Kwajongens

Oplandski en Fransski

Ik zocht Rob Wout weleens op in het ziekenhuis. Ik heb een hekel aan vaste bezoekuren. Opzitten en pootjes geven. Nee, ik ging liever tussendoor. Ik merkte dat Rob dat ook spannender vond. Kwajongens. Lekker iets doen wat niet mag.

De eerste keer om een uur of een ’s middags. De portier vroeg waar ik heen wilde. Naar meneer Wout, zevende verdieping, kamer vier, onderstreepte ik extra, alsof ik kind aan huis was. Maar het is helemaal geen be zoekuur. «Fransski is de naam», zei ik. «Professor Fransski.» O ja, natuurlijk, vanzelfsprekend, gaat uw gang professor, u kent de weg, professor!

Dat was lachen in de treurige ziekenzaal vol gerochel. Professor Fransski, dat deed onze tekenende bard goed. Er kwamen twee dames in witte jassen binnen. «Daar heb je mijn dokter», fluisterde Rob, «nu geen Fransski meer.» Omdat we zo zaten te gniffelen, kreeg Rob een complimentje dat hij er zo goed uitzag, hij had weliswaar weer wat inwendig botwerk gebroken, maar hij hield moedig stand, komedie of geen komedie.

Een komediant was Rob Wout immers in hoge mate. Waar hij ook maar het geringste vermoeden kreeg dat er wat op te voeren en te spelen was, stond hij vooraan.

Wij hebben elkaar leren kennen in 1982 door bemiddeling van het internationale muziektheaterimpresariaat b.v. waar indertijd Dirk Ayelt Kooiman de scepter zwaaide. Die wist de beide zangers Oplandski en Fransski van de opera van Moermansk te strikken voor een eenmalig optreden in theater Frascati aan de Nes te Amsterdam. Een optreden in het kader van het tienjarig bestaan van uitgeverij De Harmonie. De eerste repetitie vond plaats tussen de middag bij Arti, de kunstenaarssociëteit. Het was ook de eerste maal dat wij elkaar ontmoetten. Ik zat al met onze pianist op hem te wachten. Daar kwam de meester binnen. Rob met een flambardachtige hoed op en net als ik met een rode zwierige sjaal om de schouder. Hoed af met een imposante buiging à la Louis Quatorze en de repetitie kon beginnen. Hij was nog nooit bij Arti geweest. Hij vond het er aanvankelijk maar niks bij die Kulturkammer-jongens. De volgende keer moesten we maar op De Kring aan de slag. Het bleef Arti.

Na die eerste keer vonden we van elkaar dat we broers waren en dat hebben we altijd zo gehouden. Ik had toen nog zo’n «lekkere stevige manier van doordrinken», vond Rob.

Oplandski en Fransski moesten het op die gedenkwaardige avond in Frascati opnemen tegen coryfeeën als Koot en Bie en Freek de Jonge. Natuurlijk kwamen we als overwinnaars uit de strijd.

De laatste keer dat ik in het ziekenhuis voorgoed afscheid van hem nam, zat dezelfde portier daar weer beneden en riep: Tot ziens, professor Fransski!

Buiten keek ik tegen het gebouw op. Was dat niet zijn venster met die vele bloemen? Even zag ik die bloemen niet meer, want ik riep zo hard ik kon: Tot ziens, Oplandski!