Commentaar: Oppositie

Oppositie, laat je niet vernederen

Er wordt geregeerd dat het een lieve lust is. Naar Glastra van Loon, vooraanstaand d66’er van weleer: «Mieters, de go zit er in.» Het regent er ideeën en ideetjes. Zo is er de suggestie van minister De Hoop Scheffer het vaderlandse buitenlandse beleid af te schaffen als de grote mogendheden het eens zijn. Het voornemen de koppeling tussen lonen en uitkeringen niet te ontkoppelen en toch te ontkoppelen. Het idee een vervroegde oude dag te ontmoedigen door vutters hun belasting te laten betalen voordat ze hun geld hebben ontvangen.

Dinsdag weten we meer. Maar één ding weten we nu al. De regering bestaat uit sterke mannen en vrouwen die retorisch weliswaar niet bovenmatig zijn getalenteerd maar beleidsmatig geen mietjes zijn. Ze gooien een granaat bij het parlement naar binnen, zien de meute uiteen stuiven en bepalen hun koers nadat de stofwolken zijn neergedaald.

Want waaruit bestaat die meute? Volgens cineast René Roelofs uit een stelletje malloten en saaipieten. Ze heten Zeroual, Rietkerk, Dittrich en Kant. Roelofs heeft hen tijdens de dolle maanden van Balken ende I gevolgd en hen gemonteerd in het drieluik De Tweede Kamer. Wat blijkt? Zeroual heeft meer belangstelling voor haar mobieltje dan voor de spelling van het woord «referendum». Rietkerk weet niet hoe Ayaan Hirsi Ali heet. Dittrich doet alsof hij zijn baas respecteert. En Kant, bezorgd om haar uiterlijk, is lid van een fractie waarin halve idioten het tot medewerker schoppen.

Als we onze tijd — gesymboliseerd door Roelofs, met zijn informatieve diepgang conform Yorin en zijn ironische vorm à la VPRO — con amore aanvaarden, is het allemaal heel leuk en vooral lollig. Zo niet, dan is het vooral treurig. Treurig dat Roelofs niet eens de schijn wekt geïnteresseerd te zijn in de hoofdtaak van de Tweede Kamer (wet geving en controle), omdat die uit de aard van de zaak minder opwindend is dan een voetbalwedstrijd. Treurig dat zijn antihelden hem geen schop onder zijn holletje hebben gegeven.

Want de bewindslieden in het kabinet-Balkenende II realiseren zich maar al te goed dat ze zich net zo sterk kunnen voordoen als hun tegenstanders zwak zijn. De oppositie heeft nog een week de tijd. Niet zozeer om het kabinetsbeleid te kantelen maar om een hogere deugd te verdedigen: een parlementaire democratie die net iets te belangrijk is om op de montagetafel van de guitige televisie te worden geofferd.