Opstand tegen de vader

ONS BEELD VAN de sociale verhoudingen aan het begin van deze eeuw is voor een niet gering deel gevormd door de prenten van Albert Hahn. Een dikke pens met bolle kop en hoge hoed, ziedaar de kapitalist zoals die velen nog voor het geestesoog zweeft. Ook de frisse, sympathieke doch vastberaden arbeider die zijn krachtige vuisten balt tegen het hem aangedane onrecht leidt nog altijd een hardnekkig bestaan in de progressieve mythologie. Een andere belangrijke, zeer ongunstige rol, was in de iconografie van Hahn weggelegd voor de dominee. Een tanige, uitgestreken smoel boven een lakense jas die de proletariers voorhield dat ze dienden te berusten in de van God gegeven ordening der dingen. Deze dominee was evenals de vadsige priester een van de voornaamste schildwachten van de tot berstens toe gevulde brandkast der bourgeoisie. In eendrachtige samenwerking met Kroeg en Kazerne hielden Kerk en Kapitaal de arbeiders eronder.

In dit door zijn eenvoud overtuigende beeld was geen ruimte voor de predikanten en overige gelovigen die juist vanuit hun christelijke overtuiging de kant kozen van het proletariaat. En hoewel zij slechts een kleine minderheid vormden en verschillenden van hen volledig van hun geloof afvielen, speelden die christen-socialisten een niet onaanzienlijke rol. Dominee Sevenster, Anke van der Vlies, John William en Truus Kruyt, Daan van der Zee, A. R. de Jong en Henri van den Bergh van Eysinga - het zijn slechts enkele namen van de thans vrijwel volledig vergeten christenen die rond de eeuwwisseling kozen voor het socialisme zonder gelijk hun geloof af te zweren.
DAT DEZE NAMEN nu goeddeels vergeten zijn ligt niet aan de theoloog en socioloog Herman Noordegraaf, die een hele reeks artikelen en boekjes aan hen heeft gewijd. Eind vorig jaar promoveerde Noordegraaf op de omvangrijke intellectuele biografie van vermoedelijk de belangrijkste vertegenwoordiger van deze groep, Bart de Ligt.
De geschiedenis van het Nederlandse protestantisme is er een van afsplitsingen en scheuringen. Dit geldt niet minder voor de protestanten die voor de arbeidersbeweging kozen, al was het maar omdat het socialisme ook een hoogst schismatieke beweging is. De belangrijkste scheidslijn was die tussen orthodoxen en vrijzinnigen. Terwijl de laatsten, waarvan Banning later de belangrijkste woordvoerder zou worden, trachtten het socialisme een ethische fundering te geven, was voor de orthodoxen het socialisme de actuele verschijningsvorm van het evangelie. Waar de vrijzinnigen in meerderheid kozen voor de sociaal-democratie zochten de orthodoxen over het algemeen hun heil bij meer radicale stromingen.
Evenals het grootste deel van de door Noordegraaf aan de vergetelheid ontrukte christen-socialisten kwam Bart de Ligt uit een zeer orthodox nest. Vader De Ligt was wat in het protestantse jargon ‘rechts confessioneel’ heet, in de lijn van wat wel bekend staat als de zogenaamde zwarte-kousenkerken. Toen vader De Ligt in 1883 apetrots en opgetogen aangifte ging doen van de geboorte van Bart, zijn stamhouder, kwam hij een ouderling tegen die hem vermaande: 'Man, houd je toch rustig. Wie weet wat God met hem voorheeft. Hij kan wel eeuwig verdoemd zijn.’ De Ligt heeft later zijn intellectuele en ideologische ontwikkeling getypeerd als een 'opstand tegen de vader’. Tegelijkertijd bewonderde hij zijn drang naar waarheid, zijn consequentie en zijn onbaatzuchtigheid. Hoewel hij zou eindigen als vrijdenker en anarchist, leek hij wat betreft Prinzipienreiterei sprekend op zijn vader.
De geestelijke ontwikkeling van Bart, die theologie ging studeren, ging gepaard met de nodige crises. Als student raakte hij sterk onder invloed van Hegel en van diens stadhouder in Nederland G. J. P. J. Bolland. De gedachte dat de geschiedenis als een sneltrein naar een van tevoren vaststaand eindstation genaamd 'De Vrijheid’ denderde, raakte De Ligt nooit meer kwijt. Minstens even belangrijk was de invloed van de toen beroemde theoloog professor A. H. de Hartog, thans hooguit bekend als de vader van de schrijver van Hollands Glorie. Deze De Hartog trachtte de in de ogen van de meeste gelovigen gapende kloof tussen wetenschap en religie te overbruggen. Voor De Ligt betekende dit dat hij afscheid nam van de orthodoxie en zich bekende tot de 'moderne’ of vrijzinnige richting in het protestantisme.
Echt lekker voelde De Ligt zich niet in de Nederlandse Hervormde Kerk, waarin het christelijk ideaal verzaakt en de Mammon vereerd werd. De kerk was de slippendrager van het kapitalisme geworden. 'Uit den kinderachtigen tooverlantaarn eener karakterlooze dogmatiek tooverde men gesloopte mannen, verhongerde vrouwen, uitgebuite ouders met onteerde en geschonden kinderen enkele uren per week smakeloos kunstmatige hemelse tafereelen voor, waaraan men voor ’t overige in den practijk van allen dag zelf niet bleek te gelooven.’ Het was niet een socialistische tekenaar als Albert Hahn geweest, die een karikatuur van het christendom had gemaakt dat hadden de predikanten en ouderlingen zelf gedaan.
ZOALS ZOVEEL sociaal bewogen protestanten had De Ligt een grote bewondering voor de 'jonge’ Abraham Kuyper, die in 1891 op het Christelijk Sociaal Congres fundamentele kritiek op het kapitalisme had geuit. Later had 'Abraham de Geweldige’, de 'worger’ van de spoorwegstakers uit 1903, de goede zaak verraden.
Tegen 1910 begonnen De Ligt en zijn vrienden J. W. en Truus Kruyt en A. R. de Jong zich te beschouwen als socialisten. Toch kozen ze niet voor de SDAP, omdat deze partij uitging van het principe van de klassenstrijd en zich op een materialistisch standpunt stelde. Voor essentiele begrippen als 'zonde’ en 'genade’ was bij de 'marxisten’ geen plaats. Nu wemelde het in die jaren van groepjes christenen die aangeraakt waren door het socialistisch ideaal, en na verloop van tijd kwamen De Ligt c.s. terecht bij de Bond van Christen-Socialisten. Aanvankelijk was er enige aarzeling, aangezien de BCS nogal orthodox was. De komst van De Ligt en de zijnen was voor de niet bijster florerende club een enorme intellectuele injectie, zodat de nieuwe leden al spoedig de beginselen in wat meer vrijzinnige richting konden ombuigen.
Voor 1914 waren de activiteiten van de christen-socialisten niet veel meer dan gerommel in de marge, waar niemand van wakker lag. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam daar enige verandering in. Terwijl de sociaal-democraten zich achter volk en vaderland schaarden, protesteerden De Ligt en consorten - evenals de anarchisten en de revolutionaire socialisten - tegen het militarisme. De Ligt werd in 1915 uit zijn ambt gezet nadat hij in een preek fel tekeer was gegaan tegen de militaristische staat, die van christenen verlangde dat ze hun geweten verloochenden. Tevens werd hij verbannen uit het gebied ten zuiden van de Waal, waar de staat van beleg van kracht was. Onophoudelijk bleef De Ligt oproepen tot dienstweigering, overigens zonder veel succes.
Het geloof van De Ligt bladderde steeds verder af en door zijn contacten binnen het wereldje van het strijdbare antimilitarisme begon hij geleidelijk meer sympathie te krijgen voor het anarchisme. Als anarchist, vrijdenker en vooral als antimilitaristisch theoreticus zou hij vanaf 1919 tot aan zijn dood in 1938 een internationale reputatie opbouwen. Bekendheid kreeg onder meer zijn polemiek met Gandhi, eind jaren twintig.
HELAAS KRIJGEN we hierover van Noordegraaf niets te horen, want zijn dissertatie eindigt in 1919. Dit soort 'halve’ biografieen zouden eigenlijk verboden moeten worden, tenzij de auteur onder ede verklaart dat hij serieus aan een tweede deel zal gaan werken. Gezien Noordegraafs enorme interesse in christen-socialisme vrees ik echter dat hij de anarchistische De Ligt aan een ander wil overlaten. De ruim vierhonderd bladzijden die de auteur heeft gewijd aan de eerste zesendertig levensjaren van Bart de Ligt bieden een enorme schat aan gegevens inzake het christen-socialisme en het antimilitaristisch verzet tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hiervoor dienen we Noordegraaf erkentelijk te zijn.
Wie echter deze 'intellectuele biografie’ heeft gelezen, zal zich de vraag stellen: had het niet een beetje minder gekund? Want om eerlijk te zijn, De Ligt mocht als strijdersnatuur dan zeer eerbiedwaardig zijn, als een groot en oorspronkelijk denker komt hij uit dit proefschrift niet naar voren. Aan het eind van boek, als Noordegraaf een moeizame poging doet 'de betekenis van De Ligt voor onze tijd’ te schetsen, wordt het zelfs wat pijnlijk. Veel van zijn ideeen bleken immers te eenzijdig of achterhaald, en uiteindelijk blijkt zijn gedachtengoed uitsluitend enige invloed te hebben uitgeoefend binnen de zeer marginale Christelijk-Democratische Unie, die in 1946 opging in de PvdA. Ook een religieuze, zeer gematigde sociaal- democraat als Banning schijnt een en ander aan De Ligt te danken te hebben. Voor een compromisloze antimilitarist en radicale socialist toch een magere oogst, lijkt me.