Theater op volle toeren

Opland is dood, maar ook Rob Wout

Geert Mak was tot 1985 redacteur van De Groene. Hij maakte deel uit van Oplands privétheater dat iedere dag, bij iedere gelegenheid, op volle toeren draaide.

Afgelopen maandag begroef Nederland de politiek tekenaar Opland, en met hem werd een hele wereld begraven: jongeheer Eelco, ei-hoofd Luns, kreukelbintje Den Uyl, knaapje Wiegel, heilsoldate Klompé, de kubuskop van Drees, ze zijn allemaal mee gestorven. Het is over en uit met dit huiselijke marionettentheater, voorgoed, en alleen al dat maakt een mens treurig.

Maar we begroeven die dag ook Rob Wout, een goed en bijzonder mens, en dat was echt erg. We begroeven een oneindige bron van leven, liedjes, carnaval, hupsakee en tralala. We begroeven Russische toespraken, dansjes, sigaren, zelf gefröbelde cadeautjes, melancholieke gedichten, witte kelkjes, schreeuwende discussies, feestelijke maaltijden. En Rob was niet alleen zelf de man van het lied en het pompompom, hij zoog zijn vrienden erin mee, hij maakte in ons wakker wat hij zag: ongekende kanten. Zo werden we allemaal deel van zijn tweede marionettentheater, het theater dat hij privé schiep, iedere dag, bij iedere gelegenheid.

Rob Wout heeft een mooi, rijk leven gehad. Dat vond-ie zelf ook. Rond zijn twintigste was hij al een van de meest bepalende politiek tekenaars van het land, en dat is hij altijd gebleven. Hij was een bindend element tussen zeker drie, vier generaties, op De Groene, ook daarbuiten. Alles en iedereen had hij meegemaakt, van de politionele acties tot de Zalmsnip, van Jeanne van Schaik tot Xandra Schutte, en toch werd hij nooit oud. Dat kwam natuurlijk doordat zijn loopbaan zo idioot vroeg begonnen was. Maar het had ook te maken met Rob zelf, altijd nieuws gierig, nooit vastgeroest, overal thuis.

Toen we bevriend raakten, zo’n twintig jaar geleden, sleepte hij al een halve legende achter zich aan. Hij had zijn Parijse jaren gehad, samen met Remco Campert en Simon Vinkenoog, hij had wilde tijden beleefd in de kunstenaarskolonie op kasteel Groeneveld bij Baarn, hij gold als de gangmaker van het Leidseplein — totdat hij een paar cafés nooit meer in mocht. Ik had weleens groepsfoto’s gezien uit die jaren vijftig, Rob ergens in een hoekje, een mooie vierkante jongen met donker baardje en felle ogen.

In het begin van de jaren tachtig was hij al wat grijs. Hij woonde met zijn vrouw Fran cine en zijn dochter Maartje in een antiek huisje in de Amsterdamse Jordaan, de kamers als doosjes bovenop elkaar gestapeld. Toen ik er de eerste keer kwam, begreep ik onmiddellijk waar al die stadsgezichten in zijn tekeningen vandaan kwamen, net zoals iedereen in hun huisje in Overijssel direct de befaamde ijstaferelen voor zich zag. Rob was toen grimmiger, politieker. Hij voelde een nieuw soort rechts opkomen, een golf van carrière- en geldbelustheid, een overheid die alleen nog maar dacht in «markt» en «producten», en hij gruwde ervan. Spot en hoon was het enige middel om staande te blijven in dit pre-paarse tij en daarom, zo had hij bedacht, moest zijn oude stek, de «Kleine Krant» van De Groene, nieuw leven worden ingeblazen. Een paar Groene-redacteuren deden eraan mee. Zo ontstond Opwaarts, een kleine pastiche op het opkomende yuppendom die het op de achterpagina van De Groene een jaar of twee heeft volgehouden.

Ik heb ons gezamenlijke product nooit meer durven bekijken. We schiepen dezelfde barokke taferelen als de zaterdagplaten van de Volkskrant, maar dan in geschreven woord. We hadden eigen karakters — dominee Van der Heffen, dr. J.J. Doornstoot, zuster Loesje — die daarna altijd onze conversatie bleven beheersen. Voor de lezer was het, zo vrees ik, helemaal niet zo leuk. Maar ons sleepte het door de malaise van die tijd, die schaterende sessies, die doorrookte donderdagnachten. En Rob begon in Opwaarts met een kleine nevenactiviteit, die tot op het laatst was terug te vinden in een hoekje van De Groene: zijn minuscule zondagsgedichten, de melancholieke vuurpijlen van zijn zoveelste alter ego’s Hermine Troosteloos en Abraham Heenvliet:

Ik beheers mijn snikken

En hoor mijn tranen zachtjes tikken:

Mijn schuld

Mijn schuld!

Zo leerde ik Rob langzaam beter kennen, buiten zijn twee marionettentheaters. Rob Wout was een gevend mens. Met kwistige hand deelde hij alles wat hij had in het rond: zijn talenten, zijn tekeningen, zijn plezier in de wereld. De Volkskrant en De Groene waren voor hem een tweede familie, en zijn familietrouw was onvoorstelbaar. Ik herinner me hoe hij — volkomen ten onrechte overigens — dacht dat tijdens een kerstborrel van De Groene zijn portemonnee was gerold. Ik hoor hem nog brullen als een dier: «Mijn krant, mijn eigen krant!»

Decennialang heeft Rob gratis voor De Groene gewerkt. Actiegroepen konden altijd een beroep op hem doen. Toen hij zelf een probleem had en een paar mensen voor hem in de bres sprongen was hij zielsdankbaar, maar vooral verbaasd. Dat je weleens iets terugkreeg was nooit hij hem opgekomen. Het hedendaagse scoren en incasseren was hem totaal vreemd. Zijn politieke opvattingen en zijn manier van leven liepen naadloos in elkaar over. Wellicht was dat ook een van de redenen waarom hij, bij mijn weten, geen vijanden had. Dat maak je niet vaak mee, zeker niet bij iemand die een halve eeuw lang heel politiek Nederland heeft gegeseld, gestoken en in theemutsen en bintjes heeft omgetoverd.

Dat sommigen van zijn tegenstanders, uit een soort masochistisch snobisme, zijn werk verzamelden, vond hij overigens minder leuk. Het bevestigde hem in zijn somberte over het effect van zijn werk, inderdaad, het vechten tegen de bierkaai.

Eigenlijk voelde Rob zich een negentiende-eeuwer die per ongeluk in de twintigste eeuw was verdwaald. Naarmate hij ouder werd, werd die kant van hem steeds sterker. Zijn taal werd plechtstatiger, hij droeg graag een zwarte hoed, brede zwarte jas, sigaar in de mond, en steeds meer begon hij te lijken op zijn alter ego’s Van der Heffen en J.J. Doornstoot. Er was één gelegenheid waarbij het allemaal samenvloeide, de negentiende-eeuwse Rob met de Bourgondische Rob, de barokke tekenaar Rob met de melancholieke Rob. Dat was op het Maastrichter carnaval.

Rob was een van de zeldzame Hollanders die net zo goed carnaval kon vieren als een geboren Maastrichtenaar. Hij deed dat al een halve eeuw, en geen jaar kon hij zich eraan onttrekken. Het is gebeurd dat hij ’s middags wegglipte uit Amsterdam, ’s nachts doorzakte in het zuiden, met de eerste trein terugkwam en op het Amstelstation besloot weer om te draaien, terug naar het Vrijthof. Ik heb hem en Francine er ettelijke malen mee gemaakt. Alles verliep altijd via vaste rituelen: eerst schminkte hij ons en zichzelf om tot kleine kunstwerkjes, uren duurde dat, en daarna liepen we door de donkere oude stad van café naar café volgens een ingesleten route, Van der Heffen voorop, met een wandelstok, een snor, een sigaar en een hoge hoed.

Ik herinner me een carnavalsnacht waarin het sneeuwde en vroor. «Kijk toch ’s, kijk toch ’s», zei hij. «Je gelooft je ogen niet. Dit is een andere tijd.» Uit de verte klonk het geblaas van een dronken trompet. Achter een raam zat, in het gele licht, nog een man te schrijven. Hij had een narrenkap op. De vlokken vielen. Even liepen we door de wereld van Opland zelf.

Op een Maastrichts carnaval is altijd ongelooflijk veel te zien: potsenmakers, dansers, mooie meisjes, magiërs, dronken dokters, en ook dat had een magische aantrekkingskracht op Rob. Rob was een deelnemer, maar tegelijk een intense toeschouwer. Niets was leuker dan Rob op een of ander deftig feest tegen het lijf te lopen, en vervolgens samen aan de zijkant te gaan zitten, grappend en sigaren rokend. Hij vergeleek zichzelf in een veel geciteerd interview met een klein kanonneerbootje, zo’n «vir-niks-nie-bang-nie-scheepie», dat naar alle kanten schietend langzaam ten onder gaat. Dat was inderdaad zo’n beetje zijn credo.

Hij hield van de zijlijn en hij voelde zich ook het meest thuis tussen de mensen van de zijlijn, journalisten, andere kunstenaars, de bewoners van café de Pels. Eigenlijk was hij geboren voor het toneel, met die schitterende zangstem van hem en dat feilloze gevoel voor theater. Maar één ding kon hij nog beter, en dat was kijken. Hij keek ongelooflijk goed, en daarom was-ie ook zo’n uitstekend tekenaar.

Er is de afgelopen dagen regelmatig iets gezegd over de verschillende stijlen van zijn tekeningen. Voor de Volkskrant tekende hij exuberant, Bourgondisch. Voor De Groene streng, bijna calvinistisch, net zo strak ineengedraaid als de harde rolletjes waarin hij vroeger altijd zijn tekeningen bij de krant afleverde. Volgens Rob kwam die minimalistische stijl voort uit het gedachtegoed van Rients Dijkstra, de legendarische hoofd redacteur van De Groene in de jaren veertig, vijftig en zestig. Iedere maandagavond overlegden ze uitvoerig over de plaat van die week — een overblijfsel van de platenvergaderingen waarop de eerdere tekenaars Jordaan en Braakensiek werden geïnstrueerd. Maar toen Dijkstra overleed, ging Rob er gewoon mee door. Die stijl was blijkbaar ook een deel van Rob zelf.

In de meeste in memoriams is sterk de nadruk gelegd op Robs bohémienachtige kant, en dat is begrijpelijk. Toch wordt hem zo onrecht aangedaan. Achter die façade was Rob Wout een uiterst consciëntieus vakman, een keiharde werker met een ijzeren discipline. Rob was niet de artiest die zomaar een plaat op papier smeet. Bekijk het origineel van zo’n «grappige» zaterdagplaat uit de Volkskrant maar eens goed. Overal zie je lichtblauwe lijntjes, voorschetsjes, correcties, sporen van urenlang gezwoeg. Rob Wout is nooit een analyticus geweest, zei zijn voormalige baas Jan Blokker, en dat klopt. Maar hij was evenmin een emotionele artiest die maar wat deed. Hij las zich helemaal suf, zag alle kranten, piekerde, praatte, was voortreffelijk geïnformeerd. Hij schoot niet alleen maar raak uit intuïtie of kunstenaarsbluf. Rob Wout was ook, gewoon, een heel gedegen journalist.

Schiep hij een soort afstand, met al die rollen van hem, met die voorkeur voor de zijlijn, met al dat geven en zo weinig hoeven?

Natuurlijk deed-ie dat. Rob was een erg gevoelige man en ook een man van zijn generatie. Die houden niet van gepraat. De zorgen die hij had over zijn gehandicapte dochter, over hoe dat later allemaal moest, hij draaide er meestal gauw van weg, vaak met een grap. «Ach, vadertje, het leven.» Rob communiceerde in bepaalde codes en als je hem kende, begreep je die wel.

Hij had een eigen waardigheid en daar hechtte hij aan. Toen het duidelijk werd dat hij niet meer beter zou worden, was hij de enige die dat onderwerp mocht aanstippen. Dan zei hij bijvoorbeeld: «Tja, als ik tussen zes plankjes, eh, dinges, eruit, de pijp, geknepen ben, je weet wel…» Maar razendsnel ging het dan weer over de nieuwe lay-out van Vrij Nederland of over de laatste roddel uit de stad. Iedere kruimel van plezier werd nog opgeveegd, tot het echt niet meer kon. We bespraken onze manier van afscheid nemen, want we wisten dat elke keer de laatste kon zijn. «Vorige keer was een beetje slapjes, vond u niet, Van der Heffen? Maar dit keer was het mooi hoogstaand.» «Wat u zegt, broeder Doornstoot.» Hij hield zijn eigen, negentiende-eeuwse waardigheid.

Rob stierf op een onverwachte manier. We hadden allemaal gedacht dat hij ooit, rond zijn negentigste, onder feestelijk handgeklap zou bezwijken tijdens de imitatie van een Schotse doedelzakspeler. Het ging anders.

Uiteindelijk werd hij zelf slachtoffer van de mentaliteit die hij met zijn kleine kanonneerbootje zo vruchteloos had geprobeerd te bestrijden. In een overbelast ziekenhuis werd zijn kanker niet herkend. Daarna was het te laat. In een ander overbelast ziekenhuis mocht hij niet sterven omdat hij de productiecijfers in de war bracht. Tijdens zijn laatste uren werd er nog met hem geleurd en gesleept. Hij stierf in een vreemd huis, in ontreddering.

Als je de laatste weken bij hem kwam, lag hij vaak naar het plafond te staren. «Ik ben op een strandje in Sicilië», zei hij dan. «Heel prettig, maar ik zal even terugkomen.»

Nu hoeft dat niet meer. Het is goed, lieve Rob.