaal tot de Verlichting gerekend kunnen worden, maar die onderling heel sterk van elkaar verschillen. Vandaar dat hij in de titel het meervoud gebruikt en ervoor pleit voortaan van Verlichtingen te spreken. De grote verscheidenheid van het Verlichtingsdenken blijkt ook uit het tweede deel, waarin hij laat zien hoe origineel Gibbon was, door de Decline and Fall te vergelijken met een aantal andere achttiende-eeuwse boeken waarin de Europese geschiedenis vanaf de Middeleeuwen tot aan de achttiende eeuw werd beschreven. Giannone, Voltaire, Hume en anderen schilderden de Middeleeuwen als een tijd van «barbarisme en religie», waaraan Europa zich met moeite had ontworsteld. Gibbon ging verder terug en probeerde aan te tonen dat de barbarij onontkoombaar was op het moment dat de christelijke godsdienst vat kreeg op het verweekte en zelfgenoegzame Romeinse keizerrijk, waar de republikeinse deugden in het vergeetboekje waren geraakt. Deze visie, verwoord in Gibbons superieure ironische stijl, is zelfs na twee eeuwen nog in staat mensen tot blinde woede te wekken. Daarvan getuigt onder meer het boekje van Lemm, die Gibbon inlijft bij het legertje morele bandieten en geestelijke brandstichters die in de achttiende eeuw de heilige Moederkerk belaagden.