Optima rubber

Optimaal. Optima nummer 50, 14de jaargang nr. 2, 1996, 128 blz., Uitgeverij Contact, f12,50
IN ‘SNEEUWWITJE en de zeven Optimannetjes’, een sprookje voor de grachtengordel, beschrijft Suzanne Holtzer haar wederwaardigheden bij de redactie van het literaire tijdschrift Optima. Zoals het een Sneeuwwitje betaamt, sloeg ook Suzanne de wijze raad van haar stiefmoeder niet in de wind: ‘Ga verkleed als man, dan kom je ver in het leven. Kijk maar naar mij, en toon als je eenmaal een positie hebt veroverd je ware gedaante.’

Tien jaar geleden, meldt Sneeuwwitje Suzanne, schreef zij een bijdrage voor Optima over Rood Paleis van Bordewijk. Ze ondertekende haar stuk met S.M. Holtzer. Het stuk werd geplaatst, ‘voorzien van een beleefd naschrift dat als volgt aanving: “Holtzer heeft gelijk - ook hij is een kritische lezer.”’ Toen de redacteuren van het blad medewerker Holtzer later in levenden lijve ontmoetten, waren ze stomverbaasd dat hij een vrouw bleek te zijn.
Desondanks waren de Optimannetjes content met S.M. Holtzer en vroegen haar een tijdje bij de redactie te blijven. Sneeuwwitje stemde toe en werkte samen met zeven literaire zwaargewichten: Atte Jongstra, Joost Nijsen, Frank Ligtvoet, Henk Propper, Thomas van den Bergh (secr.), Arjan Peters en Michael Zeeman.
Tussen die eigenwijze mannetjes moest Sneeuwwitje Holtzer haar weg zien te vinden. Op een dag kwam het laatste Optimannetje aanvaren, vertelt ze, nog steeds niet helemaal bekomen van de schrik: 'Een zeewaardig karakter, dat heel wat stormen had overleefd, maar ook het wonderlijke vermogen bezat ze te doen ontstaan. “Wie wind zaait, zal storm oogsten”, hoorde ik hem eens zeggen. Ik zal nooit de avond vergeten dat hij een orkaan deed aanzwellen die alle mannetjes in een klap naar buiten blies. Deze gebeurtenis was eens te meer een bewijs dat ik nooit een Optimannetje zou kunnen worden. Ik bleef alleen achter in dat schoongewaaide redactielokaal, me meer dan ooit bewust van het verschil tussen dat driftige volkje en mezelf. Ik wist me zorgvuldig voor te bereiden op een betoverend afscheid van de Optimannetjes: ik verbrak de vloek en liet me meevoeren met de dwaze bijen.’
Exit S.M. Holtzer. Eveneens exit een heleboel anderen. Blijven over, naast orkaan Michael Zeeman, Arjan Peters en Thomas van den Bergh (secr.). Omdat de 'secr.’ niet echt meetelt, getuige de aanhef 'Beste Arjan Peters en Michael Zeeman’ van C.O. Jellema (die weer een van zijn onvermijdelijke sonnetten zond), gezien Holtzers ontboezeming, en gezien des Zeemans intro 'Over Optima en het optimale’, moet je in hollywoodiaanse euforie stellen dat Michael Zeeman het literaire tijdschrift Optima is (met alle respect voor Thomas van den Bergh, secr., en Arjan Peters).
En dat is prima. Liever een tijdschrift bestuurd door een redacteur met een duidelijke visie dan een zwabberend blad dat het compromis tot raison d'etre heeft verheven. Michael Zeeman is in Nederland een soort literatuurmonument. Daarvan getuigt ook het televisieprogramma dat de VPRO al enige tijd als onderdeel van Laat op de avond na een korte wandeling uitzendt, een boekenprogramma gepresenteerd (en geregeerd) door Michael Zeeman. Gezien de inhoud van de afleveringen en gezien de literatuuropvattingen die er steeds zijn gepresenteerd, kon je in hollywoodiaanse bescheidenheid concluderen: Zeeman is het literatuurprogramma van Laat…
En dat is oke. Liever een boekenprogramma met een visie dan een allegaartje van schrijvers, boeken en meninkjes zonder duidelijke ideeen en opvattingen.
OPTIMA jubileert. Het vijftigste nummer is daar, na veertien jaargangen stug doorgaan en volhouden. Of Zeeman werkelijk, zoals Holtzer schrijft, het redactielokaal heeft schoongeblazen door de andere Optimannetjes 'in een klap naar buiten’ te blazen, interesseert me niet wezenlijk. Interessanter is de vraag wat Optima nu eigenlijk voor tijdschrift is, waar het voor staat.
Voor het jubileumnummer vroeg de redactie haar medewerkers om een bijdrage over 'het optimale’. De verschillende bijdragen tonen hoe ruim dat begrip kan worden opgevat, of hoe weinigzeggend het is, misschien.
Alle contribuanten stuurden een min of meer karakteristieke bijdrage, en alle contribuanten bezingen 'het optimale’. Joost Nijsen, die ooit aan de wieg stond van het tijdschrift, schreef het gedicht 'Optiem acrostichon’, dat de memorabele ontboezeming 'DOE ER NOG MAAR VIJFTIG’ acrosticheert ('Tegen huidblubber: Optima Rubber!’), Atte Jongstra legt ouderwets uit waarom hij geen raad weet met het verzoek van de redactie, Kees ’t Hart stuurde een grappig onderzoeksvoorstel c.q. subsidiever zoek, Maarten Asscher varieert vijf maal op het optimale, Charlotte Mutsaers schreef 'Open brief aan een koperen Optima’, waarin ze uitlegt waarom ze geen zin heeft in het schrijven van een vertoog, Ernst Braches onderwerpt de grafische vormgeving en typografie van Optima aan een minutieus onderzoek, Em. Kummer publiceert 'Adieu Optimaal’, een verhaal over de dood van hoogleraar tekstwetenschap Maxima Optimaal, Piet Meeuse bezingt de meloen, en er zijn gedichten van Arno Breekveld, Henk Propper, Laurens Spoor, Leonard Nolens, Victor Schiferli en Pieter Boskma.
Het optimale, zo blijkt, is nogal nondescript. Iedere schrijver heeft zijn eigen band met het woord, of geen enkele band. Na lezing van alle bijdragen concludeert men dat 'het optimale’ nog even onscherp en multi-interpretabel is als voordien. En is dat misschien exemplarisch voor Optima zelf?
HET OPTIMALE is dat waarnaar de tijdschriftredacteur altijd dient te streven. In zijn 'Woord vooraf’ legt Michael Zeeman het een en ander uit over de identiteit van de tijdschriftredacteur: 'Wat het mooiste is weet hij en hij alleen. Hij alleen weet het te vinden, weet hoe je het herkent, of hoe je het te voorschijn tovert in het stuk dat je aangeboden werd en dat op het eerste gezicht tot de slappe middelmaat behoort die anderen klakkeloos publiceren, maar dat na herschrijving, op zijn advies en met inachtname van zijn instructies, blijkt te schitteren en te zinderen. Hij zag het, zij niet.
Een tijdschriftredacteur is iemand die diep in zijn hart al zijn collega’s ongelijk geeft.
Dat wil zeggen: een optimale tijdschriftredacteur. Maar juist die redacteur lijkt niet meer van deze tijd te zijn.’
Zonder het met zoveel woorden te zeggen, moet Zeeman vaststellen dat er toch ten minste een lichte crisis is in de Nederlandse literatuur. Er is geen ruzie, er wordt geen discussie gevoerd, geen debat. Geen enkel literair tijdschrift durft het aan - of voelt zich geroepen - om een programmatisch uitgangspunt te kiezen en dat, al dan niet per manifest, uit te dragen in haar kolommen.
Er zijn verschillende oorzaken voor de neerslachtig stemmende situatie van dit moment. De tijdschriftredacteur is bijvoorbeeld promiscu geworden. Men schrijft zonder probleem in elkaars blad of wordt redacteur van een nieuw tijdschrift. Er is sprake van een verregaande ontzuiling. Zeeman: 'Het lijkt er kortom op dat de grenzen zijn opgeheven, dat de idealen allengs verder verwateren en je al die tijdschriften evengoed zou kunnen laten fuseren - of, om het met wat meer afstandelijkheid te formuleren, dat dit geen tijd voor programmatische verschillen, laat staan kwaliteitseisen is, of dat in de Nederlandse literatuur het optimale allang niet meer wordt nagestreefd. Anything goes.’
Maar gelukkig - u voelt hem al aankomen - is er Optima. Optima streeft namelijk wel naar het optimale. Optima onderscheidt zich van alle andere literaire tijdschriften doordat 'achter de beschaafde plooien in ons aangezicht nog immer de gelijkhebberigheid, het verlangen, ja, de behoefte aan het optimale schuilt.’
WAT ZEEMAN constateert is juist: het intellectuele debat is verdwenen uit de literatuur. Het heeft plaatsgemaakt voor een op instant-bevrediging gebaseerd ad hoc-beleid, zwabberend, onduidelijk, overvoorzichtig en ronduit laf. De uitgevers hebben de schrijvers al laten zitten door ze uit te leveren aan de Ako-terreur van minkukel Dreesmann; de tijdschriften, eens programmatische bladen met een mening die langer standhield dan weer een volgende, snel overwaaiende hype, zijn bleke blaadjes geworden; en de redacties van die eens zo trotse organen hebben geen ruggegraat meer. Men wisselt zijn ideeen, idealen en verbondenheid met een literair tijdschrift net zo gemakkelijk in voor tegenovergestelde principes of opvattingen. Dat anything goes is niet iets om blij over te zijn; het heeft de Nederlandse literatuur gemaakt tot een non-descripte, richtingloos dolende opeenhoping van kaf, waarin nauwelijks koren te vinden is.
Alleen, zo vraag ik me af, waarom neemt Optima, net als de andere tijdschriften, niet haar verantwoordelijkheid serieus en maakt het een jubileumnummer dat wel een visie uitdraagt, dat wel programmatisch is, dat wel stelling durft te nemen? Dat blijft namelijk geheel en al achterwege in dit jubileumnummer. Optima 50 is een nondescripte, richtingloos dolende verzameling kwalitatief hoogstaande maar slaapverwekkend voorspelbare literatuur. Natuurlijk deugt het allemaal heel erg, natuurlijk zijn het allemaal Grote Namen, maar nergens is er enig leven te bespeuren. Vermoeidheid is het enige wat van elke pagina af dampt. Een diepe, diepe vermoeidheid.
Heeft de redactie het opgegeven, 'net als talrijke uitgevers en de meeste juryleden voor de poenige prijzen’? Dan zou er niet alleen geen aflevering over het optimale meer te maken zijn, dan zou je al die normatieve eigennamen ook moeten vervangen - Maatstaf, De Gids, Optima, het zou allemaal plaats moeten maken voor een groot Zoetermeer of Almere. Want ze zouden in hun slappigheid zoveel op elkaar lijken dat een fusie tot een omvangrijk maar onhanteerbaar maandschrift voor de hand zou liggen. “'Kweekvijvers’ voor jong talent, zoals ze vroeger heetten, zijn ze goeddeels immers al lang niet meer - hooguit voorpublikatie-organen voor hun uitgevers. Fuseren is dan in ieders belang, zelfs dat van de auteurs.’
Gezien de toon en inhoud van Optima’s jubileumnummer denk ik dat Michael Zeeman hier een van zijn interessantere ideeen weergeeft.