Opperherder

Het goede nieuws: er komt een biografie over Neerlands grootste geschiedschrijver; het slechte: een academische lobby wil er een Riod-geschiedenis van maken. Dat laatste mag nooit gebeuren. Loe de Jong was veel groter dan zijn instituut.

LOE DE JONG is een nationaal figuur. Elke stap die hij zet, elk teken van leven dat hij geeft is nieuws, of het nu gaat om Radio Oranje, de affaire-Aantjes, de televisieserie De bezetting of zijn kolossale geschiedwerk dat bij aanschouwing van de 29 banden met een totaal van 17.216 pagina’s de verzuchting doet slaken: gelukkig maar dat Onze Lieve Heer voor zijn bijbel heel wat minder woorden nodig had. De Jong is de enige historicus die memoires heeft geschreven met vorstelijke allure. Anders dan Wilhelmina heeft hij zijn werk niet een hoogdravende titel meegegeven als Eenzaam maar niet alleen. Hij noemt het kortweg: Herinneringen, maar minder aanmatigend is zijn terugblik op zijn eigen leven niet. Zijn droge, registrerende stijl verschilt dan wel enorm van die van de bevlogen (door een ghostwriter bijgestane) Wilhelmina, in gebrek aan bescheidenheid doet De Jong niet onder voor de koningin die zichzelf zag als de hand van God. Wilde zij alfa en omega zijn van ’s lands bestuur, hij was dat voor ’s lands geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. En dat wil hij weten ook. Talloos zijn de verwijzingen in zijn memoires naar de stormen van applaus die elke publicatie en wetenschappelijke activiteit van hem deden losbarsten. Zowel van vakbroeders als van pers. En het moet gezegd, niet zelden was die lof terecht. Tot op heden kan niemand om hem heen. Wie iets wil opperen over de oorlog, of hij nou journalist, vakhistoricus of meepratend burger is, hij zoekt het eerst op in Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, door De Jong zelf liefdevol en zonder ironie omschreven als ‘Het Geschiedwerk’. Het spreekt vanzelf dat alleen al de aankondiging van de biografie van deze historicus een gebeurtenis is. Toen enkele maanden geleden Nanda van der Zee zichzelf deze levensbeschrijving toebedeelde, was dat meteen voorpaginanieuws. Te meer omdat juist deze historica De Jong er eerder op nogal overspannen wijze van had beschuldigd een dienstknecht te zijn van Wilhelmina: om harentwil zou hij de geschiedenis hebben vervalst door haar rol tijdens de oorlog mooier te hebben voorgesteld dan deze is geweest. Veel media-aandacht was er ook toen Van der Zee later verklaarde van de klus af te zien omdat zij zich niet door Niod-directeur Hans Blom op de vingers wilde laten kijken (als directeur dient hij te controleren of er zorgvuldig wordt omgesprongen met de politiek en persoonlijk gevoelig liggende informatie in de Niod-archieven). Nu zich kortelings weer twee vrouwelijke aspirant-biografen hebben aangediend, is dat andermaal nieuws en aanleiding voor discussie. Het eerste onderwerp van debat is wie het moet gaan doen: NRC Handelsblad-journaliste Elsbeth Etty, die eerder een omvangrijke en knappe biografie schreef van de socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst of wetenschapster Regina Grüter, schrijfster van een dikke en heel behoorlijke monografie over de Weinreb-affaire. De tweede kwestie betreft de vraag waarover de biografie moet gaan: over Loe de Jong of toch meer over zijn instituut (het Riod, tegenwoordig het Niod)? Beide vraagstukken hangen trouwens nauw samen. Bij de levensbeschrijving wordt telkens de naam genoemd van de veel betere stiliste Etty. Bij de instituutsgeschiedenis, met een snufje De Jong om het verteerbaar te maken, denkt iedereen aan de doorzetster Grüter. Onder iedereen moet dan vooral Niod-directeur Hans Blom begrepen worden. Hij is de geestelijk vader van de instituutsgeschiedenis, en staat alvast te zwaaien met de geldbuidel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW), waaronder oorlogsdocumentatie tegenwoordig ressorteert. En natuurlijk: op zichzelf is er niets tegen een beschrijving van Neerlands meest unieke historische instituut. Het leent zich zelfs heel goed voor een doorwrochte studie met voldoende informatie over het al te menselijke. Alleen al de vele Weibergeschichten, waaraan ook De Jong deel heeft gehad, zouden een plezierige onderbreking zijn van een boek over de van staatswege georganiseerde oorlogsgeschiedschrijving. Dat die onderonsjes met jongedames er geweest zijn, blijkt uit het tweede deel van de herinneringen van De Jong. Hierin weidt hij uit over 'de opvallend veel mooie jonge vrouwen’ op zijn kantoor. Met een van hen, geeft hij toe, deed hij het in de middagpauze bij haar thuis. Ze had hem aangekeken 'met ogen die de hemel voorspelden’. En jawel, nadat hij er een punt achter had gezet, bleef zij, net als Monica Lewinsky, proberen hem tussen de lakens of op het bureau te krijgen. 'Was ik even alleen’, verklapt De Jong, 'dan glipte zij naar binnen en poogde mij weer te verleiden.’ In het degelijke instituutsboek dat Blom voor ogen staat, zal men vermoedelijk tevergeefs zoeken naar dergelijke kenmerkende anekdoten voor de figuur van De Jong en voor de sfeer op het instituut, waar het net als bij Het Parool vlak na de oorlog een beetje een losgeslagen bende moet zijn geweest. Een veel groter bezwaar tegen een instituutsgeschiedenis is echter dat die de rijksgeschiedschrijver in een te nauw jasje perst. De Jong is veel meer dan het instituut. Allereerst is er de joodse jongen die alvorens instituutsdirecteur te worden een indrukwekkende carrière maakt, waaruit een ding zonneklaar blijkt: hij moet en zal zich emanciperen van dat door hemzelf als 'Gettoësk’ en samenklittend beschreven volkje in Amsterdam-Zuid. Eenmaal baas van het Riod laat hij zich ook door niets en niemand meer de les lezen. Noch zijn hoogste chef, de minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, noch zijn geschiedwerk meelezende topvakhistorici, noch zijn naaste collega’s hebben vat op hem. Of het bestuur van het instituut dat nou leuk vindt of niet - als De Jong het nodig vindt, spreekt hij zich voor de Vara-radio uit tegen de politionele acties in Indonesië, daarmee zijn eigen sociaal-democratische omroep en partij in verlegenheid brengend. En zo stapt hij ook in 1966 ongevraagd op zijn minister Maarten Vrolijk af om hem aan te raden af te treden vanwege zijn gedichten in het dubieuze tijdschrift Aristo en zijn lidmaatschap van de Kultuurkamer. Loe is Loe: ijzerenheinig en onnavolgbaar. Uitsluitend volgens zijn eigen normen beoordeelt hij de wereld. Of zoals Presser, zijn leermeester op het Vossius-gymnasium, het noteerde bij het rapport van de schooljongen De Jong: 'Beziet alles te veel vanuit eigen standpunt.’ GEEN BIOGRAAF ontkomt er dan ook aan te beginnen bij de joodse jongen Loe de Jong die vol joodse zelfhaat zat. De jongen die zichzelf ervoer als ijzig en kil, en die later als man ook door anderen zo werd gezien. Bijvoorbeeld door de journalist Igor Cornelissen, die tijdens een ontmoeting met De Jong meende iemand uit Finland voor zich te hebben, of door Radio Oranje-collega A. den Doolaard. Deze schrijver die zich in gelijkhebberigheid kan meten met De Jong zei tegen een verslaggever van Trouw: 'Zijn holheid is misschien de sleutel tot het raadsel-De Jong, het gebrek aan menselijkheid. Wat hem ontbrak is the milk of human kindness.’ De Jong moet onder bergen ijs vandaan gehaald worden. Over de oorzaken van de verstening van zijn karakter is al het een en ander bekend. Zo vertelde hij Ischa Meijer over zijn ziekelijke jaloezie op zijn tweelingbroer Sally die, minstens zo intelligent als hij, toch een joodse volksjongen bleef. En zo vertrouwde hij diezelfde Ischa toe over zijn jeugd: 'Het jood-zijn van toen was naarder voor me dan het nu is.’ Zijn jongensjaren moeten erg benauwend en kleingeestig zijn geweest, als we De Jong zelf moeten geloven. Maar toch blijven er veel vragen. Wat is bijvoorbeeld de invloed geweest op De Jong van het pragmatisch socialisme dat bij hem thuis werd beleden? En op meer alledaags niveau: bekend is dat vader De Jong jaarlijks op de verjaardag van de tweeling de door hen aangeschafte boeken betaalde aan de boekhandel, maar welke boeken lazen zij? Wat las Loe? Marx? Dostojevski? En wat heeft hij allemaal niet te danken aan zijn joodse achtergrond, met grootouders die nog in een kelderwoning aan de Weesperstraat hadden gewoond, maar ondertussen wel de Shakespeare-vertaling van Burgersdijk bezaten? Eigenlijk weten we niet veel meer dan dat De Jong zo snel mogelijk heeft willen ontsnappen aan zijn milieu. In zijn memoires schrijft hij: 'Ik was Nederlander en Jood. Het Jood-zijn drukte ik weg.’ Zijn opleiding aan het Vossius-gymnasium, waar een briljant en geestdriftig lerarenkorps een nieuwe 'rode elite’ kweekte, zijn vroeg op kamers gaan, zijn studie geschiedenis, zijn niet-joodse vrouw en zijn redacteurschap bij De Groene Amsterdammer - alles stond in het teken van één ding: weg uit het getto, voorwaarts! EN VOORWAARTS ging hij. Wie zijn memoires leest, kan genieten van al zijn geslaagde missies, van zijn eerste schoolrapport met zeer hoge cijfers en zijn promotie cum laude, tot zijn directeurschap van het Riod. Zelfs zijn puberaal gedartel met Dé, de latere vrouw van Presser, blijft de lezer niet bespaard. Over deze vrijpartij schreef De Jong de inmiddels klassiek geworden zin: 'Greep Dé ook mijn penis?’ Dat hij dit voorval had kunnen verzwijgen, uit eerbied voor zijn leermeester en voor diens door de nazi’s vermoorde vrouw, is kennelijk niet bij hem opgekomen. Zijn memoires zijn vooral een zelfrechtvaardiging achteraf over zaken als zijn geworstel met zijn ene teelbal (de tweede ontbrak), zijn seksuele escapades en ontdekkingen en zijn maatschappelijke prestaties. Als De Jong het moeilijk had, was dat bij de zieledokter bij wie hij twee jaar in analyse was. En dat bleek weer de basis voor zijn verdere successen. Wat ontbreekt, is serieuze informatie over de grote en kleine nederlagen die in ieder mensenleven voorkomen. In Herinneringen, deel II, vertelt De Jong bijvoorbeeld over de twee kinderen van zijn tweelingbroer Sally. De jongens hadden de oorlog overleefd en hij zou ze bij hem in huis opnemen. Op het laatste moment ging het niet door. Waarom of waardoor? De Jong doet er het zwijgen toe. Een ander voorbeeld is De Jongs vriendschap met Meik de Swaan, de vader van de socioloog Abraham de Swaan. Na de oorlog bekoelde de vriendschap, en ook hier is het voor de lezer gissen naar de reden. Zelfreflectie en het onder ogen zien van mislukkingen zijn nou eenmaal niet De Jongs sterkste kanten. Toch moeten er momenten zijn geweest waarop dit leven straight to the top stagneerde, momenten waarop De Jong op zijn minst iets van twijfel moet hebben gevoeld over zijn eigen functioneren en over het karwei dat hij op zich had genomen. De oorlog die hij beschreef en die voor hem de opmaat naar een droomcarrière betekende, had zijn volk en familie de ondergang gebracht. En dat heeft, ook al treft hem geen enkele schuld, iets wrangs. De Jong moet dat hebben beseft, het moet hem dwars hebben gezeten. Dat hij zich desondanks tot taak heeft gesteld kroniekschrijver van de oorlog te worden, zegt veel over de sterkte van zijn karakter, over zijn ijzeren zelftucht en discipline. DEZE EIGENSCHAPPEN zijn echter niet de enige verklaring voor zijn krachttoer. Mogelijk heeft hij een schuld willen inlossen die hij voelde tegenover zijn vader, moeder, tweelingbroer en zus, en tegenover zijn tante Lien, neef Mout, oom Ies en tante Jet, en al die anderen die omkwamen tijdens de oorlog. Indien dit het geval is, moet worden toegegeven dat De Jong zijn schuld subliem heeft ingelost. Waar veel lotgenoten zich van de oorlog afwendden of, om overigens zeer begrijpelijke redenen, alleen het eigen leed beschreven, bracht De Jong met een even hemeltergende als naïeve vasthoudendheid alles en iedereen in beeld: de Duitse vijand, de onverschillige, de collaborerende, de verzet plegende en natuurlijk ook de geslachtofferde Nederlander. Een heel instituut werd opgericht naar zijn wens, een instituut waar iedereen zich de longen uit het lijf liep om hem te voorzien van 'munitie’ voor zijn geschiedschrijving. Al heel vroeg, begin jaren zestig, schonk hij in zijn televisieserie De bezetting het land een dwingend beeld van de oorlog, waarin de bokken van de schapen werden gescheiden. In Het koninkrijk der Nederlanden deed hij dat nog eens over, maar dan uitgebreider en onontkoombaarder. Gevraagd en ongevraagd wierp De Jong zich op als aanklager, advocaat en rechter van landgenoten met een oorlogsverleden. Hij nagelde Aantjes, het christen-democratische boegbeeld der politieke eerzaamheid, zonder pardon aan het kruis wegens diens opportunistische flirtation met de SS. Met hetzelfde gemak sprak hij prins Claus vrij toen werd verondersteld dat deze aanstaande Oranje-schoonzoon wel eens wat uitgevreten kon hebben in Italië, waar hij was gelegerd als Wehrmacht-soldaat. Het koninklijk huwelijk kon pas doorgaan nadat De Jong, die ter plaatse onderzoek had gedaan, tijdens een persconferentie meldde: alles in Ordnung. DE JONG WERD de hoogste geestelijke gezagsdrager in Nederland. De oorlog die hier te lande - zoals Abraham de Swaan schreef - werd ervaren als het Laatste Oordeel, bracht hem op de hoogste rechterstoel. Als het om goed en kwaad ging, was De Jong machtiger dan welke bisschop, kardinaal of synodevoorzitter dan ook. Hij was zelfs machtiger dan de minister-president of de koningin. Het calvinistische Nederland liet zich door hem de les lezen en raakte volledig in de ban van zijn zalvende openbare optreden en zijn onuitputtelijke geschiedschrijving. De Jongs invloed was zo groot dat niet meer viel uit te maken wat er eerder was: hij of de nationale oorlogstrauma’s. Voor de joodse jongen van weleer moet zijn opperherderschap van Nederland een hele genoegdoening zijn geweest. Het maakte hem onaanraakbaar en onaantastbaar. Op die manier kon hij toch nog wat terugdoen voor zijn omgekomen familie, joodse vrienden en bekenden; op die manier ook, begreep hij, kon hij voorkomen dat hij ooit in hun positie zou komen te verkeren. Schonk Presser, die in zijn hart het getto nooit heeft verlaten, zijn volk het monumentale boek Ondergang; De Jong, die het getto verfoeide, gaf het iets anders: de triomf van hemzelf. Het ongekende succes van deze onwillige joodse zoon, was ook het succes van zijn volk, ook al maakte bijna niemand het mee die hem als kind had gekend. ER MOET EEN goede biografie komen over de lange mars van de joodse jongen Loe de Jong door zijn eigen joodse en door de Nederlandse gemeenschap. Bij voorkeur geschreven door iemand met voldoende kwaadaardige inborst om De Jongs gestandaardiseerde versie van zijn eigen leven te wantrouwen, door iemand die het zelf wel eens met de waarheid op een akkoordje heeft gegooid en die iets dergelijks dus feilloos bij een ander herkent. Het Nederlandse volk mag, nee moet immers alles weten over de historicus aan wie het zijn oorlogsbeeld en zijn besef van goed en kwaad ontleent. En wat die instituutsgeschiedenis betreft, deze moet nog maar even op zich laten wachten. Zo'n boek hoort men te schrijven over een directeur die net zo gewoon is als het instituut dat hij bestiert. Misschien is het iets voor over pakweg tien jaar, als men terugblikt op het Blom-tijdperk.