Groen

Opschotelzen

Ik moet terugkomen op de column van vorige week. De hand maar weer eens in eigen boezem steken. Ik verwonderde me over willekeur in dierenliefde, en liet een Britse rode-eekhoornactiviste zich allerlei heikele vragen stellen. Waarom ze bijvoorbeeld de inheemse soort wilde redden en de exoot het liefst zou willen laten verhongeren. Kort daarop was ik tijdens een groenwerkdag heel keurig in de Mien Ruys-voortuin bezig. Ik verwijderde onkruid, knipte planten en kruiden af, harkte flink wat blad weg en als klap op de vuurpijl veegde ik met een harde bezem alle klinkerpaden. Daarna gingen de andere groenwerkers kijken naar een diavoorstelling van Egelopvang Dikke Prik. Omdat ik geen zin had in plaatjes en praatjes over egels ging ik elders op het terrein aan het werk, want daar had ik wel zin in. Hard werken tot het moment dat je voor het warme eten met volle wijn naar binnen wordt geroepen, als het al begint te schemeren. Ik had een jonge rode beuk, een paar jaar geleden op een speciale plek neergezet, in moeilijkheden gezien. Twee opschotelzen in de slootkant waren minstens een meter hoger dan de beuk. Dat mocht niet, vond ik, die namen licht en lucht weg. Ik pakte de zaag erbij. Toen ik bezig was met de tweede els, schoot door me heen dat ik precies zo bezig was als de rode-eekhoornactiviste. De zaag stokte, mijn arm voelde doof. Ik verkoos de ene boom boven de andere boom, waarbij de andere moest sneuvelen. De beuk werd de rode eekhoorn, de elzen waren als de grijze eekhoorns. Ik wilde ter plekke mijn column terughalen, ik wilde mijn verontschuldigingen aanbieden aan de Britse vrouw. Ik wilde zeggen: we hebben allebei last van emotie, we zijn twee handen op één buik, ik gun u uw rode eekhoorn, blijf ze alstublieft elke week bijvoeren. Ik zal me er niet meer over opwinden, ik zal, als ik hier in een bos een grijs exemplaar zie, dat dier doodslaan of verjagen, allemaal voor u. Ik hou van u, ik vind u lief. (En ik dank u voor een nieuwe column.)