Opheffer

Oplichters & schelmen

De komende weken ga ik in De Groene schrijven over schelmen. Echte schelmen, literaire schelmen, schelmen in films en in de literatuur.
In 2003 hielden Theo van Gogh en ik voor het programma Mores van de Humanistische Omroep een interview met Heer Olivier. Ik citeer even – voor degene die hem niet kennen – wat Wikipedia over hem zegt, en dan begrijpt u meteen waarom Theo en ik hem wilden interviewen:
‘Ari Olivier (20 augustus 1939), ook bekend onder de bijnaam “Heer Olivier”, is een Nederlandse oplichter die in Duitsland veroordeeld is voor het organiseren van een vals-geldtransactie. Olivier pleegde vanaf
de jaren zestig of de jaren zeventig fraude door voor grote bedragen te handelen in goederen die na betaling niet werden afgeleverd. Bij deze goederen ging het soms om complete pijpleidingen, schepen of een katoenoogst. Zijn bijnaam was “de meesteroplichter”. Ook specialiseerde hij zich in het “geldopmaken” van rijke weduwen.
In 1993 trad Olivier op als een soort pseudo-zakenpartner in een door de Amerikaanse douane (US Customs Service) geleide actie.
Op 15 april 1997 werd hij gearresteerd in Frankfurt am Main in Duitsland, wegens het organiseren van een transactie in vals geld (US dollars) voor derden.
Vanaf 3 april 1997 presenteerde hij het Veronica tv-programma Heer Oliviers wereld, over oplichtingspraktijken. Veronica beëindigde dit programma al na drie afleveringen vanwege Oliviers arrestatie in Duitsland.’
Tot zo ver Wikipedia.
Van Gogh en ik wilden een film over Heer Olivier maken – vooral het aspect van het ‘geldopmaken’ van rijke weduwen trok ons al jaren aan. Al ruim twintig jaar was ik op dat moment in de weer met het verzamelen van informatie over oplichters, schelmen, kleine diefjes, vervalsers en wat je op dat gebied nog meer hebt. Ik imiteerde daarin enigszins de Oostenrijks-Amerikaanse regisseur Billy Wilder – mijn lievelingsregisseur overigens, bekend van Some Like it Hot, The Fortune Cookie, The Appartment en Sunset Boulevard – die, toen hij nog, voor de oorlog, in Wenen woonde, als journalist ook verzamelingen aanlegde van allerlei moordenaars, verkrachters en necrofielen, materiaal voor de films die hij later wilde maken.
Even een terzijde: omdat Billy Wilder wilde weten wat deze mensen dreef, belde hij, als verslaggever, een keer aan bij Sigmund Freud, bekend Weens therapeut, op Berggasse 19 in Wenen. Ik vertel toch even deze anekdote – iets ingekort – in de woorden van Billy Wilder. Het staat in het boek Conversations with Billy Wilder en het is net iets te grappig om te laten liggen. In 1999 vertelt Wilder in zijn bekende accent:
‘I was going up to Berggasse – number 19 Berggasse. (…) I never met any Austrian then who was analyzed. I never met anybody who was analyzed. It was just a kind of a secret thing there. And I pressed the bell, and the maid opened it, and she said, “Herr Professor is having lunch.” I said, “I’ll wait.” So I’m sitting there. (…) I saw the couch. It was a very tiny little thing (…) With Turkish carpets, full of Turkish carpets, one on top of the other. (…) And I was struck by how small that couch was. All his theories were based on the analysis of very short people. (…)
He was sitting there in a chair. His chair was a kind of a little bit in back of the headpiece of the couch. And I look up, and there comes Freud. A tiny man. He had a napkin tied [around his neck], that white thing, because he got up during lunch, and he says, “A reporter?” And I said, “Yes, I have a few questions.” He says, “There is the door.” He threw me out.
It was a high point of my career.’
Nooit en nooit heeft Billy Wilder nadien iets willen weten van Freud. (wordt vervolgd)