Kunst: Willem den Ouden

Opstand

Medium kunst
Willem den Ouden, Portret van Dolph Schluter, 1965. Olieverf op doek, 195 x 96 cm © Museum Het Valkhof

Hij is bekend als schilder van het landschap, specifiek dat bij de Waal, waar hij sinds 1967 woont, maar Willem den Ouden (1928) is ook een portretschilder, een aspect dat wat minder bekend is, en nu in Zutphen in een groot overzicht wordt getoond. In een ferm boek, dat die portrettententoonstelling begeleidt, wordt dat deel van Den Oudens carrière netjes belicht aan de hand van de chronologie en de ontstaansgeschiedenis van de schilderijen, maar eigenlijk wordt daarin vooral een visie op de schilderkunst zelf ontvouwd. De schrijver, Gijsbert van der Wal, kent de schilder persoonlijk; de tekst is geconstrueerd als een lang gesprek, aards, bescheiden, beminnelijk en bevlogen, maar met een onmiskenbaar weemoedige toon. Den Ouden, negentig jaar oud, staat voor iets wat aan het uitsterven is.

Den Ouden kreeg zijn eerste opleiding in de avondklas van de Academie in Groningen, van Jan Wiegers. Dat was een expressionist die zijn leerlingen fanatiek voorhield dat de werkelijkheid maar bijzaak was: een muur die in het echt niet geel was, kon dat in het schilderij best zijn, schaduwen waren onbelangrijk, een schilderij werd opgebouwd uit vlakken, niet uit ‘volumes’ – kortom, Wiegers propageerde een aanpak die nadrukkelijk afweek van de traditie. Den Ouden haakte daarbij af (‘Goede schilders kunnen toch slechte leraren zijn’) en ‘bekeerde’ zich – want die lading had het zeker – tot werken naar de waarneming. Het voelde als een opstand.

Het portretschilderen is de essentie van het kunstenaarschap, zegt Den Ouden, omdat de waarde ervan volledig wordt bepaald door de mate van aandacht, het kijken zelf. Het modeltekenen, dat tot zijn leedwezen op geen enkele Academie meer wordt onderwezen, stelt je in staat (hij citeert Van Gogh) ‘het wezenlijke te vatten en te vereenvoudigen’. Landschapsschilderen is daarbij vergeleken makkelijker: met een boom kun je sjoemelen, met een mens niet.

Het is logisch om bij zo’n anti-moderne stellingname, kijkend naar de schilderijen, te zoeken naar een historische referentie – alsof dit soort schilderkunst per definitie ‘oud’ is, en niet hedendaags. Daar valt eigenlijk niet aan te ontkomen. Den Ouden is in zijn manier van schilderen, zijn opbouw vanuit de ervaring en herkenning van een driedimensionaal wezen, hun zeer afgewogen balans in de kleuren én in zijn expressiviteit – want expressief zijn die portretten – familie van mannen als Soutine, Isaac Israëls, Serov en toch ook zeker Rembrandt. Hij schildert ‘stevig’, met vettige, krijtige impasto’s, flinke streken, sprekende kleuren; de uitstraling is over het algemeen monter, al blijft het schilderen van de lach een hels karwei. Het vakmanschap is fenomenaal, de originaliteit is uitzonderlijk. Het is groots werk.

Toch stemt het inderdaad weemoedig: niet zozeer over een verlies van ambacht of het losraken van een traditie, maar meer over het in de vergetelheid raken van het zen-achtige genoegen van ‘goed kijken’, van een manier van werken en leven die tegelijkertijd nederig is én ambitieus. ‘Het is een lang leven van ploeteren geweest’, zegt Den Ouden in het boek, ‘maar ik ben wel blij dat ik door al dat geploeter veel en goed heb gekeken.’


De portretten van Willem den Ouden, Museum Henriette Polak, Zutphen, t/m 1 juli; museazutphen.nl; Willem den Ouden: De laatste grote rivierlandschappen, Stedelijk Museum Kampen, t/m 1 juli; stedelijkmuseumkampen.nl; Gijsbert van der Wal, De portretten van Willem den Ouden, uitgeverij De Weideblik