Oplage: één

PIETER WEBELING
VEERTIG DAGEN
Cossee, 203 blz., € 18,90

Het is gevaarlijk om te psychologiseren, maar als iemand die vooral bekend is als schrijver van grote interviews een roman schrijft waarin de hoofdpersoon interviewster is, dan ga je toch op zoek naar gelijkenissen. Pieter Webeling (1965) maakte jarenlang interviews voor de Volkskrant, en het enige wat in zijn debuutroman Veertig dagen op hem kan slaan is het zinnetje: ‘Op de redactie van mijn krant was de kwaliteit van mijn verhalen altijd onomstreden geweest, en ze mochten mij graag zien.’
Laat dat een les zijn, richt je op het boek. Niet op de schrijver. Dus. De uitgangssituatie van Veertig dagen in een notendop: Jennifer, succesvol interviewster, valt als een blok voor de charmes van kunstenaar Joeri, gelukzaligheid alom, totdat ze in verwachting raakt, Joeri haar een abortuskliniek inpraat en haar na afloop prompt verlaat. Huilend valt Jennifer in de armen van haar zus Grace, haar levenlang al haar steun en toeverlaat, die bekent dat Joeri en zij verliefd op elkaar zijn, en dat ze zwanger van hem is. Jennifer breekt met haar zus, en bijna zes jaar later komt hun vader met de boodschap dat Grace terminaal ziek is. Of Jennifer haar wil interviewen, een boek, ‘oplage (één), houdbaarheid (één leven)’ als herinnering voor haar zoontje.
Webeling schrijft over grote onderwerpen, de allergrootste misschien wel – Liefde, Verraad, Dood, Ouderschap – maar in plaats van ze literair te bespiegelen, gebruikt hij ze om een zo sentimenteel mogelijk verhaal te vertellen. De vertelstem van Jennifer klinkt te vaak als iets wat je aantreft als voice-over in een soapserie. ‘Voor een interview kon ik de meest complexe karakters in een paar uur tijd ontleden. Met het mijne lig ik hopeloos overhoop.’
‘Ooit zou ik zonder aarzelen de stem van mijn hart hebben gevolgd.’
‘Hij had zijn hart moeten laten spreken!’
‘Ik had geen geloof meer in de liefde en wilde mijn kleine zekerheden niet verspelen door lichtzinnige avontuurtjes.’
De hele gedachtewereld van Jennifer passeert expliciet de revue, en Webeling trekt alle registers open om het nog larmoyanter te maken. Zo is niet alleen Jennifers moeder ook gestorven aan kanker, nee, op haar doodsbed vertelde ze haar man dat ze ooit een betekenisloze affaire met de buurman had gehad. Boos liep haar vader weg, en toen hij de volgende dag terugkeerde was hij net te laat. De moeder was overleden. Hij was te laat om afscheid van haar te nemen. Bijna en passant wordt het incident opgedist.
In Veertig dagen janken de personages flink wat af, maar de lezer wordt nu niet echt geprikkeld om mee te doen. Daarvoor is het te plat, te snel, te gewild. Het paradoxale is echter dat Webeling een aardig potje kan schrijven, wat heet; het boek leest exceptioneel goed voor een debuut. Webeling wisselt behendig van versnelling, hij weet precies wanneer hij het verhaal moet onderbreken voor een herinnering of achtergrond. Net nadat ik moe de bladzijde had omgeslagen na een zoveelste hoofdstuk dat eindigt met een huilende Jennifer, begint het volgende ineens met een bespiegeling over het getal veertig in de Bijbel – ‘Het volk Israël ploegde veertig jaar door de woestijn voor het beloofde land, de zondevloed die Noah trotseerde duurde veertig dagen. Jezus verbleef veertig dagen en nachten in de woestijn, ongevoelig voor de verlokkingen van de duivel. Zou de Schepper veertig zien als symbool voor beproeving?’
Door het eerste hoofdstuk schiet je heen. Vrijwel achteloos lijkt Webeling al zijn karakters op het doek te schetsen, hij brengt een beeld van romantisch geluk en tegelijk schermt hij al met het idee dat het maar een illusie is. Zo cru als die liefdesdroom uiteen spat, zo heeft Webeling voor elke verhaallijn wel een onverwachte wending in zijn mouw.
Juist door dat duidelijke schrijftalent wordt het alleen maar spijtiger dat Webeling niet wat hoger gemikt heeft, dat hij iets minder grafisch te werk is gegaan, maar meer literair. Want is dit eigenlijk literatuur? Het idee van literatuur is dat er iets impliciets is, iets onderhuids, dat er meer is dan wat er op de pagina’s staat. Bij Webeling is er niets meer, geen dubbele bodems; what you see is what you get, een plat verhaal op de manier waarmee Kluun honderd miljard boeken heeft verkocht.
Nog voordat Veertig dagen officieel verschenen was, waren de rechten al aan het buitenland verkocht, voor ‘een riant bedrag (vijf cijfers)’, zegt de website van het boek. Die vijf cijfers zijn Pieter Webeling gegund – nog een bevestiging van de Kluun-traditie (dat commercieel succes vaak niets met literatuur te maken heeft) – en misschien dat het hem aanmoedigt de volgende keer de lat net iets hoger te leggen.