Opmars der telecraten

Europa raakt zo langzamerhand geheel verstrikt in de netten van de mediamagnaten. De postpolitieke staatsgrepen van Rupert Murdoch, Bernard Tapie en Silvio Berlusconi.

‘ALS IK HET over mocht doen’, verzuchtte de grondlegger van de Europese eenwording, Jean Monnet, aan het eind van zijn leven, 'dan zou ik niet bij de economie maar bij de cultuur beginnen.’ Als hij zou kunnen zien wat de hedendaagse Europese massamedia onder de vlag van de cultuur verkopen, zou hij die woorden subiet intrekken.
De ethergolven zijn ontegenzeglijk de voornaamste dragers van cultuur in de brede zin des woords geworden. Dank zij de wereldwijde economische deregulatie van de jaren tachtig gehoorzamen ze meer en meer aan de wetten van de markt. Onder het mom van de vrijheid van onderneming zegeviert de vrijheid van concentratie, en in de Europese ether voltrekt zich dan ook een integratie van de bedenkelijkste soort. Mediagiganten als het Duitse Bertelsmann, de Amerikaans-Australische Murdoch-groep en het Fininvest-imperium van Berlusconi werpen hun netten uit over het Europese medialandschap en strikken daarin zoveel mogelijk grootschalige en winstgevende producenten.
En waar nodig stampen ze die producenten met forse investeringen uit de grond. Duitse uitgevers hebben al zoveel Oosteuropese bladen opgekocht dat de Tsjechische hoofdredacteuren officieel hun beklag hebben gedaan over de 'monopolisering en germanisering van de Tsjechische pers’. Terwijl Bertelsmann 170 miljoen gulden investeert in een nieuwe drukkerij in Moskou, laat zijn concurrent, de Kirch-groep, weten dat 'er geen land in het Oosten meer is waar onze films niet op de buis te zien zijn’.
Meer dan ooit is de invloed van de mediareuzen grensoverschrijdend. Fininvest laat na zijn zegetocht door de particuliere Italiaanse media het oog vallen op de Spaanse en Portugese markten, terwijl Murdoch zijn strijd op vier continenten voortzet met de aankoop van het Amerikaanse Fox-netwerk zodat hij nu kan concurreren met het roemruchte trio CBS, NBC en ABC.
Dochterbedrijven en concurrenten die op hun onafhankelijkheid gesteld zijn, worden standrechtelijk gewurgd. Kranten en weekbladen moeten zich richten naar de wetten van de reclame, de soap-serie en de puriteinse gluurdersmoraal van omhooggevallen zetbazen en als het helemaal tegenzit moeten ze ook nog de politieke partij steunen waarvan de uitgever het meeste financiele voordeel verwacht. Zo verging het de illustere Londense Times onder het schrikbewind van Rupert Murdoch - die zich ontpopte als de huisuitgever van de Britse Conservatieven - en zo verging het ook het onafhankelijke Italiaanse blad Il Giornale onder de druk van Silvio 'Berluskaiser’.
Duizenden journalisten konden alleen nog via hun vakbond, de Internationale Federatie van Journalisten, tegen dit geweld protesteren. 'Er dreigt een toekomst waarin de massamedia gedomineerd worden door een handjevol ondernemingen’, stelde de IFJ al in 1989 in een protestverklaring: 'De democratie en de diversiteit en onafhankelijkheid van de media worden door zulke monopolievorming bedreigd. De audiovisuele wereld (radio, tv, film) dreigt het slachtoffer te worden van de eendimensionale belangen van adverteerders.’
Dat laatste geldt zeker voor een concern als Bertelsmann, het Europese vlaggeschip in de wereldwijde slag om kijkcijfers, uitgeversrechten en pay-television. President-directeur is de degelijke en weinig charismatische technocraat Mark Wossner. Mark wie? Inderdaad, in tegenstelling tot Murdoch of Berlusconi beperkt Wossner zijn optredens tot de aandeelhoudersvergaderingen van Bertelsmann en dochters, waar hij de laatste jaren een grote reorganisatie heeft doorgevoerd. Het concern bestaat voortaan uit vier groepen: Amusement, Boeken, Drukkerij/Distributie en de uitgeversgroep Gruner & Jahr (die onder meer het weekblad Stern uitgeeft). Dank zij die reorganisatie kan Bertelsmann de sprong wagen naar de multimediale toekomst: het quasi-feodale rijk waarin een kleine groep informatie- en communicatieconcerns volledig de markt beheerst, van satellietverbindingen tot tv-series en van reclame tot computerspellen.
De Spanjaard Eduardo Sanchez-Junco is ook een heerser van het stille type, maar deze vrome katholiek bereikt dank zij zijn weekblad Hola! niet minder dan 2,5 miljoen Spanjaarden. Het blad behoort tot de prensa del corazon (pers van het hart) en likt wekelijks de hielen van de Spaanse en internationale jet- set, in de vorm van kruiperige interviews en berichten met een suikerzoete moraal. Het politieke belang van het blad schuilt in wat het niet vermeldt: het besteedt nauwelijks aandacht aan de onophoudelijke corruptieschandalen die regering en establishment teisteren.
DE NIEUWE MEDIACULTUUR brengt bovendien nog een verschijnsel voort, dat sinds januari van dit jaar om begrijpelijke redenen 'berlusconisme’ is gaan heten: het optreden van de mediamagnaat in een politieke arena van gedeeltelijk eigen schepping. Het archetype is Citizen Kane, de hoofdpersoon uit de film van Orson Welles die geent was op de Amerikaanse krantenmagnaat Randolph Hearst. Maar voor de overheersende rol van de televisie moet de precedent eerder in Latijns-Amerika worden gezocht. Een goed voorbeeld is het Braziliaanse station TV- Globo dat de carriere van president Fernando Color achtereenvolgens maakte en brak.
In Mexico wordt de macht van de populistische regeringspartij PRI geschraagd door het mediaconcern Televisa van Emilio 'El Tigre’ Azcarraga. Hij heeft het monopolie op de ether en vergiftigt deze constant met nieuwsberichten die overlopen van gratuit geweld, afgewisseld met eindeloze telenovelas: de onnozele soap-series die in verschillende talen tegelijk worden opgenomen en dagelijks in Latijns-Amerika en sinds kort ook via de commerciele zenders in Europa een miljoenenpubliek bereiken. De Tijger houdt zich op het eerste gezicht afzijdig van de politiek, maar zijn gesaneerde berichtgeving over de Zapatista-opstand van vorig jaar in de provincie Chiapas gaf aanleiding tot massale protestdemonstraties in de straten van Mexico City.
De oorsprong van de 'mediacratie’ zegt tevens iets over de aard van het verschijnsel. Het populisme van de Latijnsamerikaanse politici en media vervult een functie: de instandhouding van het establishment door het schijnbaar overbruggen van de enorme tegenstellingen tussen arm en rijk. TV-Globo aarzelde niet om Fernando Color eerst naar voren te schuiven als een man van het volk, en hem vervolgens uit naam van datzelfde volk aan te klagen toen zijn val onvermijdelijk leek. De media legitimeren de macht door een schijncontrole op die macht uit te oefenen. Tegelijk verkopen ze de onterfde massa vierentwintig uur per dag valse hoop en verwachtingen.
HOEWEL HET IN Europa nog niet zover is, doet het overwaaien van de Latijnsamerikaanse praktijk naar de zuidelijke Europese landen het ergste vrezen. Het eerste Europese voorbeeld van de 'telecraat’ - iemand die zijn industriele belangen en mediagenieke verschijning aanwendt om een politieke carriere te maken - is Bernard Tapie, de Franse wonderjongen die het van autoverkoper tot miljonair, mega-ster en minister schopte en die op 12 juni aanstaande ondanks talloze aanklachten, rechtszaken en faillissementen zijn intrede zal doen in het Europees parlement. In de jaren zeventig leerde hij als nachtclubzanger de kunst om bij een groot publiek desgewenst een lach of een traan los te weken. Het was een ervaring die hem goed van pas kwam toen hij in 1979 in een opwelling van hoogmoed de kastelen van de Centraalafrikaanse keizer Bokassa opkocht. Hij viel door de mand toen hij moest betalen, maar speelde met verve de gekwetste onschuld: alle winst op de keizerlijke transactie was voor Unicef bestemd geweest!
In de jaren tachtig begon hij zijn zegetocht door de hoogste regionen van het Franse establishment dank zij de 'methode-Tapie’, in feite een beproefde Amerikaanse raiders-tactiek: koop een zieltogend bedrijf, ontsla een groot deel van de werknemers, verkoop de meeste activa, betaal met de opbrengst de reorganisatie van de rest van het bedrijf, en verkoop dat aan de hoogste bieder. In 1983 won Bernard Hinault voor Tapie de Ronde van Frankrijk. Tapie was niet uit de volgkaravaan weg te slaan, ontdekte zijn telegenie en maakte furore in zijn eigen televisieprogramma’s. 'Als u gezond en verleidelijk bent, impulsief, meer pragmatisch dan intellectueel, meer autodidact dan universitair, als u net als Bernard Tapie uw eigen vliegtuig vliegt en elke dag weer uw nek uitsteekt’, bezwoer een donkerbruine omroepstem, 'dan zult u op een goede dag ook een geldmaker zijn.’ Tapie gebruikte zijn tv-optredens om de in het socialisme van Mitterrand teleurgestelde jeugd te wijzen op de zegeningen van het volkskapitalisme: 'Mijn enige kapitaal is mijn charisma!’ Opgezweept door de meester meldden duizenden jonge Fransen zich aan bij de alom verrijzende Tapie-clubs, lazen de beurspagina als het evangelie en stortten zich hals over kop in de afgrond van de financiele speculatie.
Zelf gaf Tapie het voorbeeld door in de zieltogende havenstad Marseille de plaatselijke voetbalclub op te kopen en met harde hand en veel geld naar de Europacup te ranselen. Het succes van Olympique Marseille werd het alibi van de verarmde stad, en in de verkiezingsstrijd van 1989 vertrouwden de socialisten Marseille geheel aan Tapie toe. Hij won een zetel en werd na bemiddeling van een reclameman door premier Beregovoy tot minister benoemd.
De parlementaire onschendbaarheid kwam net op tijd. Tapie werd van alle kanten beschuldigd van fraude, de fiscus sprong hem op de nek en Olympique Marseille werd wegens omkoping van de tegenstander gedegradeerd. Het tij leek definitief te keren, maar de door de socialisten gedesavoueerde zakenman richtte een eigen Europese partij op die het goed doet onder arbeiders en jongeren. Na een geslaagd tv-debat - tegen uitgerekend Jean-Marie le Pen - staat Tapie nu in de peilingen op negen procent.
DE VERKIEZINGSZEGE van Silvio Berlusconi is een uitvergroting van het succes van Tapie. Vanwege zijn monopolie op de particuliere Italiaanse media en zijn volledig op marketing gebaseerde campagne wordt zijn overwinning met recht een 'postpolitieke staatsgreep’ genoemd. Hij nam de volledig gediscrediteerde politieke elite (waartoe hij zelf jarenlang had behoord) tegen zichzelf in bescherming en beloofde alles te veranderen door alles hetzelfde te laten. Zijn strategie bestond uit een vermenging van amusement en partijdige berichtgeving via zijn eigen zenders ('God kiest voor Berlusconi!’), een goedkoop beroep op nationale gevoelens (zijn partij Hup Italie! is genoemd naar een voetbalslogan) en volstrekt ongeloofwaardige beloften (zoals de toezegging binnen vier weken 1 miljoen banen te scheppen).
Het meest verontrustend is dat zijn strate gie volstrekt was toegesneden op het medium, dat inderdaad letterlijk samenviel met de boodschap. 'Het scherm hypnotiseert de mensen’, aldus de analyse van hoofdredacteur Eugenio Scalfaro van La Repubblica na Berlusconi’s overwinning: 'Het vereenvoudigt de taal en de ideeen tot ze onherkenbaar worden. Het vertraagt de volwassenwording tot lang na de gebruikelijke leeftijd en versterkt de neiging om de individuele verantwoordelijkheid af te wentelen. In een woord: het bereidt voor op de komst van de Leider.’
De stormachtige opmars van de spaghetti- tv heeft niet alleen directe consequenties voor Europa doordat mannen als Berlusconi en Tapie hun entree maken in het Euro-parlement, hoewel ze misschien op de wip komen te zitten tussen de Europese Socialisten en de Europese Volkspartij en grote invloed kunnen uitoefenen. Belangrijker is dat de voorwaarden voor de opkomst van nieuwe telecraten in Griekenland, Portugal, Spanje, Frankrijk en wellicht Engeland steeds gunstiger zullen worden. Die voorwaarden zijn immers een toenemende kloof tussen arm en rijk en een tanende geloofwaardigheid van de politieke elite. En dat zijn precies de twee grote euvelen waaraan de Europese Unie momenteel lijdt, ook al spreken politici liever van een 'democratisch tekort’ of een 'crisis in de verzorgingsstaat’.
'BESTAAT EUROPA wel uit iets anders dan holle frasen, verscheurd als het is door tegenstrijdige spanningsvelden?’ vroeg de Franse filosoof Alain Minc al in 1989 in zijn geruchtmakende boek over Europa, La grande illusion. De belangrijkste tegenstrijdigheid hebben de Europese leiders zelf aangehaald door hun ondertekening van het Verdrag van Maastricht. Weliswaar belijden ze met de mond de noodzaak om op Europees niveau werkgelegenheid te scheppen, maar het verdrag neemt hen alle instrumenten daarvoor uit handen. Het verplicht elk land dat tot de Economische en Monetaire Unie wil toetreden tot vier ingrijpende bezuinigingsmaatregelen: een beperking van de overheidsschuld, van het overheidstekort, van de inflatie en van de rente op langlopende schulden. Nederland voldoet overigens aan geen van die eisen.
De marges van de nationale politiek zullen in heel Europa alleen maar smaller worden en daar staat geen verbreding van de marges van de Europese politiek tegenover. De monetaire crises van 1992 en 1993 hebben aangetoond dat zelfs de gezamenlijke centrale banken van de Unie niet zijn opgewassen tegen de grote speculanten op de wisselmarkten. Het failliet van het buitenlands beleid en de mislukking van het sociaal-economische beleid die ons nog te wachten staat, scheppen gouden kansen voor de telecraten aller landen. Wie anders zullen zich ontfermen over de twintig miljoen werklozen en veertig miljoen armen in Europa dan de professionele handelaars in illusies? Ditmaal moeten we bij het uitbrengen van een stem voor het Europees parlement nog alleen onze neus dichtknijpen, de volgende keer wellicht ook onze ogen en oren.