Opstand tegen god

Iedere cultuur kent zijn mythologische oeroorlog. De joden hebben hun strijd tegen de Egyptenaren, bij wie ze in onvrijwillige ballingschap leefden. De Indiase cultuur heeft de Mahabharata, de Grote Oorlog tussen twee families. En de christelijke cultuur heeft een burgeroorlog op microniveau - die tussen de broers Kaïn en Abel, de zonen van Adam en Eva. En een oorlog op metaniveau: die tussen de engelen onderling en tussen de engelen en God zelf - na de schepping van de mens. Onze Prins der Dichters, Joost van den Vondel, heeft over die oorlog een toneelstuk geschreven, genoemd naar de aanvoerder van de opstand, Lucifer. De laatste keer dat dit stuk werd gespeeld was in 1979, bij het (Amsterdamse) Publiekstheater, in de regie van Hans Croiset. De opstandige engelen werden voorgesteld als beursambtenaren met bolhoeden, kleinburgers die niet wensen te buigen voor een anonieme machthebber.

Hans Croiset is tot op de dag van vandaag bezig een Vondeltraditie in ere te houden. Het probleem van zo'n Vondeltraditie is de geforceerde bewijslast: Vondel zou onze belangrijkste toneelschrijver zijn - wat niet waar is, dat is Herman Heijermans. De eindeloos herhaalde argumenten voor een nationale Vondeltraditie zijn: gevoel voor nationale retoriek (een fout argument), de christelijke grondslag in Vondels werk (een achterhaald argument) en de schoonheid van zijn taal (een betwistbaar argument). Het is kortom na de traditie van Gijsbrecht van Aemstel op elke Nieuwjaarsdag in de Amsterdamse schouwburg nooit meer wat geworden tussen Vondel en het Nederlandse toneel.
Zeven aspirant-acteurs uit Maastricht hebben zich nu, met regisseur Peter de Graef, gestort op Vondels Lucifer. Ze doen dat niet met een bombardement aan vormen (om te bewijzen dat Vondel artistiek interessant is), maar vooral door te zoeken naar de vertelling van het stuk. Die is weliswaar archaïsch in zijn taalgebruik maar boeiend in zijn redenering. God kondigt iets af (mensen zijn vanaf nu belangrijker dan engelen), Lucifer (door Vondel ‘Stedehouder van God’ genoemd) wil de argumenten voor die maatregel horen, God stuurt zijn topdiplomaat Gabriël - maar die heeft niks zinnigs te melden. Dan gaat Lucifer na of er argumenten te vinden zijn om het goddelijk bevel te gehoorzamen of te ontlopen. Hij denkt hardop, probeert redelijk te blijven, maar raakt gaandeweg het spoor bijster en draait zich vast in een zinloze oorlog.
Net als de strijd op zijn hoogtepunt is, komt Gods topdiplomaat Gabriël melden dat de aanleiding van de burgeroorlog - de suprematie van de mens bóven de engelen - is vervallen: de mensenkinderen Adam en Eva zijn uit het Paradijs verdreven.
De Graef en zijn acteurs hebben deze vertelling helder gebracht. We bevinden ons ergens in een vergaderzaal, met een lange tafel, veel kuipstoeltjes, een waterautomaat en een deur waarop de nieuwe richtlijnen van God zijn aangetimmerd als dienstbevelen. In de schaars belichte vergaderzaal heerst verwarring. Lucifer denkt hardop - dat is de interessante kant van dit personage, hij wikt en weegt de voors en tegens en maakt ons daarvan deelgenoot. Apollion is zijn eerste tegenhanger. Hij is net van de aarde terug, heeft een verboden vrucht meegebracht (een appel) en is aanhoudend in de war over het bestaan over de nieuwe god-op-aarde, de mens. Beëlzebub is de tweede tegenkracht: hij speelt de eeuwige twijfelaar, met lange filosofische uitweidingen die in de crisissituatie waarin de hemel is beland, niet echt praktisch zijn. Als Belial, de derde opstandige engel, de opstand tegen God ziet verzanden, huilt ze aanhoudend als een geslagen kind, eerst in een donker hoekje, daarna openlijk aan tafel - waarna een enorme woedeaanval volgt. Veldheer Michaël is in deze voorstelling een gewetenloze oorlogsmanager, een soort Kenau van Hasselaar, die geniet van de veldslag. Wanneer alle contesterende engelen losbarsten in een wild krijgsgezang, staat de topdiplomaat Gabriël opeens aan de deur. Met het doodvonnis: het is allemaal voor niks geweest. De nu tot de hel veroordeelde, geslachtsloze wezens, kijken wanhopig voor zich uit. En Apollion doet wat Eva daar beneden noodlottig werd: Apollion bijt in een appel. Adam is gevallen, de engelen ook. Donkerslag. Einde.
Door de huidige trend in het theater die voorschrijft dat wij niet meer mogen weten wíe precies wát speelt, kan ik u niet melden welke acteur voor welke mooie rol verantwoordelijk was. De zeven van Lucifer waren: Tijn Docter, Aus Greidanus jr., Boris van der Ham, Sofie Knijff, Liselotte Proot, Mike Reus en Nienke Westerhof. Ik heb van hen - en van Peter de Graef - genoten. Zo wil ik wel meer Vondelstukken terugzien.