Een goed bewaard geheim

Opland was een dichter

Een goed bewaard geheim: Opland was in zijn eentje het Amsterdams Dichterscollectief. De leden daarvan schreven jarenlang mijmerende, filosofische, erotische en altijd inspirerende verzen.

Zelf noemde hij ze «vaerzen» of «poëmen». Ze stonden helemaal achter in de krant. Er was een figuurtje op z’n Oplands bij gekrabbeld. Een mannetje of een vrouwtje. Heel soms ook een dier. Elke week een andere, ruim veertien jaar lang. Bijna altijd noteerde zo’n creatuurtje driftig iets. Met pen, potlood of ganzenveer. Een verbeten trek rond de mond, of een triomfantelijke uitdrukking van iemand die een literaire vondst van jewelste deed. Meestal stond er een inktpot bij, of een glaasje wijn. Heel soms een landschapje eromheen. Het laatste half jaar had hij wat meer tafereeltjes, waarbij pen en papier soms volledig ontbraken. De mooiste waren die van de leden van het Amsterdams Dichterscollectief. Dat Collectief bestond in Oplands hoofd. Het was een gonzend blik waarvan hij af en toe het deksel oplichtte. Eruit tevoorschijn sprong een gekwelde lyricus, die door de Schepper van een curieuze naam werd voorzien: Theodora Umwelt, Eleonora Duivenkater, Anton van der Wafel, Evert Treurniet, Ferdinand Terloops, Alfons Ratelaar, Thelonius van Abcoude, Eugenie Stamproy, Duifje Donzelaer, Odille Verdwijnsloot, Victorie Ikea Saab Volvo Van Zweden, Reinalda Van Meeteren Tot Henegouwen-Van Splunteren Tot Tekstverwerker.

Op 23 januari 1985 verscheen de laatste Opwaarts, een satirische bijlage van De Groene. Door overmatige joligheid en ons-kent-ons had de hoofdredactie tot opheffing van die krant-in-een-krant besloten. In de laatste Opwaarts, die voor de gelegenheid Teloorgang werd gedoopt («weekblad voor een uitgestorven denkwereld») waren de laatste verzen opgenomen van Hermine Troosteloos en J.J. Doornstoot jr., twee leden van het Amsterdams Dichterscollectief, dat verder uit Abraham Heenvliet, Sophia van Suchtelen en Philip Wouwerman bestond. Troosteloos rouwde in haar laatste regels om het podium dat haar ontnomen werd: «Ziet zacht achterom/ Och weemoed, och kom/ Ik treur bij de baar,/ Zo vreselijk, zo naar/ Zo’n gat in de grond/ Waar Opwaarts eens stond». Ook J.J. Doornstoot jr. weende bittere tranen: «De aarde sloot zich weder/ Opwaarts was nu weer neder/ Teloorgang stond op ons gelaat/ Benieuwd hoe het nu verder gaat». Er kwam nog wel een bloemlezing uit het werk van het Collectief: Brekend Riet, verschenen bij uitgeverij De Galm, te bestellen door Groene-lezers met heimwee naar de verzen van Heenvliet cum suis.

Ondertussen bleef het gisten in het dichtersblik. Opland moet een hele voorraad bijeengekrabbeld hebben alvorens op 19 november 1986 de eerste — een zekere Agaath Scherpenzeel — van een nieuwe lichting in De Groene afgedrukt werd. Opland produceerde ze soms bij tientallen. En leverde ze op een goed moment af aan het West einde. Immer begeleid met een ronkende brief. Op 26 mei 1997 schrijft Opland aan de toenmalige chef eindredactie Antoine Verbij: «Chèr monsieur Loinchez, ici de beloofde poèmes, wederom afgetroggeld van de diverse scribenten.» Het was de bedoeling dat De Groene het spel meespeelde. En dus diende Verbij, indien de voorraad verzen slonk en De Groene nieuwelingen wenste, in stijl te antwoorden: «De bodem van de schatkist, ooit gevuld met Uw gulden poëmen, is bereikt. Wij verkeren in Hoge Nood. Zoudt u andermaal in Uw beurs kunnen tasten om te zien of zich daar nog enige penningen van uw dichtershart bevinden. En zoudt u die dan op onze rekening kunnen storten, zodat wij volgende week weer met onze onbetaalbaar fraaie krant op de markt kunnen staan?» Opland die dan weer reageerde: «Dear Sir, As secretary of the Amsterdam Collectif of Post-Modern Poets I’ve the honour to send you on your demand some fresh products, I could collect from the various branches in our poetic garden. I hope you’ll taste them well and hope they well give you that tender and melangolic feeling of the fall I got from their odour and taste. Sincerely yours, Adriaan Heenvliet, younger brother of Abraham Heenvliet, who had a breakdown.» De verzen met de illustratie werden op A4-papier ingeleverd en soms ook opgestuurd. Op de enveloppe tekende hij een postzegel die ze bij de posterijen nog vrolijk afstempelden ook.

Na de eerste bijdrage van Agaath Scherpenzeel verschijnen er verzen van dichteressen als Veronica Valbracht, Helène Krommewij, Gezina Vreugedenhil, Wilhelmina Swatichem, Gijsbertina Oudewater en Theresa Braunschweig: «Mijn/ Lot/ Ligt/ In/ Uw/ Handen,/ Mijn/ Lusten/ Zijn/ Uw/ Onderpanden». Deze dichteressen schreven uitzichtloze levens hartstochtelijk en sans gêne van zich af: «Waarom zou het/ Mij niet/ Lukken/ Om/ Ontiegelijk/ De dag te/ Plukken…», dichtte Renate ter Heul. Op 27 mei 1987 doet de eerste dichter zijn intrede. Het is Anton van der Wafel: «Zag laatst/ Een meisje staan/ En wilde met haar/ Praten// Pas in het/ Stadhuis had ik/ Haar eindelijk in de/ Gaten». Gevolgd door Evert Treurniet en Lodewijk ter Kouteren: «Sompige moerassen/ Lagen vormloos/ Te wachten/ Op hun prooi// Terwijl gelaten zij/ Dachten:/ Wat is het/ Leven mooi». Het Collectief weerde christendichters niet. Zuster Ursula op 2 september 1987: «Zou ik niet willen/ Deze min/ Zie ik de satisfactie/ Hier niet/ Van in?/ Ik zou toch/ Genieten/ Ware het niet/ Dat God de Vader/ Mij dan weer/ Ziet».

In de loop der jaren worden erotischer strofen afgescheiden. Jantine Hilhorst: «Hoe kon ik zo doen/ Daar onder die

linden/ Hoe kon ik daar nou/ Zovéél aan vinden…?» Amalia IJsselstein: «Ik ben het wachten moede/ Het lange wachten op jou/ Ik pak mijn plastic roede/ En voel mij weer een vrouw». Dénise le Roi: «Mijn lippen/ Trilden/ In de nacht/ Mijn verlangen/ Stilde ik/ Heel zacht». Wat te denken van Teresa Dompierre: «Voorover/ Geleund…/ Liet hij/ Zich/ In mij/ Zakken…/ Terwijl ik/ Nog juist…/ Zijn billen/ Kon pakken». Veronica van Vollenhove: «De Dauw/ Drupte/ Langs/ Mijn Benen…/ Voordat/ Ik Kwam…/ Ging U/ Weer Henen…» «Zij wist geducht/ Van/ Wanten/ Daarom had zij ook/ Zoveel/

Klanten», tokkelde Jan Willem Zwagemaker op zijn lier. Misschien wel het allerfraaiste vers is dat van Gertrude Ter Plekke:

«Gevoelens/ Begroef ik/ Onder een/ Boom…/ Waardoor ik/ Nu van/ Beuken droom…».

Het Collectief liet postuum ook historische figuren aan het woord. Vincent van Gogh: «De zomer staat/ Bolderend aan het/ Zwerk…..!/ Ik moet nu toch/ Heel gauw aan het/ Werk!» Cyrano de Bergerac: «Terzake… Terzake!/ U bent niet/ Te genaken!/ Genoeg… Genoeg!/ Wij Duelleren/ Morgen/ Vroeg!» Zeer boeiend om te volgen waren de meer filosofische leden van de dichtersbent, die in kort bestek duizelingwekkende dimensies wisten op te roepen. Theolonius van Abcoude: Het/ Verschil/ Der/ Delen/ Is/ Misschien/ Veel:/ Men/ Moet/ Bekijken/ Het/ Geheel». Hendrik van Grundel: «De zaken/ Nemen/ Keer op/ Keer/ Een lijn/ Omhoog/ En ook weer/ Neer». Een categorie apart vormden de Engelse, Franse, Duitse en Russische muzenbroeders die in hun moers taal de Zangberg beklommen. We noemen een Sir Percey Blakeney To Oldham, een Clothilde De Roncephalles, een Sir Rodney Hilarious, een Christoph Willibald von Finckenhagen, een Elfire Von Schnupfenhagen.

Met Opland zijn ook de talentvolle leden van het Amsterdams Dichterscollectief gestorven. In maart leverde Opland een laatste setje in. Begeleidend briefje: «26 Maartse poëmen, u aangeboden omdat onuitroeibaar de lente van het jaar 2001 er aan komt. Groet ook alle andere opvarenden van mij, O..» We hadden er toen nog heel veel liggen. Inmiddels is het laatste setje van 26 aangebroken. Er zijn er nog tien te gaan.