H.J.A. Hofland

Opstand tegen Bush

Vier jaar geleden had je het voor zeer onwaarschijnlijk gehouden, maar wat een diepe opluchting was dat! Bill Clinton terug, met een politieke toespraak die er niet om loog. Binnen drie jaar, zei hij, heeft mijn opvolger, steunend op het allerzwakste mandaat, geprobeerd de natie een rechtse revolutie op te leggen. En het resultaat is een alzijdige rotzooi. Volgde de inventarisatie: stijgende werkloosheid, stijgend begrotingstekort, stijgende armoede en, na 11 september, verwijdering tussen Amerika en de rest van de wereld en in plaats van nationale eenheid een gespleten natie. Dat is mijn samenvatting. In twintig minuten kan Clinton meer zeggen dan Bush in tweeenhalf jaar, zei John Kerry, een van de Democratische presidentskandidaten.

Clinton is nu weer de meest gezaghebbende Amerikaan die duidelijk zegt wat steeds meer mensen gaan beseffen. Bush en zijn omgeving zijn niet eenvoudig de vertegenwoordigers van het nationaal belang, ze hebben «de oorlog verklaard» aan het wereldterrorisme. Ze zijn de initiatiefnemers van de als mondiaal bedoelde conservatieve revolutie. Verzet tegen die ideologische onderneming is niet anti-Amerikaans maar volgt uit de diepe weerzin tegen het concept dat de neoconservatieven voor ogen hebben.

Dat concept is door Bill Clinton in twintig minuten samengevat. Het is uitvoerig te lezen in het requisitoir van Karel van Wolferen, in zijn zojuist verschenen boek De ondergang van een wereldorde. Verzet tegen het ideologisch regime van Bush moeten we eerder beschouwen als pro-Amerikaans, als we het goed voor hebben met de mil joenen Amerikanen die door deze president zijn misleid en op uitzichtloze sporen gebracht.

Dertien jaar na het einde van de Koude Oorlog zijn we opnieuw in een ideologische strijd terechtgekomen, veel ingewikkelder en moeilijker dan de vorige. Toen hadden we de supermacht Sovjet-Unie met duidelijke territoriale grenzen en het communisme dat in zijn verstarring niet meer op de postindustriële maatschappij van toepassing was. Een snel wegsmeltend aantal «meelopers» hield vast aan de theorie. De leiding van beide partijen wist dat het conflict niet met de wapens kon worden opgelost. Er waren wel gekken die er anders over dachten (dr. Strangelove) of die de verstandige realisten als «soft on communism» verdacht probeerden te maken. Dat had soms succes. Maar als het op onherroepelijke daden aankwam, hadden ze geen serieuze aanhang. Na bijna een halve eeuw beleefden we de gelukkige afloop.

Nu heeft het Westen bij monde van Bush een nieuwe wereldoorlog afgekondigd. Tegen het internationale terrorisme. De fundamentalistische versie van de islam. Er is inmiddels al flink gebombardeerd, de Taliban werd als verslagen beschouwd. Saddam idem. Afghanistan wil nog niet beloven een geordend land te worden, Irak evenmin. De twee andere leden van de As van het Kwaad voelen zich veiliger dan vóór de veldtocht tegen Saddam. Drie maanden na de veelbelovende routekaart naar de vrede tussen Israël en Palestina, met de Palestijnse staat in het vooruitzicht, zijn beide doelen verder weg dan ooit. De Amerikaanse politiek daar wordt door premier Sharon gedicteerd, hoeveel Washington ook mag tegensputteren.

De grote aanvoerder verliest het kapitaal aan vaderlandsliefde waarmee hij zijn mondiale veldtocht was begonnen. Onder deze omstandigheden ligt het voor bezorgde pro-Amerikanen voor de hand om zich af te vragen of de neoconservatieven met hun wereldrevolutie wel op de goede weg zijn.

Of niet? Nee, zegt de Europese vleugel van de neo’s. En dan volgt een argumentatie die mij doet denken aan de beste dagen van de Koude Oorlog. Leg uit dat de oorlog tegen Saddam onder valse voorwendselen is gevoerd. Schrijf dat ruim van tevoren kon worden voorzien hoe met deze instant-strategie van de hogedrukpan meer problemen zouden ontstaan dan er werden opgelost. En dan antwoorden de Europese neo’s dat u wel een geheim lid van de Baath-partij zult zijn, een vriend van Saddam die zich verkneukelde over de manier waarop hij met de oppositie omging.

In The Financial Times van 13 september staat een essay van Ian Buruma, die Vaclav Havel, José Ramos-Horta (winnaar van de Nobelprijs voor de vrede wegens zijn bewonderenswaardige rol in Oost-Timor) en Adam Michnik ten tonele voert. Zij waren voorstanders van de oorlog, omdat ze uit ervaring weten wat een dictatuur betekent. Zou Havel er voorstander van zijn geweest dat de Amerikanen zijn stad Praag bombardeerden, in 1968, toen daar de Lente door het sovjet leger de kop in werd gedrukt? En Michnik van een bombardement op Warschau, toen generaal Jaruzelski daar in 1981 de macht greep en Solidarnosc ophief? Indertijd niets van gehoord.

Op het ogenblik bedrijft Washington wereldpolitiek uit naam van het hele Westen, zonder daarbij de rest van het Wes ten te raadplegen. Met deze politiek gaat het zienderogen verder de verkeerde kant op. Dat moet voor de rest van het Westen en de helft van de Amerikaanse kiezers die niet op Bush hebben gestemd een reden zijn tegen dit bewind in opstand te komen. Onder degenen die de grote leider door dik en dun blijven steunen, zijn er die zich naar zijn voorbeeld ook van leugenachtige argumenten bedienen. In de Koude Oorlog hebben Anet Bleich en Max van Weezel een boek over dit aspect van de ideologische strijd geschreven: Ga dan zelf naar Siberië.

Het aantal mensen dat zich daardoor laat imponeren neemt af. Dat is een goed begin. Steun aan Bush is verraad van het Westen.