Reportage vanuit de Thais-Birmese jungle

«Opportunisme is ons volk fataal geworden»

De Birmese generaals hebben niet veel meer te duchten van het gewapende studentenverzet. Sinds ook hun strijd door de Amerikanen wordt geafficheerd met terrorisme is de steun opgedroogd, ook al gaat het meeste geld op aan humanitaire hulp. «Lang houden we het niet vol, we kunnen niet eens kogels kopen.» Een reportage vanuit de Thais-Birmese jungle.

MAE SOT — Het is zes uur in de ochtend in een grensstadje aan de Thais-Birmese grens. Thein San komt aanrijden op een brommer. De lokale markt is in volle gang. Bij een stal letje drinken we koffie met zoete gecondenseerde melk. Hij heeft net een reis van vijf uur achter de rug. Lopend door de jungle van Birma, per boot de grensrivier over en ten slotte met de brommer naar de bewoonde wereld van het vredige Thailand.

Thein San is commandant van de Birmese studentenrebellen van het All Burma Students’ Democratic Front (ABSDF). «Tweede secretaris generale staf» heet zijn officiële rang gewichtig. Ondanks de lange reis is hij nog vol energie. «Dat komt door zijn gemengde bloed», zegt «Snake», een kameraad die hem heeft opgewacht. «Vier etnische groepen kunnen zich in hem terugvinden: de Mon, Karen, Shan en de Birmanen.»

«We laten ons volk niet in de steek!» roept hij strijdvaardig. Met al zijn enthousiasme maakt hij bijna een kinderlijke indruk. Hij was 26 toen hij in 1988 moest vluchten voor het Birmese leger. De studentenopstand die zich in dat jaar over het hele land verspreidde, werd met open vuur beantwoord. Duizenden actievoerders vonden de dood. Een groot aantal werd naderhand opgepakt. Degenen die konden ontkomen, zochten hun toevlucht in de jungle. Inmiddels zijn de studenten van toen veertigers geworden.

«Het was mijn laatste jaar aan de universiteit van Moulmein. Ik vrees dat ik mijn studie geschiedenis nooit meer zal afmaken, maar mijn professor zal het me wel vergeven», zegt Thein San met een lach. In de bossen aan de oostgrens van Birma werd hij net als veel andere studenten opgevangen door de rebellen van de Karen National Union (KNU): «In eerste instantie wantrouwden ze ons, maar na verloop van tijd zagen ze in dat wij slachtoffer waren van dezelfde vijand.» De studenten verenigden zich in een eigen rebellenleger en werden opgeleid door de KNU, die al veel langer een gewapende strijd voor hun etnische groep leverde.

Aan de rand van het dorp heeft de staf van de ABSDF zich in een leegstaand huis geïnstalleerd. Het onderkomen is door een goedgezinde Thai ter beschikking gesteld. Opvallend is het gebrek aan posters van de Birmese oppositieleidster en Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi of de vlag van vrij Birma. In plaats daarvan is de muur behangen met plaatjes van de Thaise koning en koningin. «Dat stemt de lokale bevolking gunstig», legt Thein San uit. «Zolang we maar geen problemen veroorzaken, knijpen de politie en het leger een oogje toe. Maar ze staan onder toenemende druk van de regering in Bangkok die ons eruit wil hebben.»

«We hebben ons hoofdkwartier naar Thailand moeten verhuizen nadat we in juni door het Birmese leger uit ons kamp in de jungle zijn verdreven», vertelt Thein San. Inmiddels is het leger weer vertrokken en hebben de studenten hun oude positie teruggenomen, maar het gebied ligt nu bezaaid met landmijnen en is grotendeels onbegaanbaar. Twee studenten die als eerste op verkenning gingen, hebben ieder een been verloren. Ze revalideren nu in het Thaise huis.

Thein San is naar het hoofdkwartier gekomen voor overleg. De leiders van de verschillende verzetsorganisaties komen later deze week in het Thaise grensdorp Mae Sot bijeen voor een bespreking. De ABSDF zal ook een afvaardiging sturen. «Er wordt zoveel gepraat», zegt hij. «Het is de zoveelste keer dat we elkaar ontmoeten. Maar iedereen wil alleen zichzelf horen praten. We worden het nooit met elkaar eens.»

De studentenrebellen willen de vrijheid bevechten, maar ze staan er slecht voor. Het geld is op en ze hebben dringend munitie nodig. In de afgelopen twee jaar hebben donoren de ABSDF de rug toegekeerd. Het meeste geld kwam tot voor kort van het International Relief Committee, dat een groot deel van de Amerikaanse ontwikkelingshulp distribueert. Maar in december 2001 trokken ze de stekker eruit. «We voldeden plotseling niet meer aan de criteria van humanitaire hulp. Het is kennelijk niet meer in de mode om de gewapende strijd te ondersteunen», zegt Kyaw Thura (32), woordvoerder van de ABSDF.

De reputatie van de studenten is niet meer zo heldhaftig als voorheen. Een kleine groep radicaliseerde na tien jaar strijd in de jungle. Ze splitsten zich af, noemden zich de «Vigorous Student Warriors» en lanceerden terreuracties in Thailand om de aandacht te vestigen op de problemen in Birma. Eerst gijzelden ze de Birmese ambassade in Bangkok, daarna een Thais ziekenhuis aan de grens. De gevolgen waren rampzalig voor de ABSDF. «We kregen het imago van een terroristenorganisatie. Donoren begonnen vragen te stellen en draaiden de geldkraan dicht», aldus Kyaw Thura die de taak heeft de pr-schade te herstellen. Nu moet de ABSDF het hebben van donaties van de Birmese gemeenschap in ballingschap.

Tin Kyi is vanuit Japan langsgekomen om ingezameld geld te brengen. Ook hij was student toen hij in 1988 moest vluchten. De Birmezen in Japan zijn relatief welgesteld. Ze zien de studenten nog altijd als volkshelden die — anders dan zijzelf — de strijd niet hebben opgegeven. Hij komt elk jaar persoonlijk de donaties overhandigen. Maar dit keer valt de oogst tegen. De enveloppe bevat slechts zestigduizend yen, nog geen zeshonderd dollar. De studenten proberen hun teleurstelling te verbergen.

De tafel wordt gedekt. Tin Kyi trakteert zijn helden op een middagmaal. In het dorp heeft hij rijst, groenten en kip gekocht. De studenten eten gulzig. Ze hebben in lange tijd geen goede kwaliteit rijst gegeten. Na het maal probeert Thein San iedereen een hart onder de riem te steken. «We mogen de gewapende strijd niet aan de etnische minderheden overlaten», zegt hij. «Dat zou verraad zijn. Wij staan symbool voor de eenheid van het land.» Hij doelt erop dat vrijwel alle etnische groepen binnen de ABSDF zijn vertegenwoordigd. «Als wij opgeven, waarom zouden onze volkeren dan binnen een Birmese federatie willen leven?» Hij preekt voor eigen parochie. Zijn kameraden hebben het verhaal al vaker gehoord. Ze likken hun vingers af en smakken nog wat na. Voorlopig is er geen federatie. Vooralsnog is er alleen Birma’s militaire regime dat van een federale democratie niets wil weten.

Thein San draagt Snake op mij de inlichtingendienst van de ABSDF te laten zien. Op brommertjes rijden we tot vlak bij de grens. Voor een verwaarloosd huis midden in de rijstvelden wacht Wai Linn Zin ons op. Hij is «eerste secretaris generale staf». Binnen zitten twee rebellen bij een ouderwetse ontvanger. Ze luisteren de radiocommunicatie van het Birmese leger af en geven de informatie door aan hun eigen strijders in de jungle. Het Birmese leger heeft de troepen bijeengebracht voor een offensief. De studenten maken zich op voor prikacties om het moreel van de soldaten te breken.

«Lang houden we dat niet vol, want we kunnen niet eens kogels kopen», klaagt Wai Linn Zin. «Het Thaise leger wil ze graag aan ons kwijt, maar de prijs van een patroon is van zeven baht naar twaalf baht gestegen.» Hij is de wapenspecialist van de ABSDF en maakt zelf landmijnen met bamboe en kunstmest. «Het is niet veel, maar we hebben afgelopen jaar wel acht gepantserde bulldozers van het leger weten uit te schakelen.»

Oorspronkelijk was Wai Linn Zin soldaat bij het Birmese leger, maar na een jaar werd hij zeeman, omdat hij geen officier kon worden vanwege zijn Karen-etniciteit. «Juist toen de opstand van 1988 losbarstte was ik een Thaise haven binnengevaren. Ik hoorde wat er allemaal gebeurde en reisde over land naar de grens om me bij hen aan te sluiten», herinnert hij zich. «Nu nog ontvangen we elke week nieuwe vrijwilligers die uit Birma zijn gevlucht. Hun verwachtingen zijn hoog gespannen, dus de teleurstelling is des te groter wanneer ze zien hoe we eraan toe zijn. We hebben geen capaciteit om ze te trainen. Als ze nog naar hun dorp kunnen, sturen we ze terug. Maar de meesten zijn juist gevlucht omdat het leger hun dorp van de aarde heeft weggevaagd.»

Veel zieke of gewonde vluchtelingen komen terecht in de Mae Tao-kliniek in het Thaise grensdorp Mae Sot. Al dertien jaar ontfermt Doctor Cynthia Maung (42) zich over hen. Met dank aan het desastreuze bewind van de junta staat ze inmiddels wereldwijd bekend als Birma’s Moeder Theresa. «De meesten zijn boeren die door het leger uit hun dorpen zijn verdreven of dwangarbeid moeten verrichten. Door de lokale bevolking op de vlucht te jagen, probeert het leger de verzetsstrijders te isoleren», vertelt zij.

Buiten houdt een groep jongens een rotan bal hoog. Drie van de vijf missen een been. «Het is een goede manier om te revalideren», zegt Doctor Cynthia koeltjes. Houten tafels bekleed met linoleum moeten doorgaan voor ziekenhuisbedden. De zalen zijn overvol met patiënten. Malaria, granaatwonden, infecties en zelfopgewekte abortussen zijn slechts een kleine greep uit de problemen. «Ze lopen dagenlang door het oerwoud om hier behandeld te worden», vertelt Cynthia. Op een bankje gespt een jonge vrouw twee protheses aan haar romp. Door een landmijn verloor ze ruim een jaar geleden allebei haar benen. Het leger had haar dorp met de grond gelijk gemaakt. Ondanks waarschuwingen was ze teruggegaan om op het veld te werken waar de militairen hun vallen hadden gezet. Na de eerste hulp van KNU-rebellen werd ze naar het ziekenhuis van Mae Sot gebracht, waar haar benen werden afgezet. Sindsdien revalideert ze in de kliniek waar ze de protheses kreeg.

Doctor Cynthia is zelf ook vluchteling. Net als vele anderen zocht ze een veilig heenkomen aan de grens toen het militaire bewind de opstand van 1988 gewelddadig neersloeg. Ze had net een medische opleiding afgerond en zag hoe de vluchtelingen het slachtoffer werden van malaria en andere ziektes. In een vluchtelingenkamp zette ze met buitenlandse hulpverleners een kliniek op. Sindsdien is Doctor Cynthia nooit meer terug geweest in haar geboorteland. De Mao Tao-kliniek is uitgegroeid tot een medisch opvangcentrum, waar een staf van vijftig artsen en assistenten vorig jaar meer dan dertigduizend patiënten behandelde.

Het Thaise vluchtelingenkamp Mae Kong Kha ligt op enkele uren rijden van het ABSDF-hoofdkwartier. Ruim vijftienduizend Birmese vluchtelingen houden zich hier schuil in de bamboehutten die ze in het oerwoud hebben opgetrokken. In «sectie 13» hebben voormalige studenten en hun gezinnen hun toevlucht gezocht. Tussen de onderkomens liggen netjes onderhouden moestuintjes. De ABSDF heeft een school en kinderopvang opgezet. «Bijna al ons geld wordt hieraan besteed», zegt Snake.

Buiten is er plotseling rumoer. Twee gevluchte dwangarbeiders zijn na omzwervingen van acht maanden via de jungle het vluchtelingenkamp binnengeslopen. Ze worden gewassen en aangekleed. Het Birmese regime heeft altijd ontkend dat het leger gebruikmaakt van dwangarbeiders. Zelfs toen de foto’s van geketende arbeiders de buitenwereld bereikten, verwierp de junta alle beschuldigingen. Maar de dwangarbeiders, nu zonder geschakelde voetketens, blijven bestaan, zo weet ook de ILO, de arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties.

De twee vluchtelingen zijn Shan, de etnische groep uit de staat aan de noordgrens met Thailand. Ze spreken een compleet andere taal dan de Karen, Mon en Birmanen, die de meerderheid in het kamp uitmaken. Na enig zoeken kan een kampbewoner die oorspronkelijk uit hetzelfde gebied komt als vertaler optreden. Aarzelend vertellen ze hun verhaal.

«We werden samen met zo’n honderd andere dorpelingen opgepakt toen het leger door de streek trok. Ze namen onze identiteitskaarten af en sloegen ons als beesten de vrachtwagens in. Zes dagen zaten we in onze eigen uitwerpselen opgesloten», zegt de sterkste van de twee. Eenmaal uitgeladen in het plaatsje Loiko (Karen), gingen ze als dragers te voet verder naar Monchi de berg op. Daar werden ze aan het werk gezet om barakken te bouwen voor een nieuwe militaire basis. «Iedereen was ziek. Sommigen waren al bezweken en gestorven.»

«Tien jaar geleden was mijn oudere broer ook al opgepakt om dwangarbeid te verrichten. Hij kwam nooit meer terug», vertelt de meest schuchtere van de twee. Ze realiseerden zich dat ze de berg niet levend zouden verlaten en besloten te vluchten. «Na een maand lang slaaf te zijn geweest, renden we de jungle in toen we bomen aan het kappen waren. Na drie dagen lopen kwamen we bij een dorp, waar ze ons lieten onderduiken totdat we door KNU-rebellen werden opgehaald. Die hebben acht maanden voor ons gezorgd totdat we sterk genoeg waren om de grens over te steken naar dit kamp.»

De Shan willen het liefst zo snel mogelijk terug naar hun geboortestreek. De tolk vraagt hun of zij weten van de verkrachtingen door militairen in hun provincie. Hij vertelt hun over het rapport Licence to Rape van de Shan Women’s Action Network (SWAN) en Shan Human Rights Foundation (SHRF) dat in mei vorig jaar uitkwam. Het rapport doet verslag van seksueel geweld tegen 625 vrouwen en meisjes door Birmese soldaten en officieren in de afgelopen jaren. Als Rangoon hiertoe niet de opdracht geeft, dan wordt het wel heel bewust genegeerd en gedoogd door de centrale autoriteiten, zo stelt het rapport. Verkrachting wordt gebruikt als een wapen om het verzet van de etnische groepen te breken, en om via vernedering de gemeenschappen kapot te maken.

Het Birmese regime heeft het rapport dat in het Westen als een bom is ingeslagen, afgedaan als één grote leugen. Het zou een campagne zijn om de reputatie van het leger te beschadigen. Het boeddhistische geloof zou dergelijk gedrag onmogelijk maken. De junta stelde een eigen onderzoek in onder leiding van de vrouw van het hoofd van de inlichtingendienst Khin Nyunt. Naderhand vertelden ooggetuigen dat in elk dorp veertig mensen bij elkaar werden geroepen. Onder toezicht van soldaten werd gevraagd of ze iets wisten van verkrachtingen door militairen. Vervolgens werden de dorpelingen opgedragen driemaal met hun vuist in de lucht te roepen: «Soldaten van Myanmar (Birma — red.) verkrachten niet!»

De twee vluchtelingen kijken met versteende blik. Ze willen niet reageren op de vraag. De tolk dringt aan. Hij wil kennelijk een bevestiging in het bijzijn van een buitenlandse journalist. Maar de twee Shan weigeren verder te praten. «Het is een typische reactie», verklaart de tolk. «Ze kunnen er niet mee leven dat hun vrouwen zijn verkracht. In sommige gevallen worden de vrouwen naderhand zelfs door hun eigen dorp uitgestoten. Daarmee bereikt het regime precies wat het wil.»

Samen met Snake en Tin Kyi brengen we een bezoek aan U Soe Htut (60) elders aan de grens. Hij is een voormalige commandant van het rebellenleger van de vroegere premier van Birma, U Nu, die na zijn val in de jaren zeventig een gewapende strijd leverde tegen het bewind van generaal Ne Win. Nu woont U Soe Htut al 25 jaar aan de Thaise kant van de grens. Hij is ijzersmid en teelt knoflook op het veld achter zijn huis. De studenten beschouwen hem als een oude wijze raadgever.

Terwijl hij een pruim van betelnoot voor zichzelf klaarmaakt, verklaart hij waarom de rebellen er ondanks decennia van verzet nooit in zijn geslaagd het Birmese leger te verslaan: «Het probleem is de versnippering. Opportunisme is ons volk fataal geworden.» Hij spuugt een rode fluim op de grond. «Als de verschillende rebellenlegers er een keer in waren geslaagd om een gecoördineerd offensief te lanceren, dan hadden ze het Birmese leger waarschijnlijk wel klein gekregen. Maar ze hebben het nooit ook maar overwogen. Als de één werd aangevallen, dan keek de ander handenwrijvend toe omdat de smokkelroutes voor opium en andere goederen vanzelf naar hun territorium werden verlegd.

Onlangs kwam een voormalige strijdmakker me opzoeken. Hij had veel geld verdiend in Engeland en wilde nu een nieuw leger oprichten om de gewapende strijd tegen het Birmese leger te hervatten. Hij zei de spanning opnieuw te willen beleven. Ik heb hem gezegd het een waardeloos plan te vinden. Als hij het echt goed voorhad met Birma, dan gaf hij het geld aan de studenten. Er is geen behoefte aan nog een splintergroep met eigen belangen.»

«Het enige bindmiddel dat de Birmezen verenigt, is Aung San Suu Kyi», zegt de oude commandant over de charismatische leidster van de oppositievoerende Nationale Liga voor Democratie (NLD). De partij won een overweldigende meerderheid in de verkiezingen van 1990, maar het regime weigert tot op heden de macht over te dragen. Vorig jaar mei werd het huisarrest van Suu Kyi opgeheven en sindsdien is de vijandige taal van de militairen tegen de oppositie enigszins afgenomen. Mondjesmaat worden politieke gevangenen vrijgelaten. Daarom koesteren veel Birmezen de hoop dat er een grote verandering staat aan te komen. «Maar we moeten onszelf niet voor de gek houden», zegt U Soe Htut. «Geloof me, het regime is geen steek veranderd. De dag dat ze Suu Kyi vrijlieten, overvielen ze het basiskamp van de studenten. Juist nu ‹de Dame› een opening zoekt, moeten de studenten de druk op de ketel houden. De democratie moet bevochten worden. Zij moeten de generaals een reden geven om met haar te praten.

In Suu Kyi heeft iedereen blind vertrouwen. Maar wat als Suu Kyi om de een of andere reden zou komen te overlijden? Allerlei kleine kopstukken zullen opstaan om hun plaatsje te claimen. Het probleem is niet een gebrek aan leiders. Integendeel. Er zijn te veel mensen die denken dat ze weten hoe het moet. Vooral onder de Birmezen in ballingschap. Maar niemand vertrouwt een ander. Dat is de tragedie van Birma.»