Optellen en afschieten

MET ALLEEN AL in Nederland 708.000 donateurs (verleden jaar goed voor tachtig miljoen gulden aan gulle giften) is het Wereld Natuur Fonds, ook wel het World Wild Life Fund for Nature, uitgegroeid tot een ware multinational voor bescherming van dier en plant. Financieel gesteund door de 1001-club, het exlusieve gezelschap voor de superrijken dat WNF-godfather prins Bernhard in het leven riep om het WNF regelmatig van nieuwe financiële injecties te voorzien, troont het in het Zwitserse Gland opererende WWF International over een immer uitdijend imperium van wildparken, reservaten en andersoortige beschermde gebieden.

Grote delen van Afrika en Zuid-Amerika staan direct of indirect onder beheer van het WNF of bevriende organisaties als de International Union for the Conservation of Nature (IUCN). Reeds acht miljoen vierkante kilometer van de aardoppervlakte - een gebied groter dan India, Afghanistan, Iran en Irak tezamen - is heden ten dage tot beschermd natuurgebied verklaard, en grote delen daarvan worden bestuurd door WNF-mensen. Het landwinningsproject van het Wereld Natuur Fonds is nog lang niet ten einde. Momenteel wordt er hard getrokken aan nog meer stukken van met name het Braziliaanse Amazonegebied, terwijl men ook in Europa grote plannen heeft. Zo werd zeer recent bekend dat het WNF in de Haarlemmermeer het Prins Bernhardbos zal aanleggen, alwaar flora en fauna geïsoleerd van de menselijke beschaving ongestoord kunnen gedijen.
DE WIJZE WAAROP het WNF geld inzamelt is, zoals eigenlijk alles aan deze multinational voor het milieu, zeer omstreden. De Utrechtse hoogleraar parasitologie dr. A.W.C.A. Cornelissen spande onlangs een geding aan bij de Reclame Code Commissie, waarin hij protesteerde tegen de nodeloos apocalyptische slogans waarvan het WNF zich bediende. Het WNF startte onlangs een campagne waarin werd meegedeeld dat er iedere twintig minuten een diersoort uitsterft. Dat zou op jaarbasis neerkomen op het uitsterven van 27.000 diersoorten, inclusief termieten en eencellige bacteriën.
Volgens Cornelissen is dit soort schattingen niet meer dan natte-vingerwerk. ‘Er bestaat geen enkele betrouwbare wetenschappelijke methode om dit soort fenomenen te meten. Met de door het WNF gebruikte methoden is het niet mogelijk om meer dan één procent van de dieren waar te nemen. Het WNF gebruikt de hyperbool om zo veel mogelijk geld te kunnen inzamelen. In werkelijkheid sterven er veel minder soorten uit, en dan is het in lang niet alle gevallen zo dat factoren als het kappen van het regenwoud meetellen, zoals het WNF verkondigt.’
Aanvankelijk werd de Utrechtse bioloog in het gelijk gesteld door de Reclame Code Commissie. In hoger beroep werd het pleit door het WNF beslecht. Cornelissen: 'Dat was volgens mij niet zozeer omdat de commissie vond dat het WNF gelijk had, maar ik had de moeite niet genomen om mijn hele wetenschappelijke betoog dat ik bij de eerste behandeling van de zaak had gehouden, nog eens een keer te herhalen. Dat was de reden dat het WNF uiteindelijk in het gelijk werd gesteld. Inmiddels is het WNF nog pessimistischer geworden. In een recente uitgave van het fonds, het zogeheten eeuwverslag, las ik dat er nu iedere tien minuten een diersoort uitsterft.’
Cornelissen ergert zich aan dergelijke doemgeluiden als die direct worden gekoppeld aan het inzamelen van geld. Cornelissen: 'In het WNF-blad Panda, voor de opgroeiende jeugd, trof ik pas een stuk aan waarin weer eens werd verkondigd dat de zeespiegel door het smelten van de ijskappen een halve meter stijgt en dat dat ten koste zou gaan van allerlei arme zeeschildpadden. Allemaal verhalen die allang wetenschappelijk zijn bijgesteld, onder andere door het International Panel of Climate Change. Maar het WNF blijft het maar verkondigen.’
OVER HET NUT voor de natuur van de activiteiten van het WNF lopen de meningen uiteen. De spaarzame keren dat de handel en wandel van de milieu-multinational kritisch werden geanalyseerd, stuitten de onderzoekers op een estafette van mislukkingen. Vanaf de oprichting in 1961 door de Britse prins-gemaal Philip zamelde het WNF op grote schaal gelden in ten bate van bedreigde species als de zwarte neushoorn, de panda en de olifant. Maar hoeveel honderden miljoenen er gedurende de afgelopen drie decennia ook binnenvloeiden in de kas van het WNF, op geen enkele wijze werd de neergaande spiraal doorbroken. Integendeel, in de meeste gevallen leidt een verhoogde activiteit van het WNF voor een bepaalde diersoort in feite tot een versneld uitsterven van de troeteldieren. In 1989 kwam het WNF zeer in verlegenheid toen een intern onderzoek naar de baten van de WNF-activiteiten, uitgevoerd door de Oxford-professor Mark Phillipson, uitlekte naar de Britse pers.
Phillipson kwam tot de ontdekking dat in veel gevallen de ingezamelde gelden nooit op hun bestemming arriveerden. Zijn 252 pagina’s tellende verslag liet zich lezen als een eindeloze litanie over wanbeheer. Vooral inzake het hoofddoel van het bestaan van het WNF - het redden van bedreigde diersoorten - faalde de milieu-multinational schromelijk. Founding father prins Philip schrok zich een ongeluk van het Phillipson-rapport, of beter gezegd: van het uitlekken daarvan naar de pers. De schande was des te groter daar de Britse media ook beslag hadden weten te leggen op een intern memo van de prins-gemaal aan WNF-directeur Charles de Haes, waarin de prins erop aandrong het rapport van zijn pijnlijke angels te ontdoen voordat het in de media terechtkwam.
ZO MOGELIJK nog ontluisterender dan het Phillipson-rapport is het ruim tweehonderd pagina’s tellende verslag dat de Zuid-Afrikaanse rechter Mark Kumleben twee jaar geleden op verzoek van president Mandela schreef over zijn onderzoek naar de activiteiten van het WNF in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Mandela was gealarmeerd door artikelen en tv-documentaires over de activiteiten van een soort privé-legertje van het WNF in Zuid-Afrika, dat onder de codenaam Project Lock dood en verderf zou hebben gezaaid onder de zwarte bevolking van Zuid-Afrika en zijn buurstaten. Project Lock, zo bleek, was een privé-initiatief van prins Bernhard, die tot aan het Lockheed-schandaal de scepter zwaaide over het WNF maar daarna een machtige man achter de schermen bleef, al was het alleen maar door zijn controle over de reeds genoemde 1001-club.
Kumleben stuitte tijdens zijn verhoren op een wijdvertakt internationaal netwerk van spionage en economische belangen, dat zich onder het mom van natuurbescherming via het WNF meester had gemaakt van grote stukken beschermd natuurgebied. Van daaruit werden, onder de vlag van stropersbestrijding en infiltratie in stroperskringen, allerlei activiteiten ontplooid door voornamelijk uit Groot-Brittannië geronselde huurlingen. De Lock-mensen bleken onder meer op de loop te zijn gegaan met meer dan honderd hoornen van rinocerossen die men van de Namibische regering had losgekregen om te infiltreren in stroperskringen. De partij bleek hoogstwaarschijnlijk door Lock-mensen verkocht.
Kumleben stuitte ook op tal van aanwijzingen dat Lock-huurlingen zouden zijn betrokken bij aanslagen op ANC-mensen. In diverse natuurparken in Zuid-Afrika zouden deze huurlingen, geharde veteranen die bijvoorbeeld veel ervaring hadden opgedaan met het jagen op IRA-leden, trainingscentra hebben geleid waar diverse Afrikaanse 'bevrijdingsbewegingen’ hun opleiding genoten. Ook zouden er Lock-mensen gemoeid zijn met diverse aanslagen op de bevolking in zuidelijk Afrika in het kader van een 'destabiliseringproces’ (zie De Groene van 5 november 1997). Zo werd er een verband gelegd tussen Project Lock en de beruchte aanslag in het Zuid-Afrikaanse Boipatong op 18 juni 1992, waar 39 doden vielen en nog veel meer gewonden. Die aanslag werd gepleegd door leden van de ontbonden Koevoet-eenheid, een berucht squadron van veertig veteranen uit Namibië, die hun training zouden hebben genoten onder auspiciën van project Lock.
Van essentieel belang in het onderzoek van rechter Kumleben was een document van een infiltrant van de Zuid-Afrikaanse militaire inlichtingendienst in de Lock-groep, dat als 'document Q’ werd aangeduid. Uit dat document, in bezit van De Groene, bleek dat de Britse Falkland-generaal, kolonel Ian Crooke, belast met het commando over de Lock-huurlingen, de Zuid-Afrikaanse regering een samenwerkingsverband had aangeboden. Als Zuid-Afrika meewerkte met Lock, zou Lock ervoor zorgen dat de Zuid-Afrikaanse regering zou worden voorzien van informatie over de anti-apartheidsorganisaties in het buitenland. De grens tussen natuurbescherming en inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Zuid-Afrika en de naburige staten was in ieder geval zeer onduidelijk.
OP ZICH STAAT het WNF daarmee in een oude traditie van natuurbescherming. Al in het begin van deze eeuw verklaarde de Zuid-Afrikaanse president Paul Kruger het gebied dat grensde aan de Portugese kolonie Mozambique tot beschermd natuurgebied, en al vanaf dat prille begin was duidelijk dat internationale politieke intriges ook bij de beoogde natuurbeschermers prevaleerden boven bescherming van de verdrukte fauna.
In 1902, toen Zuid-Afrika een Britse kolonie werd, kwam het Krugerpark in handen van de Britse veteraan uit de Boerenoorlog majoor James Stevenson-Hamilton, die de strikte opdracht kreeg het park te vrijwaren van 'kaffers’ en blanke boeren. Tot aan zijn pensionering in 1946 kweet de majoor zich ijverig van zijn taak. Onder het mom van een permanente anti-stroperscampagne ontdeed hij meer dan 16.000 vierkante kilometer grond van iedere vorm van bewoning. De originele bewoners, voor zover niet uitgewezen, werden ook gedwongen te vertrekken, daar hun voornaamste bron van levensonderhoud, de jacht, ten strengste was verboden. Van de zoeloes kreeg de majoor de bijnaam 'skukuza’ ('hij die schoonveegt’). Het hedendaagse hoofdkwartier in het Krugerpark heet nog steeds zo. Ongetwijfeld opereerden de prinsen Philip en Bernhard met hun Project Lock in nagedachtenis aan de hardvochtige 'anti-stroper’ Stevenson-Hamilton, zoals het WNF in feite in zijn geheel voortborduurt op die lijn.
BERNHARD EN PHILIP zijn de grote mannen van het WNF. Tevens zijn ze soul mates voor het leven. Begin jaren zestig vertelde Bernhard aan zijn biograaf Alden Hatch dat hij een dagelijkse correspondentie had met zijn Britse evenknie: iedere dag stuurden ze elkaar per telex een citaat uit de Heilige Schrift. Het was in die vrome periode van de beide prinsen dat zij kwamen tot de oprichting van het WNF.
Op zich was het feit dat deze twee verwoede jagers zich bekeerden tot ecologische activisten al een opmerkelijke tournure. Philip had bij een bezoek aan India in januari 1961, net voor de oprichting van het WNF, nog gezorgd voor een grote controverse door gezeten op een olifant mee te doen aan een grootscheepse jacht op Indiase tijgers - ook al een diersoort waar het WNF keer op keer een campagne voor opzette. De foto van Philip staande bij het lijk van de trotse tijger shockeerde de hele wereld.
Tijdens datzelfde koninklijke bezoek aan India vergreep Philip zich ook nog een keer aan een Indiase neushoorn, een unieke species waar toen nog 250 exemplaren van rondliepen. Het betrof een vrouwtjesexemplaar met een jong. Een van de jagers in het koninklijke gezelschap, Lord Alex Douglas-Home, een van de beste schutters van het Verenigd Koninkrijk, loste een waarschuwingsschot om moeder en jong weg te jagen. Het dier liep echter niet weg en kwam op het pad van Philip. 'Tot ieders afschuw schoot Philip het beest neer’, zo vertelde Ian MacPhail, oud-WNF-topman in 1990 aan een Britse filmploeg.
Volgens MacPhail werd Philips actie voor het publiek verdonkeremaand om te voorkomen dat de reeds bestaande plannen ter lancering van het WNF als de nieuwe schuit van Noach in gevaar zouden komen. MacPhail verklaarde zelf te hebben meegewerkt aan de cover-up. 'Maar met een zwaar gemoed moet ik zeggen dat ik er toen naast zat’, zei hij in 1990. 'De neushoorn, de olifant en de panda misten de boot, en de Ark van Noach voer uit zonder hen.’
Prins Philip wijdde zo'n beetje al zijn tijd aan het werk voor het WNF. Daarbij werd hij gedreven door zijn eigen persoonlijke fobieën. Nauurbescherming is voor Philip vooral een strijd tegen de mens. 'Ik vraag me af hoe het zou zijn om te reïncarneren als een van de bedreigde diersoorten’, schreef hij in 1988 als voorwoord bij het boek People as Animals van Fleur Cowles. 'Wat zouden zijn gevoelens zijn tegenover de menselijke soort wiens bevolkingsexplosie het hem op een of andere manier onmogelijk maakte om voort te bestaan. (…) Ik moet bekennen dat ik soms de wens gevoel om te reïncarneren als een bijzonder dodelijk virus.’
De mensvijandigheid is een trekje dat men bij veel WNF-activiteiten kan detecteren. Het WNF is dan ook Philips kindje. Dat de Britse prins niet de eerste president van het WNF werd, maar Bernhard, was een kwestie van internationale politiek. Diverse Britse ex-koloniën zouden het niet op prijs stellen als hun grond weer zou worden veroverd door een vertegenwoordiger van het Britse vorstenhuis in de nieuwe hoedanigheid van natuurbeschermer. Bernhard bleef de eerste man bij het WNF totdat het Lockheed-schandaal hem opbrak.
OOK OP FINANCIEEL gebied is Bernhard bij het WNF gebaat. Dat blijkt uit de door De Groene onderschepte correspondentie tussen de dienst van het koninklijk huis in Nederland en het hoofdkwartier van het WNF in het Zwitserse Gland over de financiering van Project Lock. Voor dat doel dienen we terug te keren naar 7 december 1988, toen in de Londense vestiging van veilinghuis Sotheby’s twee doeken onder de hamer gingen uit de particuliere collectie van prins Bernhard en prinses Juliana. De veiling, A Future for Nature genaamd, was georganiseerd door lid baron Heinrich von Thyssen-Bornemisza. De opbrengsten zouden ten goede komen aan het WNF. Het was een ongekend succes.
Juliana en Bernhard doneerden twee schilderijen: De heilige familie, van de Spaanse meester Bartolomé Esteban Murillo en De verkrachting van Europa, toegeschreven aan de Italiaanse Elisabetta Sirani. Murillo’s doek zou volgens het veilingboekje weg moeten voor een bedrag tussen de 60.000 en 80.000 Britse ponden (ongeveer 250.000 gulden). De vermeende Sirani was geschat op een bedrag tussen de 6000 en 8000 pond. De binnengehaalde bedragen waren spectaculair hoger: De heilige familie deed 600.000 pond (bijna twee miljoen gulden), terwijl de De verkrachting van Europa ook het veelvoud van 100.000 pond opbracht. De gulle gever bleef anoniem.
Daarna volgt een fiscale truc die duidelijk maakt hoezeer natuurbescherming financieel aantrekkelijk is voor de high rollers van deze wereld. Uit een brief van de schatkistbewaarder van Juliana, R.M. Smits, aan raal Henner Ehringhaus, d.d. 13 juni 1989, blijkt dat Juliana de royale gift weer kan aftrekken van haar eigen inkomstenbelasting.
Juliana verplichtte zich tot het jaarlijks betalen van 200.000 pond over een periode van vijf jaar ten bate van het WNF. Als ze eerder zou komen te overlijden, zou het resterende bedrag in één keer aan het WNF worden uitgekeerd. Schatkistbewaarder Smits in zijn brief aan Ehringhaus: 'As the instalments of the life-annuity are income-tax deductible you will no doubt understand our interest in this instrument’. Kortom: Juliana had er een pracht van een aftrekpost bij, en dat voor twee schilderijen die eigenlijk nog geen tiende waard waren van de som waarvoor ze uiteindelijk werden aangekocht.
BOZE TONGEN in het kunstbedrijf beweren dat deze tactiek van het kunstmatig ophogen van de waarde van kunst wel vaker wordt gevolgd. Doordat kopers anoniem blijven, is het bijvoorbeeld heel goed mogelijk om de doeken zelf te kopen, zodat men zichzelf een geweldige fiscale aftrekpost bezorgt, terwijl de opbrengsten (die in dit geval via het WNF weer in handen kwamen van een der gevers, te weten Bernhard) gewoon weer kunnen worden besteed.
Thesauriër Smits toont zich not amused over de vondst van zijn brief aan het WNF. Maar hij bezweert dat het de normaalste gang van zaken is. Smits: 'Het grote publiek schijnt dat altijd maar te vergeten, maar sinds een jaar of dertig betalen leden van het koninklijk huis ook gewoon belasting. Dus mogen zij ook aftrekposten opvoeren.’
De opbrengsten van de veiling van de koninklijke kunst kwamen, zoals gezegd, weer bij Bernhard terecht. Dat blijkt uit een schrijven van WNF-medewerkster Tatiana Gortchacow aan WNF-directeur Charles de Haes, gedateerd 12 januari 1989. Als onderwerp van het schrijven staat vermeld: 'prince Bernhard’s money’. Vertaald uit het Engels: 'Ik werd net gebeld door PB (prins Bernhard - rz) over de overdracht van het geld naar prinses Juliana’s rekening in Nederland. Hij zei dat hij nog niets heeft ontvangen en nu dringend 500.000 Britse pond nodig heeft voor een speciaal project. De rest van het geld kunnen we houden. Hij zei ook dat als er geld over is nadat het project is beëindigd, hij dat naar Gland (het hoofdkwartier van het WNF in Zwitserland - rz) zal sturen.’
Kortom: Bernhard zat dringend verlegen om een half miljoen pond voor een 'speciaal project’ en eiste dat het geld via WNF naar de rekening van Juliana werd overgemaakt. Het is daar dat de financiering van Project Lock dan echt kan starten.
DE MANIER WAAROP Project Lock werd gefinancierd wekte grote belangstelling bij een van de accountants van de financiële staf van WNF in Zwitserland. De accountant zag gigantische bedragen heen en weer springen van de ene bankrekening naar de andere en vroeg zijn superieuren om inzicht in de dossiers van Project Lock. Maar dat werd hem bruusk geweigerd. 'Mijn secretaresse heeft me verteld dat u mijn dossiers over Project Lock wilt inzien’, schreef directeur communicatie Robert SanGeorge op 21 februari 1991 aan de medewerker. 'You may NOT, under any circumstance, see these files.’
De medewerker persisteerde. Om zijn taak naar behoren uit te voeren had de accountant recht op inzage, zo verklaarde hij meermalen. Dat werd hem fataal. Op 4 september 1991 werd hij op staande voet ontslagen. Directeur Frank Schmidt van de financiële afdeling van het WNF beschuldigde hem van insubordinatie. 'Er was geen sprake van ongehoorzaamheid, ik deed alleen maar mijn werk’, aldus de medewerker, die anoniem wil blijven. 'Ik heb twee jaar voor WNF International gewerkt, en u kunt zich niet voorstellen hoe moeilijk dat was, te werken in een bedrijf waar bijna iedereen leugens aan het vertellen was. Ik voelde me daar zeer eenzaam. Ik mocht de dossiers over Project Lock niet bekijken, omdat prins Bernhard en prins Philip ermee te maken hadden. Er was een atmosfeer van absolute geheimhouding, hetgeen misschien normaal is voor mensen die gewend zijn om onder een monarchie te leven, maar dat ons Zwitsers razend maakt. Ik kreeg groot geld aangeboden als ik mijn mond zou houden. Maar dat heb ik geweigerd.
Daarna probeerde het WNF me het leven op alle terreinen moeilijk te maken, met behulp van privé-detectives en weet ik wat nog meer. Nadat ik werd ontslagen, is iedereen bij het WNF die iets met Project Lock te maken had, hem als de donder gesmeerd, inclusief Charles de Haes. Er moest koste wat het kost een schandaal worden voorkomen. Zelfs een machtige industrieel als Anton Rupert van het Rothman-syndicaat trad terug uit het bestuur. Wat het WNF altijd nagelaten heeft, is me voor de rechter te slepen. Hetgeen begrijpelijk is, want dan zou de waarheid uitkomen, en dat is wel het laatste wat ze kunnen gebruiken.’