Het gezicht in politieke tekeningen

Oplands trouw

De Groene Amsterdammer heeft in haar lange geschiedenis slechts drie politieke tekenaars gehad: Johan Braakensiek, L.J. Jordaan en Opland. Zij bepaalden voor een groot deel het gezicht van het blad.

Politieke tekenaars leven lang. Veel langer dan schrijvende journalisten. Volgend jaar bestaat het weekblad De Groene Amsterdammer 125 jaar. In die lange tijd, sinds 1877, heeft De Groene in wezen niet meer dan drie politieke tekenaars gehad. Dat klinkt op het eerste gehoor misschien armoedig, maar het betekent een grote rijkdom, omdat het om drie heel belangrijke talenten gaat: Johan Braakensiek, meer dan vijftig jaar lang, tot 1931; L.J. Jordaan, meer dan dertig jaar, tot 1948; en Opland, niet minder dan 54 jaar, van 1948 tot 2001. Anderen hebben een tijdlang illustraties geleverd, zoals Charles Boost en Lex Metz. Zelfs de latere magisch-realistische schilder Willink heeft in 1931 een enkele maal een politieke prent geprobeerd. Maar de grote drie tekenaars, Braakensiek, Jordaan en Opland, waren het die ieder voor een belangrijke periode het gezicht van De Groene Amsterdammer bepaalden. Elk van hen op een heel verschillende manier.

Johan Braakensiek tekende groot opgezette tableaux vivants van deftige heren en allegorische dames die met elkaar een scène uit het politieke leven uitbeeldden. Scherp of kritisch was hij bijna nooit, wel helder en begrijpelijk, met een minzame humor. Zijn prenten werden door hem direct op steen getekend, ze werden los van de krant afgedrukt en door de lezers vaak apart verzameld of ingebonden. Wij vinden ze nu ouderwets, maar ook in zijn eigen tijd werd Braakensiek al van «theetante-knusheid» beticht. Je hoeft zijn brave uitbeeldingen maar te vergelijken met de heftige, angstige en woedende prenten in expressionistische stijl in de in 1915 van de officiële Groene afgesplitste Mosgroene van de hand van P. van der Hem, Willy Sluiter en Jan Sluyters, om te zien hoe braaf en traditioneel Braakensiek ook voor zijn dagen tekende en dacht. Henri Wiessing, die zeven jaar zijn hoofdredacteur was, noemt Braakensiek in zijn levensherinneringen Bewegend zelfportret: goedhartig, bescheiden, saai, betrouwbaar, door-en-door een kleinburger, maar ook iemand die «een broertje dood had aan denken». Omdat hij niet in staat was in politieke zin partij te trekken, tekende hij slechts wat de hoofdredacteur hem aangaf. In de zeven jaar dat Wiessing met hem samenwerkte, heeft Braakensiek volgens hem maar één keer zelf een plaat bedacht. De ideeën voor de andere zevenhonderd platen die in die tijd door hem werden getekend kwamen voort uit de zogenaamde «platenvergadering», die iedere week werd gehouden om het onderwerp en ook de vorm van de wekelijkse politieke prent te bepalen.

L.J. Jordaan (Leo, maar die voornaam hoor je nooit) moet ook met die platenvergaderingen te maken hebben gehad. Hij was filmcriticus en tekenaar uit de sociaal-democratische school van Albert Hahn. Zijn politieke prent stond twintig jaar lang groot op het omslag van De Groene. Het zijn sterke, beeldende platen die ons nu nog aanspreken. Ze zijn niet altijd mooi, ook niet zo heel erg grappig, maar Jordaan is indrukwekkend als hij zich keert tegen de opkomst van fascisme en communisme. Platenvergadering of niet, hij wijkt daarbij vaak duidelijk af van de denkbeelden van de meerderheid van de Groene-redactie. In het begin van de jaren dertig bestond die voor een deel uit deftige professoren, die nog wel enige sympathie voor het fascisme konden opbrengen. Later werd de Groene fel antifascistisch, maar ging steeds meer de politiek van de Sovjet-Unie verdedigen.

Voor Jordaan waren de twee kwaden — nationaal-socialisme en communisme — even erg. Hij beeldde ze af als reuzen, duivels, monsters, machtige dreigingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog tekende hij zijn monumentale prenten over de Duitse bezetting die De Groene direct na de bevrijding in 1945 in een herinneringsalbum uitgaf. Niet lang daarna ging het mis tussen Jordaan en De Groene. In 1948, na de communistische «coup van Praag» in Tsjecho-Slowakije, die door De Groene niet ondubbelzinnig werd veroordeeld, kwam het tot een breuk. Jordaan voelde zich niet meer thuis in De Groene van Rients Dijkstra en Sem Davids, die een onafhankelijke derde weg bleef zoeken tussen dictatoriaal communisme en democratisch kapitalisme. Bij Vrij Nederland en Het Parool, tijdens de Koude Oorlog de anticommunistische media bij uitstek, paste hij veel beter.

De tekeningen die Jordaan in 1947 en 1948 voor De Groene heeft vervaardigd, maken op mij een tamelijk ongeïnspireerde en moedeloze indruk. Bij het bekijken van de oude leggers van De Groene ontdekte ik zelfs dat Jordaan voor een van zijn prenten regelrecht een jonge tekenaar plagieert, die kort daarvoor in De Groene heeft gedebuteerd. Opland kwam in februari 1947 De Groene binnen met een politieke prent waarop we zien hoe de Engelse minister van Buitenlandse Zaken Bevin een tweelingbaby Pales tina te vondeling legt bij de deur van de Uno. Zijn prent werd klein afgedrukt in de Kleine Krant, de beroemde pagina met grappen en grapjes van De Groene. Acht maanden later, in oktober van dat jaar tekent Jordaan precies dezelfde scène. Ook weer Bevin als een oudere vrouw die haar kinderen bij de Verenigde Naties op de stoep deponeert. Was hij zich er niet bewust van dat hij plagiaat pleegde? Was hij zo boos op De Groene dat het hem niet kon schelen? Of wilde hij laten zien hoeveel indrukwekkender zijn monumentale tekenstijl was dan de onhandige krabbels van die jonge snuiter Opland?

Het is trouwens niet Opland die Jordaan van de voorpagina van De Groene Amsterdammer verdringt. De Groene experimenteert al een tijdlang met verscheidene tekenaars naast Jordaan. Wim van Wieringen maakt een aantal politieke prenten en later tekeningen voor de Kleine Krant. Hij zal later voor De Telegraaf gaan tekenen. Een heel andere tekenaar is Lex Metz, die uiteindelijk de prent van Jordaan op de voorpagina van De Groene overneemt. Lex Metz was een strijdbare, linkse tekenaar, die dichter bij de CPN dan bij de PvdA stond. Maar in deze tijd zijn zijn prenten niet zo fel, vaak zijn ze volkomen onpolitiek. Beroemd waren zijn «Zwervers», die jarenlang commentaar gaven op het alledaagse gebeuren; er werden boeken en poppen van gemaakt, totdat het Lex Metz zelf ging vervelen. Later maakte hij, in een curieuze, modernistische stijl tekeningen bij het wekelijkse vondeliaanse gedicht van Joost (Evert Werkman). Vaak waren vers en tekening niet alleen in stijl, maar ook inhoudelijk met elkaar in tegenspraak.

Op één keer na, in de zomer van 1948, toen Jordaan met vakantie was, hebben de prenten van Opland nooit op de voorpagina van De Groene gestaan. Niet toen hij aarzelend begon, niet toen hij steeds meer een beroemdheid werd, niet toen zijn prenten Nixon, Biesheuvel en alle andere machthebbers geselden en ook niet later, toen hij zijn tekeningen steeds meer vereenvoudigde tot het om haast abstracte symbolen ging. Wel kon hij bij tijd en wijle uitbundige, fraaie, gekleurde omslagen voor speciale Groene-themanummers ontwerpen, die dan ook altijd extra goed verkochten. Maar zijn zwart-witprenten werden altijd binnenin gehouden, vaak op een opvallende plaats op pagina drie, maar soms ook onooglijk klein afgedrukt, zodat het eerder illustraties dan politieke platen leken.

Zo begon het ook, met zijn allereerste politieke prenten. Rob Wout wilde als jongen van achttien jaar na de middelbare school, waar hij ruzie had gekregen toen hij in een opstel de politionele acties van Nederland in Indonesië veroordeelde, gaan studeren, maar de Politiek Sociale Faculteit zou pas in oktober 1948 opengaan. Hij had een baantje bij Vrij Nederland, bij het cliché-archief, maar zijn tekeningen kon hij daar nauwelijks kwijt. En tekenen deed hij altijd. Zijn zuster vertelde op zijn begrafenis dat hij al tekende voordat hij kon praten: hij vroeg brabbelend om poj en piej (potlood en papier).

De dichter Ed Hoornik, die in die tijd bij Vrij Nederland werkte, wees hem op De Groene Amsterdammer: daar wordt het mooiste Nederlands geschreven, zei hij ter aanbeveling. In De Groene gebruikte Rob Wout voor het eerst en voortaan voorgoed het pseudoniem Opland. Hij heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat zijn tekenstijl in het begin geïnspireerd was door de stijl van de Australisch-Engelse tekenaar David Low, die grote politieke problemen in bescheiden, soms luchtige, soms scherpe en boze tekeningen omzette, vaak in een sterk vereenvoudigende stijl.

Die vereenvoudigende stijl werd Oplands handelsmerk in De Groene. Zijn tekeningen werden op den duur grafische experimenten: hoe kun je met enkele lijnen, een enkel zwart vlak, toch een politieke situatie analyseren en je emoties uitdrukken. Maar vóór die tijd ontwikkelde Opland nog een andere manier om situaties te vereenvoudigen. Bij hem waren politici geen wassen beelden in statische groeperingen, zoals bij Braakensiek. Ook geen verscheurende monsters en imposante reuzen, zoals bij Jordaan. Hij tekende machthebbers in die eerste jaren steeds meer als kleine mannetjes met veel te hoge zwarte hoge hoeden. Het waren grappige, rare poppetjes, waar je plezier om kon hebben. Oplands tekeningen waren in die tijd niet rabiaat, niet extreem vóór dit of tegen dat. Het waren eerder verwonderde overpeinzingen over rare kereltjes die zich boos maakten en zich belangrijker voordeden dan ze waren.

Op een andere manier en in een andere kunstvorm droeg Opland bij aan de ontluistering van autoriteit, zoals in dezelfde tijd ook Annie M.G. Schmidt. Zij bracht de alledaagse taal van de straat en de huiskamer in de literatuur. Dat beschouwde zij later als haar belangrijkste prestatie: dat zij daarmee ruimte schiep voor andere dichters, schrijvers en theatermakers. Opland deed iets dergelijks. Nu is het in politieke prenten niet ongewoon grote problemen om te zetten in huiselijke taferelen. Dat deed ook Braakensiek al met veel succes. Maar door zijn abstraheringen creëerde Opland een vrolijke symbolentaal waarmee hij de machthebbers te lijf kon, vriendelijk spottend, maar soms ook honend en woedend, zoals oud-premier Van Agt zich nog herinnert. Niet voor niets weigerde hij enig commentaar te geven bij de dood van Opland: «Hij is op de verkeerde dag gestorven», zei hij, want Van Agt moest met kennissen naar de Vierdaagse.

Opland herinnerde zich later dat er ook in zijn eerste tijd nog «platenvergaderingen» waren waar de redactie hem wilde vertellen wat hij moest tekenen. Later werden die seances teruggebracht tot een telefoontje met hoofdredacteur Dijkstra. Na de dood van Dijkstra in 1970 behoorde dat tot het verleden en was Opland ook binnen De Groene volkomen onafhankelijk geworden.

Toen de Groene-redactie nog maar nauwelijks had begrepen wat ze met Opland aanmoesten, was het de krantenman bij uitstek Lücker die hem vroeg voor de Volkskrant te komen werken. Lücker, nog altijd de schepper van de huidige Volkskrant, met z’n mengsel van serieuze politieke beschouwingen en triviale leut, was in staat het genie te herkennen nog voordat het zich eigenlijk had gemanifesteerd. Hij zag de kwaliteiten van Opland die in De Groene nog aarzelend aan het zoeken was naar een eigen stijl. Opland was er tot zijn laatste dagen trots op dat hij nooit bij De Groene is weggegaan. In het ziekenhuis, veertien dagen voor zijn dood, zei hij dat nog tegen mij. Lücker stelde in 1948 als voorwaarde dat hij alle andere tekenwerkzaamheden zou opgeven, maar de negentienjarige Rob Wout begreep instinctief dat hij dan met huid en haar aan de Volkskrant verkocht zou zijn. Hij garandeerde zijn zelfstandigheid door in De Groene te blijven tekenen. En hij hield daarmee ook een laboratorium in stand waarin hij zijn grafische kunst en zijn symbolentaal kon uitwerken die hij vervolgens in meer uitbundige, populaire platen in de Volkskrant kon toepassen.

Politici waren gek op Opland. Ze spaarden zijn platen uit ijdelheid en al in 1964 schreef mr. J.M.A.H. Luns, de door Opland fel gehekelde minister van Buitenlandse Zaken, een vriendelijk voorwoord bij een bundeling van al die vrolijke en boze tekeningen. Toch was er afgelopen maandag geen enkele landelijke politicus aanwezig op zijn begrafenis. Tweede Kamer noch kabinet hadden iets laten horen. Misschien was het alleen maar toeval of was de hele Nederlandse politiek met vakantie. Maar de aanwezigen op een feestelijke bijeenkomst die na de begrafenis in Oplands geest werd aangeboden, hielden het er op, dat al die heren politici heimelijk toch blij zijn van die vrolijke lastpost af te zijn. Bij zijn leven waren ze altijd vol lof over hem, zij het dat die soms met een zuur gezicht werd uitgesproken. Na zijn dood is hij er niet meer. Denken ze. Ze vergeten dat ze de geschiedenis in zullen gaan met de eihoofden, bultenkoppen, speerneuzen en mopsgezichten die Opland aan hen heeft gegeven.

Want politieke tekenaars hebben in veel opzichten een heel lang leven. Opland is voor iedereen die hem heeft gekend, en vooral voor zijn vrouw Francine en zijn dochter Maartje, en niet het minst voor zijn vrienden van De Groene, veel te vroeg gestorven. Maar hij heeft, sinds hij als achttienjarige bij De Groene is begonnen, zeker negen of tien generaties Groene-redacteuren overleefd. En zijn tekeningen, de invloed die hij heeft gehad op hoe we de wereld zien en de herinneringen aan zijn flamboyante persoonlijkheid zullen ons allemaal overleven. Dankjewel, Rob, dat je De Groene, jezelf en ons allemaal trouw bent gebleven.