Profiel: Gamal Ad-din Al-Afghani

Opstandige islam-propagandist

«Waarom verkeert de moslimwereld geestelijk en economisch in belabberde omstandigheden?» En: «Is het waar dat de islam een obstakel is voor de ontwikkeling van wetenschap en vooruitgang, en in hoeverre verschilt de islam van andere religies?» Deze vragen werden ruim een eeuw geleden gesteld door Gamal ad-Din Al- Afgha ni. Het antwoord dat hij na een lange studie formuleerde, leidde tot de grote controverse binnen de islam die tot op heden in de hele wereld zorgt voor felle conflicten. Volgens Arabisten zijn de recente terreurdaden regelrecht terug te voeren op het gedachtegoed van deze opstandige propagandist, een man wiens rol in de westerse geschiedenis, wat invloed en daadkracht betreft, moeiteloos vergeleken kan worden met die van bijvoorbeeld Lenin of Che Guavara.

Hij wordt gezien als de voorloper bij uitstek van tal van bewegingen en tendensen die de hedendaagse moslimwereld beheersen. De wil tot terugkeer naar de suprematie van de islam in het dagelijks leven van elke individu, anti-westerse anti-imperialistische islamitische solidariteit, rationalistische hervormingsbewegingen en militaristisch nationalisme, ze zijn alle terug te voeren op de initiatieven van Gamal ad-Din Al-Afghani.

Het ging hem om het bundelen van krachten tegen de koloniale overheersers met het doel de achterstand op het Westen in te lopen, zodat de islamitische wereld in haar oude glorie zou herleven. Voor zijn politieke stroming van het pan-islamisme golden de imperialisten — voornamelijk de Britten en de Fransen — als arrogante vreemdelingen die de lokale bevolking economisch, cultureel en religieus degradeerden tot onbetekenende burgers.

Een soortgelijke visie klinkt door in de speech van Osama bin Laden die werd uitgezonden vlak nadat de eerste bommen waren gevallen boven Afghanistan. Over het conflict met de Verenigde Staten spreekt hij als een «oorlog tussen gelovigen en ongelovigen». En: «De wind van het geloof waait, en de wind van verandering waait om het kwaad van het schiereiland van Mohammed te verjagen, zodat er vrede zal komen», en: «Ik zweer bij God dat Amerika nooit zal leven in vrede voordat de vrede zal regeren in Pales tina, en niet voordat alle legers van de ongelovigen het land van Mohammed hebben verlaten.»

In hoeverre Bin Laden in zijn visie leunt op zijn illustere voorganger van ruim een eeuw geleden is niet bekend. Wel laten inhoudelijke overeenkomsten zien dat er een langdurig proces voorafgaat aan de heersende opvatting dat de islam geldt als de beste godsdienst, zowel voor de organisatie van het leven op aarde als voor het hiernamaals, en dat die weer moet worden veroverd op de westerse wereld. De wijdverbreide gedachte luidt dat het levensniveau, de techniek en de wetenschap in het niet–islamitische Westen op een hoger plan staan doordat de islamitische wereld is uitgebuit en klein gehouden. Bovenal is de westerse politieke en militaire macht overal in de islamitische wereld voelbaar en houdt Israël de belangrijke moslimheiligdommen bezet. In de koran valt te lezen dat de joden de vijanden van Allah zijn en proberen verderf te zaaien. Deze cirkelredenering, die een agressieve uitvoering heeft gekregen in jihad-bewegingen als Hamas, Hezbollah, de Taliban en ad-hoc opererende «heilige strijders van Allah» — al dan niet onder aanvoering van de kwade genius Osama bin Laden — klonk eerder luid en duidelijk uit de mond van Gamal ad-Din Al-Afghani. Met het grote verschil dat de joodse staat Israël nog niet bestond en hij niet in het bezit was van het medium televisie om de oorlogsverklaringen aan zijn doodsvijand te kunnen verkondigen in huiskamers tot in de verste uithoeken van de wereld.

Het gordijn van geheimzinnigheid rondom Gamal ad-Din Al-Afghani hangt direct samen met politiek opportunisme. Over zijn levensloop doen twee versies de ronde: de ene versie, door hemzelf de wereld in gebracht, meldt dat hij in 1838 in Afghanistan is geboren als soenniet. De naam «al-Afghani» zou hij aan zijn geboortenaam Sayyid Djamal al-Din Muhammad bin Safdar hebben toegevoegd om zich populair te maken onder de simpele soennitische gelovigen. Dit verhaal wordt aangehangen door vrome moslims. Uit de andere versie, gebaseerd op nauwkeurig wetenschappelijk archiefonderzoek, blijkt dat hij een uit Perzië afkomstige sji'iet was. Met handige voorzichtigheid wist hij de rationalistische westerse filosofie met diepe religiositeit samen te smeden tot een krachtige beweging.

Ook al schijnt hij zelf niet vroom te zijn geweest, met zijn enorme ambities wilde hij zijn naam — wat in het Arabisch «schoonheid (Djamal) van (ad) religie (Din)» betekent — in het door imperialisten gedomineerde gebied in het Midden-Oosten waarmaken. Na uitgebreid onderwijs te hebben genoten aan verschillende religieuze scholen in Afghanistan en Teheran trok hij op zijn zeventiende de wijde wereld van de islam in. Eerst naar de grootste kolonie van het Britse Empire, India, waar hij bijna dertig jaar verbleef voor verdere studie in zowel de traditionele islamitische filosofie (hikmah) als politieke theorievorming, wat resulteerde in enkele dikke boeken met verhandelingen waarin het westerse positivistische materialisme werd verworpen. Vooral in Egypte, waar Al-Afghani in 1871 vanuit Istanboel naartoe trok, heeft hij zijn denkbeelden kunnen overbrengen op volgelingen. Tijdens zijn reizen door de hele toenmalige moslimwereld, van Brits-Indië tot Istanboel, braken opstanden uit op plaatsen waar hij met zijn denkbeelden agiteerde.

Wat Gamal ad-Din Al-Afghani constateerde tijdens zijn reizen was dat het eens zo veilige huis van de islam door vreemde bezetters was uitgewoond. Bovendien zag hij dat moslimjongeren en lokale instellingen moreel afgleden door de verwesterlijking. Zijn antwoord op de vraag hoe dit kon, luidde dat God niet tevreden was over de volgelingen omdat zij het geloof niet voldoende hadden geïmplementeerd. Als de moslims zouden trachten de ware islam te ontdekken — door de waarheden uit de koran na te leven — zou de islam in de oude glorie hersteld kunnen worden. Tegelijkertijd stelde hij dat de westerse wetenschappelijke vooruitgang sinds de Renaissance alleen mogelijk was geweest dankzij de Arabisch-islamitische wetenschap en filosofie die door het Westen waren overgenomen. Hij meende dat met behulp van tekstverklaringen van middeleeuwse moslimfilosofen aangetoond kon worden dat ook de koran opriep tot het beoefenen van moderne «westerse» wetenschappen, tot het instellen van democratische parlementen en het op de been brengen van krachtige nationale legers. Wetenschappelijke vooruitgang moest niet tegengehouden worden, bepleitte hij, integendeel: de verdiensten van de wetenschap — ook zoals die in het Westen werd beoefend — moesten worden ingezet ter meerdere glorie van de moslimwereld, maar ontdaan van de corrumperende levensstijl.

Versla de tegenstander met de eigen wapens om er zelf machtig van te worden, luidde zijn motto. Daarbij haalde hij als eerste moslim in de geschiedenis koranvers 13:11 aan: «God verandert niet wat er in een volk is zolang zij niet veranderen wat in hun zelve is.» De letterlijke interpretatie daarvan wordt nu uitgevoerd door de martelaars van Allah, namelijk om als individu te handelen in naam van «alle gelovigen». Het gaat om een diepgewortelde zienswijze die ver is opgerukt in de islamitische wereld en waaruit op elk moment nieuwe terreurdaden kunnen voortkomen. Een oplossing met economische hulp of militaire middelen zal derhalve weinig uitmaken.

De toenmalige koloniale autoriteiten beseften al te goed dat het geen zin had deze krachtige agitator op te hangen omdat hij dan kon uitgroeien tot een martelaar. Hij leefde jarenlang als dissident in Parijs en stierf uiteindelijk in 1897 in Istanboel, waar hij wegens zijn vermeende rol in de moord op de Perzische sjah onder huisarrest van de Turkse sultan leefde. Zijn sterfdag wordt in de hele moslimwereld elk jaar herdacht.

Met dank aan Marcel Kurpershoek, hoogleraar literatuur en politiek in de Arabische wereld (Universiteit van Leiden) en Hans Jansen, universitair docent in de Arabische taal en islam (idem).